Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BP2197

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-01-2011
Datum publicatie
27-01-2011
Zaaknummer
22-002417-09
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2009:BI6005, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BU7349, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BU7349
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag door tijdens een uit de hand gelopen drugsdeal meermalen met een pistool op het slachtoffer te schieten.

De verdachte heeft zich tevens samen met een ander schuldig gemaakt aan het treffen van voorbereidingshandelingen voor een drugsdeal.

Voorts heeft de verdachte zich meermalen schuldig gemaakt aan heling.

Het hof veroordeelt de verdachte terzake tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002417-09

Parketnummer: 10-700198-08

Datum uitspraak: 27 januari 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 1 mei 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,

thans gedetineerd in PI Rijnmond - Gev. De IJssel te Krimpen aan den IJssel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek

op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 30 oktober 2009, 20 december 2010 en 13 januari 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair, impliciet subsidiair, 2 primair, impliciet subsidiair, 3, 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is er een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 10 juli 2008 te Rotterdam opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk, met een pistool, althans een vuurwapen, één of meer kogel(s) in het hoofd en/of in het lichaam van die [slachtoffer 1] afgevuurd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 juli 2008 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn medader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen goederen en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

- die [slachtoffer 1] heeft/hebben gevraagd, althans aangeboden om de auto van verdachte en/of zijn mededader(s) te (laten) volgen en/of

- die [slachtoffer 1] heeft/hebben meegevraagd, althans meegenomen naar (een gang in een kelder van) een flat aan de Baloeranstraat,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke poging tot diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of bedreiging met geweld bestond(en) uit het:

- tonen en/of voorhouden van een pistool, althans een vuurwapen aan die [slachtoffer 1] en/of

- tonen en/of voorhouden van een (rambo)mes aan die [slachtoffer 1] en/of

- met dat/een mes steken en/of snijden in een hand van die [slachtoffer 1] en/of

- met dat/een pistool, althans een vuurwapen, één of meer kogel(s) in het hoofd en/of in het lichaam van die [slachtoffer 1] af te vuren,

terwijl het feit de dood van die [slachtoffer 1] tengevolge heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 10 juli 2008 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade e, althans opzettelijk, en persoon genamd [slachtoffer 2] van het leven te beroven opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk, met een pistool, althans een vuurwapen, een kogel in de buik, althans in het lichaam, van die [slachtoffer 2] heeft afgevuurd, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 juli 2008 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn medader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen goederen en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

- die [slachtoffer 2] heeft/hebben gevraagd, althans aangeboden om de auto van verdachte en/of zijn mededader(s) te (laten) volgen en/of

- die [slachtoffer 2] heeft/hebben meegevraagd, althans meegenomen naar (een gang in een kelder van) een flat aan de Baloeranstraat,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke poging tot diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of bedreiging met geweld bestond(en) uit het:

- tonen en/of voorhouden van een pistool, althans een vuurwapen aan die [slachtoffer 2] en/of

- met dat/een pistool, althans een vuurwapen, één of meer kogel(s) in het buik, althans het lichaam van die [slachtoffer 2] af te vuren,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel (te weten een inschotwond in de buik en/of een breuk van een wervel in de onderrug en/of een breuk in de bekkenkom en/of een beschadiging van de urinebuis en/of een perforatie van de dunne darm) voor die [slachtoffer 2] tengevolge heeft gehad;

3.

hij in of omstreeks periode van 10 mei 2008 tot en met 24 juli 2008 te Rotterdam (een) goed(eren), te weten een rijbewijs (op naam van [aangeefster 1]), heeft verworven en/of heeft voorhanden gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed/die goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf, namelijk door diefstal, althans door enig (ander) misdrijf, verkregen goed(eren) betrof;

4.

hij in of omstreeks de periode van 07 juli 2008 tot en met 24 juli 2008 te Rotterdam (een) goed(eren), te weten een tomtom navigatiesysteem, heeft verworven en/of heeft voorhanden gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed/die goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf, namelijk door diefstal, althans door enig (ander) misdrijf, verkregen goed(eren) betrof;

5.

