Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BP3618

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-01-2011
Datum publicatie
09-02-2011
Zaaknummer
200.026.715.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Invulling van de contactregeling na scheiding bij gezamenlijk gezag. Ouderschapsonderzoek: rol moeder, rol vader. Artikel 1:247 lid 3 BW: plicht van de ouder om de band tussen de kinderen en de andere ouder te bevorderen. Gevolgen van niet nakoming van die plicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 26 januari 2011

Zaaknummer : 200.026.715.01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 08-8212

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. T. Abbo te Oud-Beijerland,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. C.N.M. Schep te Oud-Beijerland.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Het hof verwijst naar zijn tussenbeschikking van 7 april 2010.

Bij die beschikking is mevrouw drs. B. de Vries tot deskundige benoemd. Zij is met haar werkzaamheden gestart conform de verleende opdracht. Tot die opdracht behoort het voeren van gesprekken met beide partijen gezamenlijk. De deskundige heeft het hof bij brief van 10 augustus 2010 bericht dat de moeder niet bereid is met de vader om de tafel te willen.

Het hof heeft de advocaten van partijen bij brief van 23 september 2010 bericht dat het voornemens is naar aanleiding van de voornoemde brief van de deskundige een eindbeschikking te wijzen en stelt beide partijen in de gelegenheid daarop hun visie te geven.

De advocaat van de vader heeft gereageerd per brief van 11 oktober 2010, door het hof ontvangen op 12 oktober 2010.

De advocaat van de moeder heeft gereageerd per faxbericht van 12 oktober 2010, op diezelfde dag door het hof ontvangen.

VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de vaststelling van een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen:

- [naam minderjarige 1], geboren [in 1994] te [geboorteplaats], hierna: [minderjarige 1],

- [naam minderjarige 2], geboren [in 1998] te [geboorteplaats], hierna: [minderjarige 2], en

- [naam minderjarige 3], geboren [in 2001] te [geboorteplaats], hierna: [minderjarige 3], hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen. De ouders zijn gezamenlijk met het gezag over de kinderen belast.

2. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking op de in het appelschrift genoemde gronden gedeeltelijk te vernietigen en opnieuw beschikkende een omgangsregeling tussen hem en de kinderen vast te stellen die het hof juist acht.

3. De moeder bestrijdt het beroep en verzoekt het hof de vader in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans hem zijn verzoeken te ontzeggen.

4. De deskundige meldt in haar brief van 10 augustus 2010 dat de moeder haar heeft verzocht onderzoek te doen naar de door de moeder vermeende valse beschuldigingen door de vader. De deskundige heeft de moeder geïnformeerd over de aard van het door het hof opgedragen onderzoek, dat er in de eerste plaats toe strekt met behulp van de interventies van de deskundige te komen tot een verbeterde verstandhouding tussen de ouders, met het doel contactherstel te bewerkstelligen tussen de kinderen en de ouder die het contact met hen ontbeert. De moeder heeft de deskundige verwezen naar de kinderarts [X]. Tevens verzocht de moeder de deskundige geen kopieën van correspondentie meer toe te zenden aan haar advocaat, vanwege de kosten. De vader reageerde volgens de deskundige teleurgesteld en bezorgd. De deskundige meldt voorts dat de kinderarts [X] met haar telefonisch contact heeft gezocht. Zijn visie was dat de ouders, vanuit zijn expertise bezien, met elkaar in gesprek zouden moeten gaan. Tevens deelde hij mede dat hij bereid was zijn bijdrage hierin te leveren. De deskundige heeft het hof de optie voorgelegd dat zij met de partijen tezamen, in aanwezigheid van hun advocaten en zo mogelijk ondersteund door [X] om de tafel zou gaan.

5. De advocaat van de vader heeft het hof bericht dat de vader bereid is op de voorstellen van de deskundige in te gaan. Hij wil in gesprek met de moeder onder begeleiding van de deskundige en op de voorwaarden van de deskundige.

6. De advocaat van de moeder heeft het hof bericht dat de moeder niet met de vader om de tafel wil en voorstelt dat er een eenmalig gesprek tussen de kinderen en de deskundige zal plaatsvinden in aanwezigheid van de kinderarts [X], bij voorkeur ook in aanwezigheid van de kinderrechter of een griffier, te houden in een kindvriendelijke omgeving, bij voorkeur bij de moeder thuis. De partijen mogen bij dit gesprek niet aanwezig zijn. Het doel is: oordeelsvorming over de gevraagde omgang en eventueel bij opstart te vervullen randvoorwaarden.

