Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BP3528

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-01-2011
Datum publicatie
08-02-2011
Zaaknummer
200.066.614-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDOR:2010:BL5205, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bestuur VVE geen procespartij; toestemming voor verbouwing privegedeelte op redelijke gronden door VVE geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2011/46
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 200.066.614/01

Rekestnummer rechtbank : 236409 AZ VERZ 09-32

beschikking van de achtste civiele kamer d.d. 25 januari 2011

inzake

1. de Vereniging van Eigenaars van het Numangors,

gevestigd te Numansdorp, gemeente Cromstrijen,

hierna te noemen: de VVE, en

2. het Bestuur van de Vereniging van Eigenaars van het Numansgors,

bestaande uit [bestuur],

hierna te noemen: het bestuur,

verzoekers in hoger beroep,

advocaat: mr. Y.H. van Ballegooijen te Breda,

tegen

1. [geïntimeerde sub 1],

en

2. [geïntimeerde sub 2],

beiden wonende te Numansdorp, gemeente Cromstrijen,

verweerders in hoger beroep,

hierna te noemen: [geïntimeerden],

advocaat: mr. J.J. Slump te Rotterdam.

Het geding

Bij beroepschrift per fax op 11 mei 2010 ingekomen bij het hof zijn de VVE en het bestuur in hoger beroep gekomen van de tussen [geïntimeerden] enerzijds en de VvE anderzijds gegeven beschikking van de rechtbank Dordrecht, sector kanton, locatie Dordrecht van 11 februari 2010. In het beroepschrift hebben zij acht grieven opgeworpen tegen deze beschikking. Bij verweerschrift hebben [geïntimeerden] de grieven bestreden.

Op 3 december 2010 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarop partijen hun standpunten hebben doen bepleiten, de VVE en het bestuur door mr. Van Ballegooijen voornoemd, en [geïntimeerden] door mr. Slump voornoemd, zulks aan de hand van pleitnotities die aan het pleitdossier zijn toegevoegd. Vervolgens hebben partijen beschikking gevraagd op het pleitdossier.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking onder het kopje ‘De feiten’ de feiten opgesomd. Partijen zijn niet tegen de vaststelling van deze feiten opgekomen, behoudens voor zover de kantonrechter sub 1.12 van de beschikking als vaststaand heeft aangenomen dat het besluit van 21 juli 2008 van het bestuur ook op die dag is gepubliceerd, zodat het hof in zoverre ook van die feiten zal uitgaan.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1 [geïntimeerden] zijn eigenaar van het appartementsrecht bestaande uit zeventien/vierduizendste aandeel in de gemeenschap, bestaande uit de zakelijke rechten van erfpacht op een perceel grond en daarop staande opstallen en verdere constructies, gelegen in het Poldertje te Numansdorp (gemeente Cromstrijen), kadastraal bekend gemeente Numansdorp, sectie D, nummers 440, 441 en 448, groot 22 hectaren, 19 aren en 10 centiaren. Het appartementsrecht geeft [geïntimeerden] mede recht op het uitsluitend gebruik van een woning met terras en terrein en verder toebehoren, welke woning plaatselijk bekend is als Numansgors 13 te Numansdorp. De buitenkant van de woning behoort tot het privégedeelte.

2.2 Op 15 december 1978 is de akte van splitsing van voornoemde onroerende zaak ingeschreven in de openbare registers. Bij de akte van splitsing is het splitsingsreglement vastgesteld. Daarbij is de VVE opgericht. Het bestuur van de VVE berust bij één of meer door de algemene ledenvergadering te benoemen administrateur(s). Met ingang van 1 januari 2006 wordt het bestuur gevormd door de heren [bestuurslid 1] en [bestuurslid 2].

2.3 In artikel 7 van Hoofdstuk B van het splitsingsreglement is bepaald:

‘B. REGELING OMTRENT HET GEBRUIK, HET BEHEER EN HET ONDERHOUD VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE GEDEELTEN EN DE GEMEENSCHAPPELIJKE VOORZIENINGEN

(...)