hij op of omstreeks 24 juli 2008 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet in de vorm van een pistool van het merk Makarov, type PM, kaliber 9x18 millimeter, voorhanden heeft gehad;

6.

hij op of omstreeks 24 juli 2008 te Rotterdam munitie in de zin van artikel 1 onder 4° van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III, te weten

- 13 kogelpatronen, kaliber 7.65 Br, en/of

- 2 kogelpatronen, kaliber 6.35 Br, en/of

- 3 kogelpatronen, kaliber .9 millimeter Luger, voorhanden heeft gehad;

7.

hij op of omstreeks 10 juli 2008 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekken van cocaïne en/of heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s),

- twee, althans een, perso(o)n(en), te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], rijdende in een auto met een Frans kenteken aangesproken met de vraag of die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] drugs wilden kopen, en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] in die auto met Frans kenteken de auto, waarin hij, verdachte en/of zijn mededader reden, laten volgen naar een flat aan de Baloeranstraat, en/of

- met die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] dat flat aan de Baloeranstraat zijn binnengegaan en/of (vervolgens) in een gang waar de kelderboxen van dat flat gelegen zijn, die heroïne en/of cocaïne aan die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] getoond.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Door het hof op basis van de wettige bewijsmiddelen vastgestelde feiten en omstandigheden1

Ten aanzien van de feiten 1 en 2:

Op 10 juli 2008 zijn in een bestelauto bij een tankstation in Rotterdam het levenloze lichaam van [slachtoffer 1] en een zwaargewonde man aangetroffen.2 [slachtoffer 1] is overleden tengevolge van meervoudig schotletsel.3 De zwaargewonde man, naar later blijkt [slachtoffer 2], had een inschotwond in zijn buik.4

De verdachte heeft op 10 juli 2008 in de kelder van een flat in Rotterdam met een pistool op [slachtoffer 2] en vervolgens op [slachtoffer 1] geschoten. Hij heeft in totaal 5 kogels verschoten.5

Ten aanzien van feit 4:

Tussen 7 juli 2008 en 8 juli 2008 is uit de personenauto van [aangeefster 2] een TomTom navigatiesysteem met serienummer V53306A07174 weggenomen.6

Op 10 juli 2008 is in Rotterdam in een auto waarin onder meer de verdachte zat een TomTom navigatiesysteem met serienummer V53306A07174 door de politie aangetroffen.7

De verdachte heeft de betreffende TomTom op straat gekocht, van een persoon van wie hij tevens een rijbewijs heeft gekocht.8

Ten aanzien van de feiten 3, 5, 6 en 7:

Aangezien de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep de onder 3, 5, 6 en 7 tenlastegelegde feiten zoals hierna bewezen verklaard heeft bekend en de raadsvrouw ten aanzien van deze feiten geen verweren heeft gevoerd, volstaat het hof ten aanzien van deze feiten met een opgave van de bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 3:

1. De bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 20 december 2010.

2. Het proces-verbaal van aangifte (met goederenbijlage) van de politie Rotterdam-Rijnmond, nr. 2008157852-1, d.d. 12 mei 2008, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, inhoudende de tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [aangeefster 1] (p. 1560 e.v.).

Ten aanzien van de feiten 5 en 6:

1. De bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 20 december 2010.

2. Het proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nr. 2008231709-179, d.d. 28 juli 2008, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, inhoudende het relaas van deze verbalisant (p. 881).

3. Het proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nr. 2008231709-190, d.d. 31 juli 2008, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, inhoudende het relaas van deze verbalisant (p. 1025 e.v.).

4. Het proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nr. 2008231709, d.d. 31 juli 2008, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, inhoudende het relaas van deze verbalisant (p. 1033).

5. Het proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nr. 2008231709, d.d. 31 juli 2008, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, inhoudende het relaas van deze verbalisant (p. 1035).

Ten aanzien van feit 7:

1. De bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 20 december 2010.

2. Het proces-verbaal van verhoor van de politie Rotterdam-Rijnmond, nr. 2008231709-235, d.d.

4 augustus 2008, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, inhoudende de tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van medeverdachte [medeverdachte] (p. 1095).

