Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BP2984

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-01-2011
Datum publicatie
03-02-2011
Zaaknummer
200.075.308/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

arbeid; schorsing concurrentiebeding in KG.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0103
XpertHR.nl 2014-366048
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 200.075.308/01

Zaak-/rolnummers rechtbank : 1149928 \ VV EXPL 10-383

arrest van de achtste civiele kamer d.d. 10 januari 2011

inzake

Cashcontrol Incassodiensten B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

appellante,

hierna te noemen: Cashcontrol.,

advocaat: mr. E.G. Karel te Middelharnis,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te Zwijndrecht,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. A.J.C. van Bemmel te Rotterdam.

Het geding

Bij exploot van 8 oktober 2010 is Cashcontrol in hoger beroep gekomen van het vonnis van 24 september 2010, door de kantonrechter als voorzieningenrechter van de rechtbank Rotter¬dam, sector kanton, locatie Rotterdam, gewezen tussen partijen.

Nadat het verzoek spoedappel was toegewezen, heeft Cashcontrol van grieven gediend zoals deze in de appeldagvaarding (met producties) zijn opgenomen.

Door [geïntimeerde] is een memorie van antwoord (met producties) genomen.

Partijen hebben hun standpunten mondeling doen toelichten tijdens de zitting van heden (10 ja¬nuari 2011) ieder door hun voormelde advocaat, Cashcontrol overeenkomstig de door haar over¬gelegde pleitnotities.

Ter zitting is arrest gevraagd en is vervolgens mondeling uitspraak gedaan zoals in het dictum van het verkorte arrest d.d. heden is vermeld, met daarbij de overweging dat de (schriftelijke) motivering zo spoedig mogelijk volgt.

Het onderhavige arrest bevat thans ook die (schriftelijke) motivering.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep onder het kopje "De vaststaande fei¬ten" een aantal feiten vastgesteld. Daartegen is in hoger beroep niet opgekomen, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.

2. Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende.

2.1. [geïntimeerde] is geboren op 11 november 1985.

2.2. [geïntimeerde] is op 3 november 2008 bij Cashcontrol voor bepaalde tijd (zes maan¬den) in dienst getreden in de functie van (junior) incassomedewerkster. Deze overeenkomst is vervolgens met een jaar verlengd en aan het einde van dat jaar van rechtswege geëindigd op 3 mei 2010.

Dit laatste was de keuze van Cashcontrol: zij heeft [geïntimeerde] op vrijdag 23 april 2010 mondeling te kennen gegeven dat de arbeidsovereenkomst niet werd verlengd en heeft dit per brief van 29 april 2010 aan haar bevestigd. Volgens Cashcontrol voldeed het functioneren van [geïntimeerde] niet aan haar criteria om voor verdere verlenging van de arbeidsover¬een¬komst in aanmerking te komen en was dat de reden voor voormelde beslissing.

2.3. [geïntimeerde] werd aangesteld voor 40 uur per week met een salaris van € 1.500,= bru¬to per maand (ter vergelijking: het minimumloon voor 23-jarigen en ouder bedroeg bij in¬dienst¬treding van [geïntimeerde] € 1.356,60) exclusief 8% vakantietoeslag.

2.4. De schriftelijke arbeidsovereenkomst bevat een geheimhoudings- en een concurrentie¬beding. Laatstgenoemd beding luidt als volgt:

"Artikel 14: Concurrentiebeding

1. Het is werknemer verboden binnen een tijdvak van 2 jaren na beëindiging van de arbeids¬overeenkomst binnen een kring met de werkgever als middelpunt en met een straal van 25 km. in enigerlei vorm werkzaam te zijn bij een bedrijf, gelijksoortig of aanverwant aan dat van werkgever, hetzij tegen vergoeding hetzij om niet, of daarin aandeel van welke aard ook te hebben, tenzij werknemer daartoe voorafgaande schrif¬¬te¬lijke toestemming van werkgever heeft gekregen, en welke toestemming werk¬gever voorwaarden kan verbinden.

2. Bij overtreding van het in lid 1 omschreven verbod verbeurt werknemer ten behoe¬ve van werkgever een dadelijk opeisbare boete van € 2.500,00 voor iedere dag dat werknemer in overtreding is."