ARTIKEL 7

De eigenaars of gebruikers mogen zonder toestemming van de vergadering geen

veranderingen in het gebouwde aanbrengen, waardoor de hechtheid ervan in gevaar zou

worden gebracht of waardoor het architectonisch en / of landschappelijk uiterlijk of de

constructie ervan gewijzigd zou worden.

(...)’

2.4 In artikel 10 lid 6 van Hoofdstuk C van de splitsingsakte is bepaald:

‘C. REGELING OMTRENT HET GEBRUIK, HET BEHEER EN HET ONDERHOUD VAN PRIVEGEDEELTEN

(...)

‘6. Het is de eigenaars of de gebruikers niet toegestaan verbouwingen in of aan hun privé-gedeelte te verrichten of te doen verrichten, tenzij na voorafgaande schriftelijke goedkeuring van de administrateur, die daarover vooraf overleg dient te plegen met de raad van commissarissen alsmede – ingevolge de Algemene Bepalingen voor uitgifte in erfpacht – na voorafgaande schriftelijke toestemming van de Ambachtsheerlijkheid Cromstrijen. (…)

Het schriftelijk in te dienen verzoek tot goedkeuring dient vergezeld te gaan van een nauwkeurige omschrijving met tekening(en) van de voorgenomen verbouwing. De administrateur kan aan een te verlenen goedkeuring voorwaarden verbinden.

(...)’

2.5 In december 2005 is onder de leden van de VVE de door de Architectencommissie opgestelde brochure ‘Verbouwen in stijl’ verspreid. In de inleiding van deze brochure is - voor zover hier van belang - vermeld:

‘(…)

Indertijd zijn de woningen op het Numansgors gebouwd als tweede woningen en hebben de juridische status van recreatiewoningen gekregen, De gemeente overweegt nu om permanent wonen toe te staan waarbij andere reglementen met betrekking tot verbouwen worden gehanteerd. Om de architectonische kwaliteit van de woningen te behouden is, op verzoek van de Raad van Commissarissen, door drie bewoners/architecten de voor u liggende verbouwingshandleiding gemaakt.

(…)

In deze handleiding wordt in het kort omschreven wat de procedures en reglementen zijn bij verbouwen. Vervolgens wordt in gegaan op de stijlkenmerken van de woningen op het Numansgors waarop de toekomstige verbouwingen worden getoetst. Tot slot worden u foto’s getoond met de wel-en-niet-in-stijl-verbouwingen op basis van de originele situatie.

Indien u zelf een verbouwing overweegt kunt u zien waar op gelet moet worden en welke materialen u moet toepassen.

(…)’

2.6 In februari 2006 hebben [geïntimeerden] op grond van artikel 10 lid 6 van het splitsingsreglement toestemming gevraagd voor een bouwplan, dat onder meer betrekking had op de verplaatsing van de achtergevelpui. Deze toestemming is in maart 2006 door het bestuur geweigerd.

2.7 Op 6 april 2006 heeft een algemene ledenvergadering van de VVE plaatsgevonden, waarbij naar aanleiding van agendapunt 10 een besluit is genomen houdende de vaststelling van de procedure met betrekking tot verbouwingen. In de bijlage bij dit agendapunt is vermeld:

‘(…)

Rekening houdende met het vorengaande zou de procedure er als volgt moeten komen uitzien.

- Aanvraag tot verbouwing naar bestuurders;

- Bestuurders zenden aanvraag naar AC;

- Publicatie aanvraag door ophanging op mededelingenbord;

- AC voorziet binnen veertien dagen aanvraag van advies en zendt dit naar bestuurders;

- Bestuurders leiden advies door naar RvC;

- Overleg bestuurders en RvC via E-mail;

- Publicatie besluit, alsmede A-4 versie bouwtekening;

- Bezwaren kunnen binnen een termijn van twee weken worden ingediend;

- Beslissing bestuurders op eventuele bezwaren;

- Besluit wordt definitief.