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft -op grond van zijn overgelegde en in het dossier gevoegde schriftelijk requisitoir- gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair, impliciet primair (te weten moord), 2 primair, impliciet subsidiair (te weten poging tot doodslag), 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren, met aftrek van voorarrest. Ter zake van feit 7 heeft de advocaat-generaal vrijspraak gevorderd.

Standpunt van de verdediging ten aanzien van de feiten

1 en 2

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep erkend op 10 juli 2008 te Rotterdam op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] te hebben geschoten. De verdachte heeft tevens verklaard dat hij [slachtoffer 1] niet in het hoofd heeft geschoten en de suggestie opgeworpen dat [slachtoffer 2] dat naderhand heeft gedaan.

De raadsvrouw van de verdachte heeft verweer gevoerd overeenkomstig haar overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota. De raadsvrouw heeft betoogd dat geen sprake is van voorbedachte raad, derhalve niet van moord. De raadsvrouw heeft voorts verweer gevoerd ten aanzien van de strafbaarheid van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.

Het oordeel van het hof

Heeft ook [slachtoffer 2] geschoten?

Het hof stelt vast dat op de handen van [slachtoffer 2] geen schotresten zijn aangetroffen.9 Voorts zijn in de bestelauto waarin het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1] is aangetroffen, geen munitiedelen aangetroffen.10 Aangezien het dossier ook anderszins geen enkel aanknopingspunt biedt voor het door de verdachte opgeworpen alternatieve scenario, acht het hof niet aannemelijk dat niet de verdachte, maar [slachtoffer 2] degene is geweest die [slachtoffer 1] in het hoofd heeft geschoten. Dit verweer wordt derhalve verworpen.

Voorbedachte raad

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde geen sprake is van voorbedachte raad. Evenals de rechtbank overweegt het hof dat gelet op het tijdsbestek waarin de schoten zijn gelost, te weten hooguit enkele minuten, en de situatie waarin de verdachte heeft geschoten, te weten tijdens een gevecht tussen zijn vriend en het slachtoffer [slachtoffer 1], niet kan worden vastgesteld dat de verdachte voorafgaand aan en tijdens het schieten op [slachtoffer 1] voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad voor kalm beraad. Nu de aan de verdachte onder 1 primair, impliciet primair, tenlastegelegde moord, evenals de onder 2 primair, impliciet primair, tenlastegelegde poging tot moord, naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, behoort de verdachte daarvan te worden vrijgesproken.

Opzet

De verdachte heeft verklaard dat hij op een afstand van anderhalf tot twee meter met gestrekte arm en gericht op de buik van de slachtoffers meermalen op beiden heeft geschoten.11 In navolging van de rechtbank overweegt het hof dat hieruit volgt dat het opzet van de verdachte gericht was op de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Of de verdachte met (boos) opzet op het hoofd van [slachtoffer 1] heeft geschoten is voor zijn hierboven reeds vastgestelde opzet op de dood van [slachtoffer 1] niet relevant.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van genoemde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3, 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 10 juli 2008 te Rotterdam opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk met een pistool kogels in het hoofd en in het lichaam van die [slachtoffer 1] afgevuurd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2.

hij op 10 juli 2008 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 2] van het leven te beroven opzettelijk met een pistool een kogel in de buik van die [slachtoffer 2] heeft afgevuurd, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

3.

hij omstreeks de periode van 10 mei 2008 tot en met 24 juli 2008 te Rotterdam een goed, te weten een rijbewijs op naam van [aangeefster 1], heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving van dat goed wist dat het een door misdrijf, namelijk door diefstal, althans door enig (ander) misdrijf, verkregen goed betrof;

4.

hij omstreeks de periode van 07 juli 2008 tot en met 24 juli 2008 te Rotterdam een goed, te weten een tomtom navigatiesysteem, heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving van dat goed redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf, namelijk door diefstal, verkregen goed betrof;

5.

hij op 24 juli 2008 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet in de vorm van een pistool van het merk Makarov, type PM, kaliber 9x18 millimeter, voorhanden heeft gehad;

6.

