Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BP3627

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-01-2011
Datum publicatie
09-02-2011
Zaaknummer
22-003111-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat de veroordeelde door middel van of uit de baten van de in zijn strafzaak bewezenverklaarde feiten dan wel uit een soortgelijk feit daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De vordering van het Openbaar Ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht dient derhalve te worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003111-09 PO

Parketnummer: 09-900636-08

Datum uitspraak: 18 januari 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 3 april 2009 in de ontnemingszaak tegen de veroordeelde:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats],

thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Procesgang

1.1 De strafzaak

Bij vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 3 april 2009 is de veroordeelde ter zake van het in zijn strafzaak onder 1 en 2 bewezenverklaarde, gekwalificeerd als:

de voortgezette handeling van

diefstal door twee of meer verenigde personen

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, aanhef en onder C, van de Opiumwet gegeven verbod,

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van voorarrest.

1.2 Vordering openbaar ministerie in eerste aanleg

De ter terechtzitting in eerste aanleg van 20 maart 2009 ingediende vordering van het openbaar ministerie houdt in dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 166.833,33, ter ontneming van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel uit een soortgelijk feit als de in zijn strafzaak bewezenverklaarde feiten, te weten de verkoop van hennep, waaromtrent - naar het oordeel van het openbaar ministerie - voldoende aanwijzingen bestaan dat dat feit door de veroordeelde is begaan.

1.3 Vonnis

De rechtbank 's-Gravenhage heeft bij vonnis van eveneens 3 april 2009 de vordering van het openbaar ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel afgewezen.

De officier van justitie heeft op 9 april 2009 tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

1.4 Onderzoek van de zaak

Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 19 januari 2010, 17 juni 2010, 14 oktober 2010 en 4 januari 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de veroordeelde naar voren is gebracht.

1.5 Vordering in hoger beroep

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op een bedrag - anders dan op zijn schriftelijke vordering staat vermeld - van € 500.500,- en dat aan de veroordeelde ter ontneming van dat voordeel de verplichting wordt opgelegd om een bedrag van € 166.800,- aan de Staat te betalen. Ter onderbouwing van zijn vordering heeft de advocaat-generaal aangevoerd wat in zijn schriftelijke requisitoiraantekeningen is vervat, die aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 juni 2010 zijn gehecht.

2. Standpunt van de verdediging in hoger beroep

De raadsvrouw van de veroordeelde heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 17 juni 2010 afwijzing van de ontnemingsvordering bepleit. Daartoe heeft de raadsvrouw onder meer aangevoerd dat de veroordeelde enkel bij het vervoeren van de hennep betrokken is geweest en niet bij de verkoop daarvan, zodat hem voor laatstgenoemd feit geen voordeel kan worden ontnomen. Dat de veroordeelde voor het vervoer een vergoeding heeft ontvangen blijkt niet uit het dossier. Derhalve is, aldus de raadsvrouw, niet aannemelijk geworden dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

3. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

4. Beoordeling van de vordering

De veroordeelde is in de aan deze ontnemingszaak ten grondslag liggende strafzaak in eerste aanleg veroordeeld voor diefstal op 17 maart 2008 van twintig met hennep gevulde dozen en voor medeplegen van het opzettelijk vervoeren en aanwezig hebben van die dozen.

Op grond van artikel 36e tweede lid jo. eerste lid van het Wetboek van Strafrecht kan aan een persoon die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, wanneer die persoon voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van dat strafbare feit of (een) soortgelijk(e) feit(en). In casu heeft de veroordeelde door diefstal in vereniging van voormelde hennep en het opzettelijk vervoeren en aanwezig hebben daarvan, over die hennep de beschikking gekregen en heeft hij in zoverre in beginsel wederrechtelijk voordeel genoten in de vorm van waardevolle goederen waarvan het voordeel op geld waardeerbaar is. Naar het oordeel van het hof kan evenwel uit het dossier onvoldoende worden afgeleid dat de veroordeelde bij de verkoop van de hennep betrokken is geweest, noch dat hij na het vervoer daarvan nog (mede) de daadwerkelijke beschikking over de hennep heeft gehad.

De zich in het dossier bevindende tapgesprekken waarin - naar mag worden aangenomen - gesproken wordt over de verkoop van de hennep vinden alle tussen de medeveroordeelden [medeveroordeelde 1] en [medeveroordeelde 2] plaats, dan wel betreffen deze gesprekken waarbij één van hen betrokken is. Ook uit die gesprekken blijkt onvoldoende van betrokkenheid van de veroordeelde bij eventuele verkoop, of anderszins van verdere beschikkingsmacht over de hennep. Bij de raadsheer-commissaris heeft [medeveroordeelde 1] voorts verklaard dat [verdachte] bij de verkoopzaken niet was betrokken.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is voorts niet aannemelijk geworden dat de veroordeelde een vergoeding heeft ontvangen voor zijn aandeel in de ten aanzien van hem bewezenverklaarde feiten, bijvoorbeeld uit de verkoop van de hennep. De veroordeelde heeft hieromtrent ter terechtzitting in eerste aanleg van 20 maart 2009 verklaard dat hij € 2.000,- zou krijgen voor het stelen van de bloemen, maar dat hij dat nooit heeft ontvangen. Ook anderszins is niet gebleken dat hij dat ontvangen heeft.

Op grond van het voorgaande is het naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden dat de veroordeelde door middel van of uit de baten van de in zijn strafzaak bewezenverklaarde feiten dan wel uit een soortgelijk feit daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De vordering van het Openbaar Ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht dient derhalve te worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Wijst de vordering van het openbaar ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af.

Dit arrest is gewezen door mr. B.A. Stoker-Klein, mr. A.J.M. Kaptein en mr. G.J.W. van Oven, in bijzijn van de griffier mr. S.N. Keuning.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 januari 2011.