(…)

In het verleden werden de naaste buren van een aanvrager door de bestuurder aangeschreven. Dit gebeurde overigens niet consequent. Een groot nadeel van dit aanschrijven is dat – afhankelijk van de situatie – de kring van direct belanghebbenden in voorkomende gevallen geheel anders kan zijn dan louter de naaste buren. Het is voor bestuurders onmogelijk om van geval tot geval de kring der belanghebbenden vast te stellen. Net als bij besluiten van de gemeente, kan dit bezwaar slechts ondervangen worden door te volstaan met publicatie.

(…)’

2.8 Bij brief van 29 juni 2006 hebben [geïntimeerden] een nieuw verzoek om toestemming bij het bestuur ingediend, dit keer alleen voor de verplaatsing van de achtergevelpui. Dit komt er op neer dat het inpandige balkon bij de woonkamer wordt getrokken. Bij het verzoek was een tekening van Bouwkundig Adviesbureau F.J. van Bellen gevoegd. Bij brief van 4 juli 2006 heeft het bestuur de ontvangst van het verzoek bevestigd en [geïntimeerden] meegedeeld dat dit zou worden gezonden aan de Architectencommissie en de raad van commissarissen.

2.9 Bij brief van 11 juli 2006 heeft de Architectencommissie bericht bezwaar te hebben tegen het bouwplan om de pui naar buiten tot aan de buitenzijde van het balkon te verplaatsen, tenzij enkele door de Architectencommissie genoemde aandachtspunten in acht zouden worden genomen.

2.10 Bij brief van 29 september 2006 hebben [geïntimeerden] het bestuur een kopie doen toekomen van de gewijzigde tekening van 24 september 2006, waarbij aan de bezwaren van de Architectencommissie tegemoet is gekomen.

2.11 Bij brief van 28 december 2006 heeft het bestuur [geïntimeerden] een afschrift gezonden van het besluit tot goedkeuring onder voorwaarden van de aanvraag tot verbouwing, zoals dat op het mededelingenbord is gepubliceerd. Het besluit vermeldt het volgende:

‘Besluit tot goedkeuring van verbouwing ex artikel 10 lid 6 splitsingsreglement d.d. 28 december 2006

In overleg met de Raad van Commissarissen en gelet op het advies van de architectencommissie is besloten om aan:

De heer [geïntimeerde sub 1]

goedkeuring te verlenen voor :

het verplaatsen van de schuifpui van Numansgors 13,

onder de navolgende voorwaarden :

(…)

Gedurende een termijn van 14 dagen kan schriftelijk bezwaar worden gemaakt bij de bestuurders.

Dit besluit zal niet eerder in werking treden dan na ommekomst van genoemde termijn en nadat op een ingediend bezwaar is beslist.’

2.12 Gedurende de bezwaartermijn is bezwaar gemaakt door de heer [A], de eigenaar van het appartementsrecht met betrekking tot de woning aan het [adres], naar aanleiding waarvan het bestuur [geïntimeerden] bij brief van 8 januari 2007 als volgt heeft bericht:

‘Ten vervolge op onze brief van 5 dezer laten wij u bij deze weten dat wij ons genoodzaakt zien het bezwaar van de heer de Mooij toe te wijzen. Hiermee is uw verzoek als bedoeld in artikel 10 lid 6 van het splitsingsreglement alsnog afgewezen. U heeft derhalve geen goedkeuring voor uw verbouwing.

De motivering van dit besluit luidt als volgt. Volgens de door ons bij bouwkundig adviesbureau van Bellen ingewonnen informatie bestaan er constructieve bezwaren tegen uw verbouwingsplan, zoals dat blijkt uit de door ingeleverde bouwtekening met werknr. 206.16, laatstelijk gewijzigd op 24 september 2006.’