hij op 24 juli 2008 te Rotterdam munitie in de zin van artikel 1 onder 4° van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III, te weten

- 13 kogelpatronen, kaliber 7.65 Br, en

- 1 kogelpatroon, kaliber 6.35 Br, en

- 3 kogelpatronen, kaliber .9 millimeter Luger, voorhanden heeft gehad;

7.

hij op 10 juli 2008 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen, anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, hebbende verdachte en verdachtes mededader,

- twee personen, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], rijdende in een auto met een Frans kenteken aangesproken met de vraag of die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] drugs wilden kopen, en

- vervolgens die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] in die auto met Frans kenteken de auto, waarin hij, verdachte en zijn mededader reden, laten volgen naar een flat aan de Baloeranstraat, en

- na met die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] die flat aan de Baloeranstraat te zijn binnengegaan vervolgens in een gang waar de kelderboxen van die flat gelegen zijn, heroïne en/of cocaïne aan die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] getoond.

Ten aanzien van feit 4 overweegt het hof voorts dat de verdachte, toen hij van dezelfde persoon een rijbewijs en een navigatiesysteem kocht en het een feit van algemene bekendheid is dat rijbewijzen niet legaal te koop zijn, redelijkerwijs had moeten vermoeden dat ook het navigatiesysteem een door misdrijf verkregen goed betrof.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde:

Doodslag.

Ten aanzien van het onder 2 primair bewezenverklaarde:

Poging tot doodslag.

Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Opzetheling.

Ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde:

Schuldheling.

Ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Ten aanzien van het onder 6 bewezenverklaarde:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

Ten aanzien van het onder 7 bewezenverklaarde:

Medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, te trachten een ander te bewegen om dat feit te plegen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de verdachte

Ten aanzien van de feiten 1 en 2 is door en namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep een beroep gedaan op noodweer dan wel noodweerexces. Hiertoe is aangevoerd -kort samengevat- dat de verdachte zag dat zijn vriend [medeverdachte] met één van de slachtoffers, aan wie de verdachten drugs wilden verkopen, in gevecht was en dat hij ter verdediging van [medeverdachte] eerst op [slachtoffer 2] en vervolgens op [slachtoffer 1] heeft geschoten.

Het hof verwerpt het beroep op noodweer(exces) en overweegt daartoe als volgt.

Het hof acht op grond van de -ter terechtzitting in hoger beroep en tegenover de politie afgelegde- verklaringen van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] aannemelijk geworden dat er op het moment dat de verdachte de kelder binnenkwam sprake was van een schermutseling, duwen en trekken, tussen [medeverdachte] en het slachtoffer [slachtoffer 1], waarbij [medeverdachte] en [slachtoffer 1] op enig moment samen een mes hebben vastgehad. Dat [slachtoffer 2] zich met die schermutseling bemoeide, acht het hof eveneens aannemelijk. Naar het oordeel van het hof is er gelet op die omstandigheden sprake van een situatie waarin voor de verdachte de noodzaak bestond tot verdediging van eens anders lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. De verdachte mocht zich tegen het jegens [medeverdachte] uitgeoefende geweld verdedigen. Evenals de rechtbank is het hof evenwel van oordeel dat het (meermalen) gericht met een pistool schieten een overschrijding vormt van de grenzen van hetgeen die verdediging vergde. Het hof acht gericht schieten met een pistool in een situatie zoals de onderhavige een buitenproportionele reactie. Dit brengt met zich mee dat de verdachte geen beroep op noodweer toekomt.

Evenmin komt de verdachte een beroep op noodweerexces toe, aangezien -mede gelet op de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de verdachte dat hij wachtte met schieten op [slachtoffer 1] totdat [slachtoffer 1] goed stond- niet aannemelijk is geworden dat de aanranding van [medeverdachte] een voor een geslaagd beroep op noodweerexces vereiste hevige gemoedsbeweging bij de verdachte heeft veroorzaakt.