2.5. Cashcontrol heeft ca. 20 werk¬ne¬¬mers in dienst. Op de buitendienstmedewerkers na zijn de werknemers op het (enige) kantoor te Rotterdam werkzaam, alwaar zij zijn ingedeeld in vier groepen:

- een juridische groep (bestaande uit twee werknemers) die zich bezig houdt met het zelfstandig voeren van procedures;

- een business to business groep (bestaande uit twee werknemers) die vorderingen van bedrijven op bedrijven behandelt;

- een verzekeringsgroep (bestaande uit één incassomedewerker en zes junior incasso¬medewerkers), die zich bezighoudt met verzekeringsvorderingen/premie¬vor¬deringen voor opdrachtgever ASR;

- een groep "overige" (bestaande uit één werknemer) die zich bezighoudt met vorde¬rin¬gen van bedrijven op particulieren.

2.7. [geïntimeerde] was ingedeeld in de verzekeringsgroep. Uit dien hoofde was zij hoofd¬zakelijk belast met de behandeling van dossiers voor ASR waarin incasso maatregelen en betalingsregelingen getroffen moesten worden en onderhield zij contacten met debiteuren, ASR en derden.

Daarnaast beantwoordde zij ook telefoontjes voor andere groepen, aangezien er geen centrale telefoniste is doch iedereen geacht werd de telefoon op te nemen en degene die belde te woord te staan.

2.6. Bij Cashcontrol wordt gewerkt met een zgn. protocollenboek. Dit bevat vertrouwelijke informatie en mag door de werknemers niet mee naar huis worden genomen.

2.7. Voor het geval een cliënt vraagt wat het kost om een bepaalde incasso-opdracht af te slui¬¬ten is het nodig om te weten wat de concrete tariefafspraken met die cliënt zijn. Daartoe heb¬ben alle werknemers toegang tot die gegevens via het centrale computersysteem.

2.8. [geïntimeerde] heeft in het kader van haar dienstverband bij Cashcontrol, samen met enkele van haar collega's, een training Communicatie en Telefonisch Incasseren bij/door ASR gevolgd.

2.9. Voordat [geïntimeerde] bij Cashcontrol in dienst trad is zij elders werkzaam geweest als tele¬fo¬niste/re¬cep¬tioniste.

2.10. [geïntimeerde] heeft zich bij haar pogingen om elders werk te vinden met name ge¬richt op een functie als incassomedewerkster bij bedrijven in de buurt van haar woonplaats (aanvankelijk Schiedam, later Zwijndrecht). Het concurrentiebeding vormt daarbij in begin¬sel een belemmering. Zij heeft Cashcontrol toegezegd zich aan het geheimhoudingsbeding te zullen houden en voorts gedurende twee jaar na het einde van het dienstverband geen contact met ASR te zullen hebben.

2.11. Cashcontrol heeft niet mee willen werken aan het/de door [geïntimeerde] verzochte ver¬val/wijziging van het concurrentiebeding.

2.12. In eerste aanleg vorderde [geïntimeerde] bij wijze van voorlopige voorziening, uit¬voer¬baar bij voorraad, zakelijk weergegeven:

Primair:

Cashcontrol te bevelen het concurrentiebeding geheel op te schorten.

Subsidiair:

Cashcontrol te bevelen het concurrentiebeding gedeeltelijk op te schorten, dan wel de geldig¬heidsduur, het geldingsgebeid en de omvang van de werk¬zaamheden waarop dit betrekking heeft te beperken tot een half jaar na einde dienstverband en tot een straal van één kilometer van het kantoor van Cash¬control , althans het concurrentiebeding zodanig te beperken als de voor¬zie¬ningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren.

Uiterst subsidiair:

Indien en voor zover de voorzieningenrechter het concurrentiebeding geheel dan wel ge¬deel¬te¬lijk in stand laat, Cashcontrol te veroordelen om aan [geïntimeerde] vanaf 3 mei 2010 tot 3 mei 2012 althans een door de voorzieningenrechter te bepalen begin en einddatum, een ver¬goeding van het netto equivalent van € 1.500,= per maand te betalen.

In alle gevallen: Cashcontrol te veroordeling in de kosten van het geding.

2.13. In het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter het concurrentiebeding geschorst ingaande 3 november 2010 (t.w. zes maanden na het einde van het dienstverband), totdat in een aanhangig te maken bodemprocedure daarover zal zijn beslist, en Cashcontrol in de pro¬ceskosten veroordeeld.