2.13 Vervolgens hebben [geïntimeerden] (de bouwkundige detaillering uit) het verzoek aangepast en op 5 oktober 2007 wederom ingediend. Deze aanvraag is door het bestuur afgewezen naar aanleiding van opmerkingen van de architectencommissie.

2.14 Op 14 maart 2008 hebben [geïntimeerden] een gewijzigd verzoek en op 11 april 2008 een gewijzigde tekening ingediend. De architectencommissie heeft daarop bij brief van 7 juni 2008 aan het bestuur als volgt gereageerd:

‘De archtectencie ontving ter beoordeling aanvullende detailtekening no. 206.16 dd

11-04-08. gew. 2-05-08 in aanvulling op stukken beoordeeld op 13-05-08.

Deze tekening geeft de commissie geen aanleiding tot opmerkingen.

Wij stellen voor aanvrager dienovereenkomstig te berichten.’

2.15 Op 21 juli 2008 is opnieuw een besluit onder voorwaarden genomen met bepaling dat binnen 14 dagen schriftelijk bezwaar kon worden gemaakt en dat het besluit niet eerder in werking zou treden dan na ommekomst van deze termijn en nadat op een ingediend bezwaar is beslist. Tegen dit besluit heeft de heer [B], eigenaar van het appartementsrecht met betrekking tot de woning aan het [adres B], bij e-mail van 6 augustus 2008 bezwaar gemaakt, omdat de voorgenomen verbouwing naar zijn mening

– kort gezegd – afbreuk zou doen aan de architectonische uitstraling van het park. Tevens is bij e-mail van 8 augustus 2008 bezwaar van bouwkundige aard gemaakt door wederom de heer [A]. Het bestuur heeft [geïntimeerden] vervolgens bij brief van 13 augustus 2008 bericht:

‘Naar aanleiding van ons besluit 28 juli j.l. hebben twee leden inmiddels bij ons schriftelijk bezwaar gemaakt. Bijgaand zenden wij u afschrift van de ingediende bezwaren

Wij zullen op korte termijn een besluit nemen naar aanleiding van de ingediende bezwaren

Wij wijzen u er ten overvloede op dat het besluit van 28 juli j.l. derhalve nog niet van kracht is, met andere woorden u heeft op dit moment geen toestemming als bedoeld in artikel 10 lid 6 van het splitsingsreglement.’

2.16 Bij e-mail van 16 augustus 2008 hebben [geïntimeerden] als volgt op de ingediende bezwaren gereageerd:

‘(…)

1. dhr. [A] heeft mij, na uitleg van het plan en na inzage in de tekening, verklaard dat hij geen bezwaar meer heeft en u daar per e-mail van in kennis zal stellen. Wel zijn er nog zorgen over eventueel optredende scheuren.

Het moge duidelijk zijn dat de constructie op sterkte berekend is en door de bevoegde gemeente ambtenaar is beoordeeld en accoord bevonden.

(…)

2. Het bezwaar van dhr. [B] richt zich voornamelijk op het uiterlijk van het park. Aangezien alle aanbevelingen gedaan door de Architecten commissie zijn overgenomen, acht ik het bezwaar ongegrond.

Gezien het bovenstaande verzoek ik u de toestemming als bedoeld in artikel 10 lid 6 van het splitsingsreglement op korte termijn formeel te verlenen.’

2.17 Bij brief van 18 augustus 2008 heeft het bestuur [geïntimeerden] het volgende meegedeeld:

‘Naar aanleiding van het door de familie [B] ingediende bezwaar hebben wij het dossier doorgenomen en aansluitend een bespreking gehad met de AC.

Op de eerste aanvraagtekening staat de datum 15-04-2005 vermeld waardoor de architectencommissie er ten onrechte van uit is gegaan dat de aanvraag ook van die datum is en daardoor van vóór de goedkeuringsdatum van de brochure met procedure “Verbouwen in stijl”. Om deze reden heeft de AC gemeend onder de bekende voorwaarden uiteindelijk positief te moeten adviseren.

