Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BP3159

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-02-2011
Datum publicatie
04-02-2011
Zaaknummer
BK-10-00001
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Artikel 51a Wet IB 1964. De omvang van het verlies over het jaar 1999 is onherroepelijk komen vast te staan, zodat daartegen – bij het beoordelen of de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2006 niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld – niet meer in rechte kan worden opgekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2011-0307
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-10/00001

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer d.d. 2 februari 2011

in het geding tussen

[belanghebbende] te [Z], hierna: belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Holland-Midden, hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

8 december 2009, nr. AWB 08/5997, betreffende na te melden aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De Inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2006 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.033 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 9.282.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is in beroep gekomen bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraken van de rechtbank in hoger beroep gekomen. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 110. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaats gehad ter zitting van het Hof van

12 januari 2011, gehouden te ’s-Gravenhage. Aldaar is alleen de Inspecteur verschenen. belanghebbende heeft schriftelijk meegedeeld verhinderd te zijn ter zitting aanwezig te zijn maar daarbij niet om uitstel van de mondelinge behandeling van de zaak verzocht. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel op zichzelf aannemelijk, in hoger beroep het volgende komen vast te staan

3.1. Belanghebbende heeft aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 1999. In de aangifte is een verlies uit onderneming van ƒ 30.411 vermeld. De onderneming bestaat uit het exploiteren van een aantal onroerende zaken gelegen in [P], [Q] en [R] in de vorm van kamerverhuur. De Inspecteur heeft dit verlies aanvaard.

3.2. De exploitatie van de onroerende zaken is tot en met het jaar 1998 aangemerkt als inkomsten uit vermogen. Voor het jaar 1999 is de exploitatie in de aangifte in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen als het exploiteren van een onderneming verantwoord. De Inspecteur heeft de aangifte op dat punt uitdrukkelijk aanvaard.

Voor de jaren 2001 en daarna is de exploitatie van de onroerende zaken in de aangiften in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen verantwoord als resultaten welke behoren tot het belastbare inkomen uit sparen en beleggen. De Inspecteur heeft zich met die zienswijze van belanghebbende verenigd.

3.3. Belanghebbende heeft in het jaar 1999 een onroerende zaak gelegen aan de [a-straat 1]-[2] te [P] verkocht. Een bedrag ter zake van het behaalde transactieresultaat is niet in de aangifte vermeld.

3.4. Bij brieven van 21 mei 2001 heeft mevrouw [A], medewerkster van de Belastingdienst/Ondernemingen Amsterdam 1, aan belanghebbende bericht dat het belastbaar inkomen voor het jaar 1999 is vastgesteld op negatief ƒ 21.293. Tegen de aanslag noch het op het aanslagbiljet vermelde verlies is bezwaar gemaakt. Het aanslagbiljet is gedagtekend 7 juni 2001.

3.5. Mevrouw [A] heeft twee verliesverrekeningsbeschikkingen genomen, namelijk voor het jaar 1996 en 1997. Daarbij is achtereenvolgens een bedrag van ƒ 3.777 respectievelijk ƒ 7.529 van het verlies uit het jaar 1999 verrekend. De belastbare inkomens over beide jaren zijn daarmee op nihil gesteld. In beide brieven is verwoord dat sprake is van een verliesbeschikking waartegen bezwaar en beroep is opgesteld.

3.6. Voorts is een bedrag van ƒ 9.987 van het verlies uit het jaar 1999 verrekend met het belastbaar inkomen van het jaar 1998. Na verliesverrekening over het jaar 1998 resteert een belastbaar inkomen voor dat jaar van ƒ 12.389. Een kopie van de verliesverrekeningsbeschikking is niet overgelegd. Wel is een verminderingsbeschikking over het jaar 1998, datum 7 juni 2001, in kopie overgelegd. Tegen deze beschikking is geen bezwaar gemaakt.