3. [geïntimeerde] heeft geen incidenteel hoger beroep ingesteld. De door de kanton¬rech¬ter niet toegewezen vorderingen zijn derhalve geen onderdeel van dit hoger beroep.

4. Met de grieven en de toelichting daarop heeft Cashcontrol de door de kantonrechter (wel) toege¬wezen vorderingen - afgezien van de in het vonnis vastgestelde feiten - in volle omvang aan de orde gesteld. De in dat verband te beantwoorden vragen zullen hieronder worden be¬ant¬woord.

5. Een concurrentiebeding kan geheel of gedeeltelijk worden ver¬nie¬tigd op grond dat, in ver¬hou¬ding tot het te beschermen belang van de werkgever, de werk¬nemer door het beding on¬billijk wordt benadeeld (art. 7:653, tweede lid, BW). In dit hoger beroep moet worden beoor¬deeld of het zozeer te verwachten is dat de bodemrechter het concurrentiebeding zal beper¬ken dat daarop bij wijze van voorlopige voorziening kan worden vooruitgelopen zoals in het dictum van het vonnis van de kantonrechter is bepaald.

6. Het hof beantwoordt voormelde vraag bevestigend, dit in ver¬band met het navolgende.

a. Het betreft hier een werkneemster die op bijna 23-jarige leeftijd voor een half jaar in dienst is genomen, welk dienstverband vervolgens met een jaar is verlengd en daarna - zij was in¬mid¬¬dels bijna 24½ jaar oud - op instigatie van de werkgever niet verder is verlengd omdat zij volgens deze niet voldeed aan diens criteria. Dit zijn elementen die in beginsel wijzen in de richting van beperking van een concurrentiebeding tot een zeer beperkte periode.

b. Voor een werknemer is het van belang om diens loopbaan zoveel mogelijk te kunnen ver¬vol¬gen in lijn met het de werkzaamheden uit het laatste dienstverband, aangezien de kansen om met de aldaar opgedane - recente - kennis en ervaring elders aan de slag te kunnen opti¬maal zijn en daarmee die kennis en ervaring ook optimaal voor de verdere loopbaanontwik¬ke¬ling kunnen worden be¬nut. Ook dit zijn elementen die in beginsel wijzen in de richting van beperking van de uit een concurrentiebeding voortvloeiende belemmering bij de vrije ar¬beids¬keuze.

c. Hetgeen Cashcontrol heeft aangevoerd ter zake van de in [geïntimeerde] geïnvesteerde op¬leiding etc. is onvoldoende om daaraan in dit verband een groot gewicht aan de zijde van de werkgever toe te kennen. Het betrof immers een werkneemster die als junior incasso¬mede¬¬werkster is aangenomen en ondanks die - naar het hof, nu het tegendeel is ge¬steld noch geble¬ken, aanneemt: wederzijdse - inspanningen bij Cashcontrol niet verder dan dat is geko¬men. Behalve de hier¬boven sub 2.8. bedoelde training bij ASR is gesteld noch gebleken dat er sprake is ge¬weest van andere dan interne opleidingsinspanningen die tot doel hadden de incassowerk¬zaam¬he¬den en wat daarmee bij Cashcontrol samenhangt zo goed mogelijk te leren/doen ver¬richten.

d. Een concurrentiebeding is er niet voor bedoeld om een werknemer zoals [geïntimeerde] - of indirect de nieuwe (concurrerende) werkgever - te beletten om bij Cashcontrol als werk¬gever opgedane algemene incasso kennis en ervaring te benutten, zeker niet nu het de keuze van de werkgever was om het dienstverband na in totaal anderhalf jaar niet te verlengen.

In¬dien Cashcontrol wil voorkomen dat anderen profiteren van door haar gepleegde en gefi¬nan¬cierde opleidingsinspannigen zonder dat Cashcontrol daarvoor compensatie ontvangt, kan - uiteraard binnen de daarvoor geldende grenzen - het instrument van een studiekosten¬re¬ge¬ling worden ingezet.

e. Cashcontrol heeft onvoldoende gesteld om te oordelen dat [geïntimeerde] zodanige fre¬quen¬te en intensieve contacten met haar opdrachtgevers had dat Cashcontrol - in aanmerking genomen de toezegging van [geïntimeerde] om zich ge¬durende twee jaar na uit¬dienst¬treding van con¬tac¬ten met ASR te onthouden - een langere periode dan zes maanden nodig heeft om haar relaties in voldoende mate aan haar c.q. een andere werknemer dan [geïntimeerde] te binden.