Tijdens het onderzoek naar de bezwaren van de fam. [B] is echter gebleken dat de aanvraag is gedaan op 17 februari 2006, waardoor het argument van de AC om te dezen uit te gaan van een “overgangsregime” onhoudbaar is.

De argumenten die door de familie [B] worden gehanteerd liggen volkomen in lijn met de brochure “Verbouwen in stijl”. Op deze gronden dienen wij het bezwaar van de familie [B] toe te wijzen. Hiermee is uw verzoek als bedoeld in artikel 10 lid 6 van het splitsingsreglement alsnog afgewezen.

Het door de heer de Mooij ingediende bezwaar behoeft gelet op het bovenstaande geen zelfstandige behandeling.

(…)’

3.1 Bij verzoekschrift tot het verkrijgen van een machtiging ex artikel 5:121 BW, gericht tegen de administrateur/het bestuur van de VVE, hebben [geïntimeerden] de kantonrechter verzocht hun vervangende machtiging te verlenen voor de voorgenomen verbouwing aan de woning Numansgors 13, met veroordeling van de administrateur/het bestuur van de VVE in de kosten van het geding.

3.2 Het bestuur van de VVE heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.3 De kantonrechter heeft bij de bestreden beschikking aan [geïntimeerden] de verzochte vervangende machtiging verleend en de VVE veroordeeld in de proceskosten.

3.4 In hoger beroep hebben het bestuur en de VVE acht grieven tegen de beschikking van de kantonrechter aangevoerd en het hof verzocht de beschikking van de kantonrechter te vernietigen met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van deze procedure. Het hof overweegt als volgt.

4.1 Ten eerste ligt de vraag voor of [geïntimeerden] terecht door de kantonrechter ontvankelijk zijn verklaard in hun verzoek. Het bestuur en de VVE stellen dat op grond van artikel 10 lid 6 van het splitsingsreglement voor de verbouwing niet de toestemming van de vergadering van eigenaars moet worden verkregen maar van het bestuur, dat in deze een zelfstandige taak heeft. De kantonrechter heeft dan ook ten onrechte in eerste aanleg de VVE in plaats van het bestuur als procespartij aangemerkt, aldus de VVE en het bestuur. [geïntimeerden] hadden niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

4.2 Het hof stelt vast dat in het inleidende verzoekschrift het bestuur van de VVE wordt aangemerkt als procespartij. Het bestuur van de VVE is geen rechtspersoon en kan mitsdien niet als procespartij optreden. Ter gelegenheid van de comparitie van partijen van 5 november 2009 heeft de heer [bestuurslid 1] namens het bestuur echter tegenover de kantonrechter verklaard:

‘Ik heb een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van de verzoekende partij. Dat beroep handhaaf ik om redenen van doelmatigheid niet langer. Ik hoor u zeggen dat de procespartijen vanaf nu [geïntimeerden] en de Vereniging van Eigenaars van het Numansgors zijn. Ik kan mij daarin vinden.’

4.3 Voorts neemt het hof in aanmerking dat anders dan het bestuur en de VVE betogen, de kantonrechter niet heeft geoordeeld dat het bestuur de toestemming als bedoeld in artikel 10 lid 6 van het splitsingsreglement gedelegeerd zou hebben gekregen van de vergadering van eigenaars. Integendeel, de kantonrechter heeft uitdrukkelijk overwogen dat van delegatie geen sprake is omdat de artikelen 7 en 10 van het splitsingsreglement verschillende onderwerpen regelen die ieder een eigen doel dienen. Artikel 7 heeft betrekking op gemeenschappelijke gedeelten, artikel 10 op privégedeelten. Het hof acht dit oordeel juist. Uit de akte van splitsing blijkt niet van overdracht van bevoegdheden van de vergadering van eigenaars aan het bestuur. Dit neemt echter niet weg dat een verzoek als het onderhavige gericht moet worden tegen de VVE als rechtspersoon. Het hof tekent hierbij aan dat het hier niet gaat om een besluit van de vergadering van eigenaars maar om het niet verkrijgen van een vereiste toestemming van het bestuur van de VVE, waarvoor de weg van artikel 5:121 lid 1 BW openstaat.