7. Het hof leidt uit de door de moeder ingenomen positie, namelijk dat zij niet met de vader om de tafel wil, af dat zij ook niet bereid is haar medewerking te verlenen aan het door het hof gelaste deskundigenonderzoek. Voorts stelt het hof vast dat de moeder niet bereid is adviezen van de deskundige en de kinderarts van de kinderen, [X], ter harte te nemen. In plaats daarvan formuleert de moeder haar eigen voorwaarden, die er op neer komen dat de kinderen aan de deskundige gaan vertellen hoe het zit en hoe het verder zou moeten gaan. Het hof constateert dat de moeder daarmede haar verantwoordelijkheid als gezagsdragende ouder niet neemt en met name in strijd handelt met hetgeen sedert 1 maart 2009 in artikel 1: 247 lid 3 is bepaald: het ouderlijk gezag omvat mede de verplichting van de ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen. Uit hetgeen in deze zaak tot het hof is gekomen volgt niet dat de moeder zich ontslagen mag achten van deze verplichting.

8. Het hof ziet zich gesteld tegenover de vraag welke gevolgen aan het (niet) handelen van de moeder verbonden dienen te worden. Het hof wordt daarbij beperkt door de omvang van het geschil zoals dat door de partijen is voorgelegd: omgang, in de zin van het al dan niet vaststellen van een contactregeling tussen de kinderen en de vader, die tezamen met de moeder het ouderlijk gezag uitoefent. Het hof neemt bij de vraag of in dit geval een contactregeling kan worden vastgesteld de belangen van de ouders en de kinderen in ogenschouw, waarbij uiteindelijk die van de kinderen het zwaarst wegen.

9. In de persoon van de vader acht het hof geen beletsels aanwezig om een contactregeling vast te stellen. Van bezwaren, die op dit moment nog zouden bestaan, is niet gebleken. In de persoon van de moeder spelen omstandigheden die haar beletten te bevorderen dat er contact tussen de vader en de kinderen zal ontstaan. Aangezien de moeder op dit moment de verzorgende ouderrol heeft, moet er, gelet op hetgeen de rechtbank omtrent de houding van de kinderen tegenover contact met de vader heeft overwogen, van uit worden gegaan dat er zonder steun van de moeder op dit moment geen draagvlak aanwezig is om een contact tussen de vader en de kinderen te bewerkstelligen. De vader stelt in zijn appelschrift weliswaar aan de orde dat niet zonder een nader raadsonderzoek op de mening van de kinderen afgegaan mag worden, doch het hof stelt vast dat de raad in 2006 op verzoek van de rechtbank onderzoek heeft verricht naar de vraag waar het hoofdverblijf van de kinderen dient te worden bepaald en naar de mogelijkheden voor een omgangsregeling met de niet-verzorgende ouder. De resultaten van dat onderzoek, waarin door de raad met de kinderen is gesproken, wezen op een afwijzende houding van de kinderen jegens de vader. Het oudste kind bleek geparentificeerd, de twee jongere kinderen waren vol van hetgeen zij hadden meegemaakt en gehoord van en over de strijd tussen de ouders, aldus de raad. Het hof kan hieraan, gelet op de houding die de moeder nog altijd inneemt, geen andere conclusie verbinden dan dat de houding van de kinderen nog altijd afwijzend is: er is binnen het systeem van de moeder en de kinderen nog niets gewijzigd.

10. De termijn gedurende dewelke het recht op contact van de vader met de kinderen werd geschorst is inmiddels per 17 december 2010 komen te vervallen. De vader heeft in zoverre geen belang meer bij de vernietiging van de bestreden beschikking. Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat het op dit moment onder de gegeven omstandigheden niet mogelijk is een contactregeling tussen de vader en de kinderen vast te stellen. Dit leidt er toe dat zijn verzoek hiertoe zal worden afgewezen.

11. De deskundige heeft haar tot op heden verrichte werkzaamheden gefactureerd tot een bedrag van € 2.117,26, inclusief administratiekosten ad € 84,72 en 19% BTW.

Het hof stelt vast dat het deskundigenonderzoek is beëindigd, begroot de kosten daarvan op voornoemd bedrag en zal bepalen dat dit bedrag ten laste van ’s Rijks kas zal worden voldaan.

12. Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

wijst af het verzoek tot het vaststellen van een contactregeling tussen de vader en kinderen;

begroot de kosten van het deskundigenonderzoek, verricht door mevrouw drs. B. de Vries op € 2.117,26 inclusief administratiekosten en B.T.W. en draagt de griffier op dit bedrag te voldoen aan de deskundige, met bepaling dat deze kosten ten laste van ‘s Rijks kas zullen blijven.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van Nievelt, Kamminga en Van Leuven, bijgestaan door mr. Rasmijn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 januari 2011.