f. Door Cashcontrol is voorts onvoldoende gesteld om te oordelen dat het gegeven dat [geïntimeerde] op kantoor de beschikking had over het zgn. protocollenboek en daarmee heeft leren werken tot gevolg heeft dat zij (een junior incassomedewerkster) over zodanige speci¬fieke en als strikt vertrouwelijk te beschouwen infor¬ma¬tie beschikt - d.w.z. informatie die duidelijk uitstijgt boven hoe men in het algemeen zo goed mogelijk en met/binnen de daar¬voor geldende regelgeving een vordering incasseert - dat een langer concurrentiebeding dan zes maanden ter bescherming van Cash¬con¬trol is aange¬wezen. Hierbij is in aanmerking geno¬men dat het protocollenboek niet mee naar huis mocht worden genomen en dat is gesteld noch gebleken dat er concrete aanleiding is om te veronderstellen dat [geïntimeerde] zich daar¬aan niet heeft gehouden.

g. Last but not least heeft Cashcontrol zich beroepen op het feit dat [geïntimeerde] toegang had tot de tussen Cashcontrol en haar opdrachtgevers overeengekomen tarieven, die - per klant, zoals bijvoorbeeld met ASR het geval is - kunnen afwijken van de concrete informatie daarover zo¬als op de website van Cashcontrol is te vin¬den. Die afwijkende tarieven gelden dan voor langere tijd. Volgens Cashcontrol is er in de onderhavi¬ge branche sprake van felle concurren¬tie en heeft zij dus groot belang bij bescherming tegen weglekken van deze infor¬ma¬tie naar een of meer van haar concurrenten door haar ex-werk¬ne¬mers gedurende twee jaar daar "ver uit de buurt te houden". Het geheimhoudingsbeding (met daarin een boetebeding) is daar¬toe op zich niet toereikend, want het kwaad kan daarbij al zijn geschied voordat Cash¬control ach¬ter overtreding daarvan komt. Aldus Cashcontrol.

h. [geïntimeerde] heeft als junior incassomedewerkster van tijd tot tijd een concreet tarief¬be¬drag moeten opzoeken teneinde een cliënt desgevraagd te kunnen zeggen wat de kosten voor afsluiting van een bepaald dossier bedragen. Naar het oordeel van het hof kan bij gebre¬ke van concrete onderbouwing, welke ontbreekt, niet worden gezegd dat [geïntimeerde] daardoor een zodanig fundamentele kennis van de tariefstructuur zoals Cashcontrol die met een of meer van haar afzonderlijke opdrachtgevers (zoals bijvoorbeeld ASR) heeft afgesloten of pleegt af te sluiten, heeft verworven dat dit - gelet op al hetgeen hierboven is overwogen, in onderlinge samenhang bezien - een verder¬gaande belemmering voor [geïntimeerde] dan zes maanden rechtvaardigt.

i. Het bovenstaande wordt in dit geval niet anders indien daarbij tevens wordt betrokken het gegeven dat [geïntimeerde] met het oog op een te sluiten arbeidsovereenkomst onder meer in gesprek is met een con¬currente van Cashcontrol, die volgens Cashcontrol al eerder een ex-werkneemster - in strijd met het tussen Cashcontrol en die ex-werkneemster overeenge¬ko¬men concurrentiebeding - in dienst heeft genomen.

j. Naar het oordeel van het hof brengt hetgeen hierboven is overwogen mee dat de sub 5. hiervoor bedoelde vraag bevestigend moet worden beantwoord.

7. Het bovenstaande brengt mee dat de grieven in zoverre falen en voor het overige geen be¬handeling behoeven. Het vonnis van de kantonrechter zal worden bekrachtigd. Bij deze uit¬komst past het om Cashcontrol te veroordelen in de kosten van het geding in hoger be¬roep, een en ander zoals verzocht uitvoerbaar bij voorraad.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter als voorzieningen-rechter van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam, van 24 september 2010;

- veroordeelt Cashcontrol in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 280,= aan verschotten en € 2.682,- aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.H. van Coeverden, S.R. Mellema en V. Disselkoen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 januari 2011 in aanwezigheid van de griffier.