4.4 Het hof is van oordeel dat de kantonrechter op goede gronden heeft kunnen besluiten om de VVE aan te merken als formele procespartij in de onderhavige procedure. Met betrekking tot dit verweer voor zover in hoger beroep gevoerd, overweegt het hof dat het - daargelaten de vraag of het bestuur en de VVE door hun in eerste aanleg ingenomen processuele houding hun recht om dit verweer nogmaals in hoger beroep te voeren hebben verwerkt - het voeren van dit verweer thans in strijd acht met de beginselen van goede procesorde. Dat het laten varen van het beroep op de niet-ontvankelijkheid van [geïntimeerden] in eerste aanleg om redenen van doelmatigheid is geschied, doet daaraan niet af. Ook het hof zal in het hiernavolgende derhalve uitgaan van de VVE als procespartij. Het bestuur zal niet-ontvankelijk verklaard worden in zijn hoger beroep.

5.1 Thans dient beoordeeld te worden of de VVE haar toestemming op al dan niet redelijke gronden heeft geweigerd en – in het verlengde daarvan – of de kantonrechter terecht een vervangende machtiging voor de verbouwing heeft verleend. Hierbij speelt in de eerste plaats de status van de bezwaarprocedure, zoals vastgesteld bij de vergadering van eigenaars van 6 april 2006, een rol. [geïntimeerden] hebben in dit verband betoogd dat het bestuur ten onrechte andere appartementseigenaren in de gelegenheid heeft gesteld bezwaar te maken tegen de voorgenomen verbouwing, omdat (i) artikel 10 lid 6 van het splitsingsreglement deze mogelijkheid niet biedt, (ii) geen wijziging van de splitsingsakte heeft plaatsgevonden en (iii) het besluit van 6 april 2006 nietig c.q. niet rechtsgeldig is, omdat het niet met medewerking van alle appartementseigenaren is genomen.

5.2 De VVE heeft daartegen - in hoger beroep - aangevoerd dat het besluit van de algemene vergadering van voornoemde datum aangemerkt zou moeten worden als een aanwijzing als bedoeld in artikel 5:131 lid 4 BW, in die zin dat het bestuur overeenkomstig de procedure vastgesteld door vergadering van eigenaars tot weigering of toestemming had moeten komen. [geïntimeerden] hebben deze stelling gemotiveerd bestreden en aangevoerd dat de taak van het bestuur op grond van artikel 10 lid 6 van het splitsingsreglement niet valt onder de taken van artikel 5:131 lid 4 BW.

5.3 Ten aanzien van de vraag of het besluit van 6 april 2006 van de vergadering van eigenaars, waarbij de bezwaarprocedure is vastgesteld, aangemerkt dient te worden als een aanwijzing als bedoeld in artikel 5:131 lid 4 BW, overweegt het hof als volgt. Voornoemd besluit kan niet worden aangemerkt als een besluit van de vergadering van eigenaars houdende een aanwijzing aan het bestuur met betrekking tot de uitoefening van zijn taak. Het bestuur heeft in deze een eigen bevoegdheid. De wijze waarop het die uitoefent heeft het bestuur zelf – uit zorgvuldigheidsoverwegingen – aan de vergadering van eigenaars voorgelegd. Aan de beslissing van de vergadering van eigenaars acht het bestuur zich vervolgens terecht gebonden. Van een wijziging van de splitsingsakte is geen sprake.

