Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BP2327

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-01-2011
Datum publicatie
02-02-2011
Zaaknummer
001656-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Procedure ex art 52, lid 2, Wots.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

datum uitspraak 20 januari 2011

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

raadkamer

BESCHIKKING

gegeven naar aanleiding van een op 17 september 2010 ter griffie van dit gerechtshof ingekomen bezwaarschrift,

op grond van artikel 52, tweede lid, van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS) ingediend door de veroordeelde, genaamd:

[naam veroordeelde],

geboren op [datum] te [plaats],

thans gedetineerd in de P.I. Esserheem te Veenhuizen,

in deze zaak domicilie kiezende aan het kantooradres van zijn advocaat mr. D.P. Hein aan de J.J. Viottastraat 46-48 te Amsterdam.

Procesgang

De veroordeelde is bij arrest van dit gerechtshof van 21 september 2005 ter zake van het medeplegen van gekwalificeerde doodslag, gekwalificeerde diefstal en het medeplegen van opzettelijke vrijheidsberoving , meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren, met aftrek van voorarrest.

De veroordeelde heeft tegen dat arrest beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 27 februari 2007 het arrest van dit gerechtshof vernietigd voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenis-straf, en deze verminderd met een maand tot een duur van elf jaren en elf maanden, met verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

Bij beschikking van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 5 april 2006 is de veroordeelde ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet ongewenst verklaard.

De veroordeelde heeft vervolgens bij verzoek van 23 februari 2008 ex artikel 51 WOTS kennis gegeven van de wens om in aanmerking te komen voor overdracht van de tenuitvoerlegging van het restant van zijn gevangenis-straf, vanaf dat moment nog vier jaren, aan het land van zijn herkomst, te weten Roemenië.

Bij brief van 15 april 2008 heeft de advocaat-generaal bij dit gerechtshof mr. G. Knobbout de Minister van Justitie op de voet van artikel 51 WOTS geadviseerd het verzoek van de veroordeelde toe te wijzen.

De veroordeelde heeft bij schriftelijke verklaring van 24 juli 2009 zijn verzoek van 23 februari 2008 ingetrokken.

Bij brief van 2 september 2009 is namens de Minister van Justitie aan de veroordeelde medegedeeld, dat de procedure tot overdracht van de tenuitvoerlegging van diens gevangenisstraf aan Roemenië zal worden voortgezet.

De daartoe bevoegde Roemeense gerechtelijke instantie heeft bij beslissing van 25 november 2009 de overbrenging van veroordeelde naar Roemenië toegestaan.

De veroordeelde is vervolgens in de gelegenheid gesteld om ten overstaan van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in het arrondissement ’s-Gravenhage te verklaren of hij met zijn overbrenging instemt.

De veroordeelde heeft op 25 mei 2010 tegenover de rechter-commissaris verklaard niet in te stemmen met zijn overbrenging naar Roemenië.

Bij brief van 3 september 2010 is namens de Minister van Justitie aan de veroordeelde medegedeeld, dat aan Roemenië zal worden gevraagd de straf van veroordeelde over te nemen op grond dat de veroordeelde op 5 april 2006 ongewenst is verklaard, en dat de veroordeelde in de gelegenheid wordt gesteld om op grond van artikel 52, lid 2, van de WOTS tegen dit voornemen bezwaar in te dienen bij dit gerechtshof.

Bij een op 17 september 2010 ter griffie van dit hof ingekomen bezwaarschrift heeft de veroordeelde bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen beslissing van de Minister van Justitie van 3 september 2010, inhoudende de overdracht van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van de veroordeelde.

Het hof heeft dit bezwaarschrift op 22 december 2010 in raadkamer behandeld. In raadkamer zijn gehoord de veroordeelde (met bijstand van een tolk), diens advocaat mr. D.P. Hein en de advocaat-generaal mr. D. Jeras.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot ongegrond-verklaring van het bezwaarschrift.