3.7. De Inspecteur heeft voor het jaar 2006 de onderhavige aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.033 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 9.282, overeenkomstig de gedane aangifte. Na het vaststellen van de aanslag heeft belanghebbende bezwaar gemaakt en zich op het standpunt gesteld dat nog een bedrag aan te verrekenen verlies uit het jaar 1999 resteerde, voortvloeiend uit een geleden verlies op de onder 3.3 vermelde onroerende zaak.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft – voor zover in hoger beroep nog van belang – het volgende overwogen. Daarbij dient onder “eiser” te worden verstaan: belanghebbende en onder “verweerder” de Inspecteur:

“3.6. De rechtbank stelt voorop dat volgens artikel 51, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964) een berekening van het inkomen dat leidt tot een negatief bedrag, wordt aangemerkt als een verlies. Het tweede lid bepaalt vervolgens dat een verlies wordt verrekend met de inkomens van de drie voorafgaande en de acht volgende kalenderjaren, met dien verstande dat de termijn van acht jaren onbepaald wordt verlengd voor – kort gezegd – een ondernemingsverlies. Ingevolge artikel 51a van de Wet IB 1964 stelt de inspecteur het bedrag van een verlies van een jaar vast bij voor bezwaar vatbare beschikking, gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag over dat jaar. Artikel 52 van de Wet IB 1964 bepaalt vervolgens dat de verrekening van een verlies met het inkomen van een voorafgaand kalenderjaar geschiedt door vermindering van de aanslag bij voor bezwaar vatbare beschikking.

3.7. Tussen partijen is niet in geschil dat de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1999 onherroepelijk vast staat. Het belastbare inkomen is daarbij vastgesteld op ƒ 21.293 (€ 9.663) negatief. Eiser heeft op de zitting van 24 november 2009 erkend dat uit de door hem in het geding gebrachte stukken niet blijkt van een compromis tussen eiser en de Belastingdienst over het alsnog door verweerder in aanmerking nemen van het met de verkoop van het pand aan de [a-straat] behaalde verlies van ƒ 144.244, noch van een toezegging daartoe van de zijde van de belastingdienst. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding het verlies over 1999, dat onherroepelijk is komen vast te staan, te verhogen.

3.8. Uit de overgelegde stukken blijkt dat voor de jaren 1996 en 1997 op 21 mei 2001 verliesverrekeningsbeschikkingen zijn afgegeven. Bij deze beschikkingen is achtereenvolgens een bedrag van ƒ 3.777 verrekend met het belastbare inkomen over 1996, waarbij het belastbare inkomen over 1996 nader is vastgesteld op nihil, en een bedrag van ƒ 7.529 met het jaar 1997, waarbij het belastbare inkomen over 1997 nader is vastgesteld op nihil. Uit de overgelegde schermprinten door verweerder blijkt verder dat de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1998 is opgelegd met dagtekening 1 december 1999 naar een belastbaar inkomen van ƒ 22.376. Tevens blijkt dat deze aanslag op 7 juni 2001 is verminderd, waarbij het belastbare inkomen nader is vastgesteld op ƒ 12.389. Dit betekent dat het verlies over 1999 van ƒ 21.293 volledig (namelijk voor ƒ 3.777 + ƒ 7.529 + ƒ 9.987 = ƒ 21.293) is verrekend met de jaren 1996 tot en met 1998. Er resteert dus geen te verrekenen verlies meer uit 1999. De stelling van eiser dat het inkomen uit werk en woning over 2006 moet worden vastgesteld op nihil ten gevolge van verrekening van het verlies uit 1999 met het jaar 2006, faalt mitsdien bij gebrek aan feitelijke grondslag.

3.9. In het kader van de onderhavige procedure met betrekking tot het jaar 2006 komt de rechtbank niet meer toe aan de stelling van eiser dat de vermindering van de aanslag 1998 ten onrechte niet heeft plaatsgevonden bij een voor bezwaar vatbare verliesverrekeningbeschikking 1998. De rechtbank overweegt evenwel ten overvloede dat deze stelling eiser evenmin kan baten nu de omvang van het verlies over 1999 inmiddels onherroepelijk is komen vast te staan.

3.10. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.”

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

5.1. Partijen houdt verdeeld de vraag of het inkomen uit werk en woning voor het jaar 2006 moet worden vastgesteld op nihil ten gevolge van verrekening van een verlies uit het jaar 1999 met het jaar 2006, welke vraag belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt.

5.2. Belanghebbende voert aan dat hij ten gevolge van de verkoop van het onroerend goed gelegen te [P] aan de [a-straat 1]-[2] in het jaar 1999 een verlies heeft geleden van ƒ 144.244, dat dient te worden begrepen in de winst uit onderneming. Hij stelt zich op het standpunt dat dit verlies kan worden verrekend met het belastbare inkomen uit werk en woning over 2006. Hij concludeert tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil over 2006. Subsidiair verzoekt hij de Inspecteur alsnog een verliesverrekeningsbeschikking voor het jaar 1998 af te geven. Hij stelt daarbij een processueel belang te hebben. Via bezwaar tegen die beschikking wil hij dan het verlies van 1999 van ƒ 144.244 (wederom) ter discussie stellen.