5.4 Het bieden van de mogelijkheid tot het maken van bezwaar tegen een besluit van het bestuur in deze impliceert voorts volgens het hof dat een dergelijk besluit derhalve nog niet als definitief kan worden aangemerkt. Dit is door het bestuur ook uitdrukkelijk vermeld onder de besluiten tot goedkeuring onder voorwaarden van 28 december 2006 en 21 juli 2008. Het stond het bestuur derhalve vrij om terug te komen op de verleende goedkeuring, indien eventuele bezwaren daartoe aanleiding zouden geven. [geïntimeerden] waren zich hiervan ook bewust zoals blijkt uit hun e-mail van 16 augustus 2008, waarin zij gereageerd hebben op de ingediende bezwaren en het bestuur hebben verzocht over te gaan tot het verlenen van formele goedkeuring.

5.5 Voorts is - gelet op het door de VVE gestelde - onvoldoende door [geïntimeerden] weersproken dat de bezwaren zijn ingediend door een daartoe bevoegde eigenaar dan wel gebruiker. Het hof wijst er hierbij op dat de VVE ter gelegenheid van het pleidooi - onbetwist - heeft gesteld dat de heer [B] steeds voor 1/3 eigenaar is geweest van het appartementsrecht [adres B]. Ook blijkt naar het oordeel van het hof genoegzaam uit de stukken en uit hetgeen partijen hierover over en weer hebben gesteld dat het besluit van 21 juli 2008 eerst op 28 juli 2008 is gepubliceerd, zodat de daartegen gerichte bezwaren van 6 en 8 augustus 2008 tijdig zijn ingediend. Ten slotte valt niet in te zien om welke reden de heer [B] zijn recht om bezwaar te maken tegen het besluit van 21 juli 2008 zou hebben verspeeld, omdat hij reeds tegen het eerdere besluit uit februari 2006 bezwaar had kunnen maken. Dat in het bouwplan van februari 2006 ook de verplaatsing van de achtergevelpui was voorzien, doet daaraan niet af. Het hof gaat er mitsdien vanuit dat de bezwaren op correcte wijze zijn ingediend.

5.6 Gelet op het voorgaande dient het hof te beoordelen of het bestuur van de VVE - naar aanleiding van het bezwaar van de heer [B] - op onredelijke gronden de toestemming voor de voorgenomen verbouwing heeft geweigerd. [geïntimeerden] hebben in dit kader aangevoerd dat bij eerdere besluiten nimmer is aangegeven dat getoetst zou worden aan de brochure ‘Verbouwen in stijl’. Het alsnog aan de weigering ten grondslag leggen van de brochure is onredelijk, omdat zij meerdere malen het bouwplan hebben aangepast aan de wensen van het bestuur en de Architectencommissie, aldus [geïntimeerden]. Van hen als leken kon niet worden verwacht dat zij weten of een bouwplan in strijd is met de brochure. Voorts is er volgens hen geen sprake van precedentwerking omdat in het onderhavige geval sprake is van een misverstand aan de zijde van het bestuur en de Architectencommissie over de toepasselijkheid van de brochure, hetgeen bij volgende verzoeken niet meer het geval zal zijn. Daarnaast verschillen de deskundigen over de vraag of het bouwplan in strijd is met de brochure en hebben er bovendien vele andere vergelijkbare verbouwingen op het park plaatsgevonden, zodat van een architectonische eenheid niet meer gesproken kan worden. Ten slotte hebben [geïntimeerden] gewezen op hun belang bij uitvoering van het bouwplan dat niet alleen verband houdt met de vergroting van het woongenot, maar ook met de kosten die zij hebben moeten maken voor het meerdere malen aanpassen van het bouwplan.