Bevoegdheid

Dit gerechtshof is bevoegd van het onderhavige bezwaarschrift kennis te nemen nu het, overeenkomstig het bepaalde in artikel 52, tweede lid, van de WOTS, de hoogste feitelijke instantie is die de tot vrijheidsbeneming strekkende sanctie aan de veroordeelde heeft opgelegd.

Ontvankelijkheid

Het bezwaarschrift is tijdig bij dit hof binnengekomen. De veroordeelde is derhalve ontvankelijk in het bezwaar.

Beoordeling van het bezwaar

In raadkamer heeft de advocaat van de veroordeelde zich op het standpunt gesteld dat niet langer is voldaan aan het vereiste van instemming door de veroordeelde met diens overbrenging zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen, nu de veroordeelde bij schriftelijke verklaring van 24 juli 2009 zijn verzoek van 23 februari 2008 tot overdracht van de tenuitvoerlegging van het restant van zijn gevangenisstraf aan Roemenië heeft ingetrokken.

Daarnaast heeft de advocaat gesteld, dat niet is voldaan aan het voorschrift van artikel 51 van de WOTS dat het openbaar ministerie aan Onze Minister een met redenen omkleed advies geeft tot overdracht van de tenuitvoer-legging, zodat ook om die reden overbrenging van de veroordeelde achterwege moet blijven.

Voorts heeft de advocaat bepleit dat de Nederlandse autoriteiten voor wat betreft het verzoek tot overdracht van de tenuitvoerlegging van de straf van veroordeelde aan Roemenië onvoldoende voortvarend zijn opgetreden, waardoor de procedure onredelijk lang heeft geduurd, met als gevolg dat het toch al summiere contact tussen de veroordeelde en diens familie in Roemenië nog verder is afgenomen, zodat ook om die reden overbrenging van de veroordeelde naar Roemenië achterwege dient te blijven.

Ook heeft de raadsman aangevoerd, dat overbrenging van de veroordeelde naar Roemenië achterwege dient te blijven op grond dat de medische situatie van de veroordeelde zeer te wensen overlaat en de stand van de medische zorg in Roemenië in het algemeen en die in Roemeense gevangenissen in het bijzonder onvoldoende is om een adequate behandeling van de medische klachten van de veroordeelde te kunnen garanderen.

Tot slot heeft de raadsman gesteld, dat de overdracht van de tenuitvoerlegging van de straf van de veroordeelde aan Roemenië diens resocialisatie in de Roemeense maat-schappij niet zal vergemakkelijken op grond dat de veroordeelde in Roemenië niet in aanmerking zal komen voor een re-integratietraject.

Het hof stelt voorop, dat bij het beoordelen van de bezwaren als uitgangspunt zal dienen te gelden artikel 52, derde lid, van de WOTS, te weten of de Minister bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de voorgenomen beslissing kon komen.

Anders dan de raadsman stelt, is in de onderhavige zaak geen instemming van de veroordeelde met zijn overbrenging vereist. Immers, artikel 3, eerste lid, van het Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen bepaalt: ‘Op verzoek van de Staat van veroordeling kan de Staat van tenuit-voerlegging, met inachtneming van de bepalingen van dit artikel, ermee instemmen een gevonniste persoon zonder de instemming van die persoon over te brengen, wanneer de tegen hem uitgesproken veroordeling of een daaruit voortvloeiende administratieve beslissing een bevel tot uitzetting of uitwijzing inhoudt of enige andere maatregel krachtens welke het aan die persoon na zijn invrijheidsstelling niet langer is toegestaan op het grondgebied van de Staat van veroordeling te verblijven.’

Het voorgaande brengt mee, dat nu de veroordeelde bij beschikking van de Minister voor Vreemdelingenzaken en

Integratie van 5 april 2006 ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet ongewenst is verklaard, zijn instemming met zijn overbrenging niet is vereist.