Aangezien geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde of de verdachte uitsluit, is zowel het bewezenverklaarde als de verdachte strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan alsook op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag door tijdens een uit de hand gelopen drugsdeal meermalen met een pistool op het slachtoffer te schieten. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij een jonge man het leven heeft ontnomen en dat groot en onherstelbaar leed is toegebracht aan de nabestaanden, zoals ook uit de namens de moeder van het slachtoffer ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen verklaring blijkt.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op een andere man. Dat dit slachtoffer, dat hierdoor ernstig gewond is geraakt, niet is overleden, is niet aan de verdachte te danken. De verdachte heeft, door met een pistool op het slachtoffer te schieten, ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Een dergelijk misdrijf veroorzaakt niet alleen gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer, maar ook bij de maatschappij in het algemeen. De ervaring leert dat slachtoffers veelal geruime tijd lijden onder de psychische gevolgen van een dergelijke, ingrijpende gebeurtenis.

De verdachte lijkt op zichzelf de ernst van deze feiten te beseffen, maar is -blijkens zijn houding ter terechtzitting in hoger beroep- niet bereid zijn verantwoordelijkheid voor het gebeurde te erkennen.

De verdachte heeft zich tevens samen met een ander schuldig gemaakt aan het treffen van voorbereidingshandelingen voor een drugsdeal. De handel in en het gebruik van harddrugs vormen een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en brengen bovendien andere vormen van criminaliteit met zich mee, waaronder -zoals in het onderhavige geval- geweldsdelicten.

Voorts heeft de verdachte zich meermalen schuldig gemaakt aan heling, hetgeen het plegen van diefstallen bevordert, en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie, hetgeen -zoals ook in de onderhavige zaak is gebleken- een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich meebrengt.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 2 december 2010 is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

In het voordeel van de verdachte heeft het hof rekening gehouden met zijn jonge leeftijd.

Het hof is -al het voorgaande overwegende en mede in aanmerking nemende de landelijke oriëntatiepunten voor de straftoemeting en de generale en speciale preventie- van oordeel dat alleen een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 2]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 21.254,-, alsmede tot vergoeding van kosten voor rechtsbijstand.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, te weten tot een bedrag van € 10.300,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, alsmede tot toewijzing van de kosten voor rechtsbijstand en tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige.

Naar het oordeel van het hof levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Aangezien door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Schadevergoeding nabestaande [slachtoffer 1]

De nabestaande van het slachtoffer [slachtoffer 1], diens moeder, heeft zich in het onderhavige strafproces niet als benadeelde partij gevoegd en geen vordering tot schadevergoeding ingediend.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 45, 47, 57, 63, 287, 416 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en artikel 10a van de Opiumwet, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, impliciet primair, en 2 primair, impliciet primair, tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, impliciet subsidiair, 2 primair, impliciet subsidiair, 3, 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij de vordering dan ook slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit arrest is gewezen door mr. S.K. Welbedacht, mr. C.M. le Clercq-Meijer en mr. T.E. van der Spoel, in bijzijn van de griffier mr. H. Biemond.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 27 januari 2011.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt

-tenzij anders vermeld- bedoeld een als bijlage bij het proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nr. 2008231709, d.d. 17 oktober 2008, gevoegd ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Verklaringen zijn zakelijk weergegeven.

2 Proces-verbaal onnatuurlijke dood, d.d. 14 juli 2008, p. 446.

3 Deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, nr. 2008.07.10.097, d.d. 6 oktober 2008, opgemaakt en ondertekend door de deskundige V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en patholoog, zijnde een geschrift.

4 Medische informatie van Forensisch Artsen Rotterdam Rijnmond, d.d. 11 juli 2008, p. 444, zijnde een geschrift.

5 Verklaring verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 20 december 2010; Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d.

13 augustus 2008, p 1586-1587.

6 Proces-verbaal van aangifte (met goederenbijlage), d.d. 13 oktober 2008, p. 1617 e.v.

7 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 14 juli 2008, p.589.

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 13 augustus 2008, p. 1594.

9 Deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, d.d. 11 februari 2009, nr. 2008.07.10.097, opgemaakt en ondertekend door de deskundige R.C. Roepnarain, zijnde een geschrift.

10 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 22 juli 2008, p. 556

11 Verklaring verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 20 december 2010