5.3. De Inspecteur betwist de stellingen van belanghebbende en voert aan dat belanghebbende in zijn aangifte voor het jaar 1999 een verlies uit onderneming heeft aangegeven van ƒ 30.411. De Inspecteur voert verder aan dat het vastgestelde verlies uit 1999 volledig is verrekend met de jaren 1996, 1997 en 1998, zodat er geen verlies in 1999 resteert dat in aanmerking komt voor voorwaartse verliesverrekening. Hij betwist dat van de zijde van de Belastingdienst een akkoordverklaring is afgegeven waaruit blijkt dat het verlies dat voortvloeit uit de verkoop van het pand aan de [a-straat] (alsnog) in aanmerking kan worden genomen. Overigens betwist de Inspecteur ook dat met de verkoop van dat pand een verlies zoals belanghebbende stelt, is behaald.

5.4. Voor een nadere uiteenzetting van de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

6.1. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning tot nihil. Subsidiair concludeert belanghebbende dat de Inspecteur gehouden is tot het nemen van een voor bezwaar vatbare verliesbeschikking over het jaar 1998.

6.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.1. Ingevolge artikel 51a, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964) stelt de inspecteur het bedrag van een verlies van een jaar vast bij voor bezwaar vatbare beschikking, gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag over dat jaar. Ingeval het verlies geheel of ten dele bestaat uit een ondernemingsverlies, stelt de inspecteur bij die beschikking tevens het bedrag van het ondernemingsverlies vast.

7.1.2. Volgens het tweede lid van voormeld artikel wordt het bedrag van het verlies, alsmede het bedrag van het ondernemingsverlies, afzonderlijk op het aanslagbiljet vermeld.

7.2. De Inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 1999 vastgesteld na de aangifte voor of op 21 mei 2001 te hebben beoordeeld. Het aanslagbiljet is gedagtekend 7 juni 2001. Daarbij is het belastbare inkomen vastgesteld op negatief ƒ 21.203. Niet is gesteld noch is anderszins gebleken dat het aanslagbiljet waarin deze gegevens zijn vermeld belanghebbende niet heeft bereikt. Ook heeft belanghebbende niet gesteld noch is anderszins gebleken dat hij tegen de aanslag, althans tegen het op het aanslagbiljet vermelde bedrag van het geleden verlies, bezwaar heeft gemaakt. Daarmee is de omvang van het verlies over het jaar 1999 onherroepelijk komen vast te staan, zodat daartegen – bij het beoordelen of de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2006 niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld – niet meer in rechte kan worden opgekomen.

7.3.1. Het vorenstaande vindt bevestiging in de brieven met dagtekening 21 mei 2001 die mevrouw [A] namens de Belastingdienst Ondernemingen Amsterdam 1, aan belanghebbende heeft verzonden waarin – bij voor bezwaar vatbare beschikking – is meegedeeld welk deel van het over het jaar 1999 geleden verlies achterwaarts wordt verrekend met de vastgestelde belastbare inkomens over de jaren 1996 en 1997. Tegen deze verminderingen is geen bezwaar gemaakt hoewel uit de voormelde brieven de hoogte van het verlies over het jaar 1999 blijkt.

7.3.2. Hetzelfde heeft naar ’s Hofs oordeel te gelden voor de verminderingsbeschikking van de definitieve aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 1998, hoewel deze als ambtshalve vermindering is vormgegeven.

7.4. Hetgeen belanghebbende overigens of anderszins heeft aangevoerd brengt, mede in het licht van hetgeen de Inspecteur - niet dan wel onvoldoende in de gedingstukken weersproken - aan feiten en omstandigheden heeft aangevoerd en het Hof op zichzelf geloofwaardig acht, niet tot een ander oordeel.

7.5. Gelet op het vorenoverwogene dient te worden beslist als hierna vermeld.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door raadsheren mrs. B. van Walderveen, Th. Groeneveld en J.J.J. Engel, in tegenwoordigheid van de griffier mevrouw mr. Y. Postema. De beslissing is op 2 februari 2011 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.