De stelling van de raadsman, dat niet is voldaan aan het vereiste van een met redenen omkleed advies zoals bedoeld in artikel 51 WOTS, kan naar het oordeel van het hof worden gepasseerd gelet op de hiervoor in de paragraaf ‘Procesgang’ genoemde brief van 15 april 2008 van de advocaat-generaal bij dit gerechtshof mr. G. Knobbout waarin deze adviseert het verzoek van de veroordeelde toe te wijzen. Dat dit advies destijds is opgesteld naar aanleiding van het verzoek dat van de veroordeelde is uitgegaan doet daaraan niet af.

Voor wat betreft het tijdsverloop is het hof van oordeel, dat, te rekenen vanaf de datum van de beschikking van

5 april 2006 waarbij de veroordeelde ongewenst is verklaard, de periode van ongeveer 3 jaren en 9 maanden die sedertdien is verstreken, niet van dien aard is -gelet op het internationaal rechterlijk karakter van de zaak en het uitgebreide stelsel van waarborgen waarmee een procedure als de onderhavige is omgeven- dat gezegd kan worden dat er sprake is van een onvoldoende voortvarend optreden van de Nederlandse autoriteiten ten aanzien van het verzoek tot overdracht van de tenuit-voerlegging van de straf van veroordeelde aan Roemenië, op grond waarvan overbrenging van de veroordeelde naar Roemenië achterwege dient te blijven.

Immers, na zijn ongewenstverklaring heeft de veroordeelde eerst zelf verzocht in aanmerking te mogen komen voor overdracht van de tenuitvoerlegging van zijn gevangenisstraf. Vervolgens heeft de advocaat-generaal positief op dat verzoek geadviseerd, waarna de veroordeelde zijn verzoek heeft ingetrokken. De Minister heeft hierop aan de veroordeelde medegedeeld dat de procedure tot overdracht van de tenuitvoerlegging zal worden voortgezet, waarna de bevoegde Roemeense gerechtelijke instantie na een daartoe strekkend verzoek van de Nederlandse autoriteiten heeft beslist om de overbrenging van de veroordeelde naar Roemenië toe te staan. Vervolgens is de veroordeelde in de gelegenheid gesteld tegenover de rechter-commissaris te verklaren of hij met zijn overbrenging instemt, en heeft de Minister van Justitie aan de veroordeelde medegedeeld dat Roemenië zal worden gevraagd de straf over te nemen, waarna het bezwaarschrift van de veroordeelde tegen dit voornemen in raadkamer is behandeld.

Ten aanzien van de medische situatie van de veroordeelde overweegt het hof dat, blijkens de medische bescheiden en de daarop gegeven toelichting, die niet van dien aard is dat die een overbrenging naar Roemenië in de weg staat.

Daarbij overweegt het hof dat onvoldoende aannemelijk is geworden hetgeen de veroordeelde heeft gesteld met betrekking tot de medische zorg in Roemenië in het algemeen en die in Roemeense gevangenissen in het bijzonder.

Tot slot kan ook de omstandigheid, dat de veroordeelde in Roemenië niet in aanmerking zal komen voor een re-integratietraject, diens overbrenging naar Roemenië niet in de weg staan, nu de veroordeelde door zijn ongewenstverklaring op grond van de Vreemdelingwet ook in Nederland niet voor een dergelijk traject in aanmerking komt omdat vreemdelingen die ongewenst zijn verklaard onmiddellijk na ommekomst van hun gevangenisstraf naar het land van herkomst worden uitgezet.

Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat de Minister bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de voorgenomen beslissing kon komen.

Dit brengt mee dat het bezwaar van de veroordeelde ongegrond dient te worden verklaard.

Beslissing

Het hof:

Verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze beschikking is gegeven op 20 januari 2011

door mr. Klein Breteler, voorzitter,

mrs. Welbedacht en Van der Spoel, leden,

in bijzijn van mr. Mulder, griffier.