5.7 Het hof acht de gang van zaken aan de zijde van het bestuur op zijn zachtst gezegd ongelukkig. Het is niet onbegrijpelijk dat door de handelwijze van het bestuur en de Architectencommissie bij [geïntimeerden] de verwachting is gewekt dat het met de toestemming voor de verbouwing wel goed zou komen, indien zij de gewenste aanpassingen zouden doorvoeren. Naar het oordeel van het hof mochten [geïntimeerden] er echter niet op vertrouwen dat deze verwachting ook bewaarheid zou worden. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen hadden [geïntimeerden] er rekening mee moeten houden dat het bestuur na het volgen van de bezwaarprocedure alsnog zijn toestemming voor de voorgenomen verbouwing zou kunnen - en mogen - weigeren. Hoewel het bestuur en de Architectencommissie zich reeds bij indiening van het bouwplan door [geïntimeerden] ervan bewust hadden moeten zijn dat dit getoetst had moeten worden aan de brochure, leidt dit er niet toe dat deze toetsing in een later stadium niet (meer) mocht plaatsvinden. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat [geïntimeerden] als leden van de VVE geacht moeten worden op de hoogte te zijn geweest van het bestaan van de brochure die in december 2005 onder de leden is verspreid. Zij hadden de brochure mitsdien bij hun overwegingen ,die hebben geleid tot het bouwplan kunnen betrekken. Dit is blijkens de inleiding van de brochure ook mede de bedoeling ervan.

5.8 Het hof is voorts van oordeel dat de VVE voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat de voorgenomen verbouwing van [geïntimeerden] de toetsing aan het in de brochure neergelegde toestemmingsbeleid niet kan doorstaan. Dat beleid is onderbouwd en beoogt de handhaving van het architectonische concept van het complex als geheel, mede in de situatie waarin de woningen een andere status met een potentieel intensiever gebruik kregen. De mening van de door [geïntimeerden] ingeschakelde deskundige Droog dat het bouwplan niet in strijd is met de brochure, acht het hof in dit licht niet voldoende. De verwijzing naar andere verbouwingen die niet aan de in de brochure opgenomen eisen voldoen, kan [geïntimeerden] niet baten. De VVE heeft, onvoldoende door [geïntimeerden] weersproken, gesteld dat deze veranderingen enerzijds zien op verbouwingen die vielen onder het voor december 2005 geldende beleid en waarvoor nimmer toestemming is verleend en anderzijds slechts ten dele vergelijkbaar zijn vanuit het architectonisch oogpunt. Het bewijsaanbod van [geïntimeerden] in dit verband wordt door het hof als niet relevant gepasseerd.

5.9 Gelet op alle omstandigheden van het geval is het hof van oordeel dat het belang van de VVE bij de handhaving van het in de brochure neergelegde beleid met betrekking tot het bewaren van het architectonisch uiterlijk van het park - een belang dat alle leden van de VVE raakt – zwaarder dient te wegen dan het belang van [geïntimeerden] bij de door hen gewenste verbouwing.

6. Uit het voorgaande volgt dat de door [geïntimeerden] verzochte toestemming op grond van artikel 10 lid 6 van het splitsingsreglement niet zonder redelijke grond is geweigerd. De beschikking van de kantonrechter, waarbij aan [geïntimeerden] een vervangende machtiging is verleend voor de voorgenomen verbouwing van de woning aan het Numansgors 13, kan dan ook niet stand blijven en zal door het hof worden vernietigd.

Overigens kan het hof zich gelet op het onder 5.7 overwogene voorstellen dat de VVE in de ongelukkige gang van zaken aanleiding ziet om [geïntimeerden] een financiële tegemoetkoming te bieden ter zake van de door hen gemaakte kosten in verband met de - door het bestuur en de Architectencommissie gewenste - aanpassingen van de bouwtekeningen.

7. Het hof ziet aanleiding de kosten in eerste aanleg en in hoger beroep te compenseren.

Beslissing

Het hof:

- verklaart het bestuur niet ontvankelijk in zijn beroep;

- vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Dordrecht, sector kanton, locatie Dordrecht van 11 februari 2010;

en opnieuw rechtdoende:

- wijst het verzoek van [geïntimeerden] tot het verkrijgen van de machtiging ex artikel 5:121 BW ten behoeve van de voorgenomen verbouwing aan de woning Numansgors 13 te Numansdorp af;

- compenseert de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.G. Beyer-Lazonder, F. van der Hoek en H.E.M. Vrolijk en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 januari 2011 in aanwezigheid van de griffier.