Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BP2190

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-01-2011
Datum publicatie
27-01-2011
Zaaknummer
200.077.294.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Behandeling van het hoger beroep nadat de beschikking waarbij de tweede curator, die het appel had ingesteld, is vernietigd; de eerstbenoemde curator neemt het appel niet over. zie ook LJnummer BP2181.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 19 januari 2011

Zaaknummer : 200.077.294/01

Rekestnr. rechtbank : JE RK 10-1957

1. [naam minderjarige 5],

verblijvende te [verblijfplaats],

2. [naam minderjarige 7],

verblijvende te [verblijfplaats],

verzoeksters in hoger beroep,

hierna te noemen: de minderjarigen, terzake de indiening van dit beroepschrift vertegenwoordigd door mr. Marinus Jan Willem HOEK, advocaat te Alphen aan de Rijn,

in zijn hoedanigheid van bijzondere curator over voornoemde minderjarigen,

hierna te noemen: Hoek,

3. mr. M. J. W. HOEK voornoemd,

hierna gezamenlijk ook te noemen: de appellanten,

advocaat: mr. M.Ch. Kaaks te Amsterdam,

tegen

de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland Midden,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

kantoorhoudende te Gouda,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord,

locatie Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [namen ouders],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de ouders,

2. [namen pleegouders],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de pleegouders,

advocaat mr. A.M.C.J. Klostermann te Utrecht;

3. mr. B.C.V.J. van Leur, in haar hoedanigheid van bijzondere curator over genoemde minderjarigen, kantoorhoudende te Delft, hierna te noemen: Van Leur.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De appellanten zijn op 17 november 2010 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 18 augustus 2010 van de meervoudige kamer van de rechtbank ’s-Gravenhage (hierna: de bestreden beschikking).

Jeugdzorg heeft op 10 december 2010 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de appellanten zijn bij het hof op 25 november 2010 en 1, 7, 13, 20 en 22 december 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de raad is bij brief van 16 december 2010 medegedeeld dat de raad niet ter zitting vertegenwoordigd zal zijn. De raad heeft daarbij het raadsrapport van 19 september 2008 gevoegd.

Op 23 december 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: Hoek en zijn advocaat, namens Jeugdzorg: mevrouw J. Kradolfer en mevrouw L. Goey, ter terechtzitting bijgestaan door mr. P.J. Montanus, advocaat te ’s-Gravenhage, de advocaat van de pleegouders en mr. S. Kuiper namens Van Leur. Voorts zijn de ouders verschenen en hun oudste zoon [naam minderjarige 1]. De aanwezigen hebben het woord gevoerd De pleegouders zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van de minderjarigen:

1. [naam minderjarige 2], geboren [in 1995] te [geboorteplaats],

2. [naam minderjarige 3], geboren [in1996] te [geboorteplaats],

3. [naam minderjarige 4], geboren [in1998] te [geboorteplaats],

4. [naam minderjarige 5], geboren [in 2000] te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 5]),

5. [naam minderjarige 6], geboren [in 2001] te [geboorteplaats],

6. [naam minderjarige 7], geboren [in 2003] te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 7]), verlengd van 20 augustus 2010 tot 15 augustus 2011 met behoud van Jeugdzorg, zijnde een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f van de Wet op de Jeugdzorg (hierna: Wjz). Voorts heeft de rechtbank de aan Jeugdzorg verleende machtiging de minderjarigen sub 2 tot en met 6 gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen van 20 augustus 2010 tot 15 augustus 2011, verlengd, ter effectuering van de indicatiebesluiten van 5 juli 2010. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

In hoger beroep is voorts komen vast te staan dat het hof op 23 december 2010 een beschikking heeft gegeven in de zaken met nummers 200.078.292 en 200.078.377 betreffende de benoeming van Hoek tot bijzondere curator over de minderjarigen, welke zaken voorafgaande aan de onderhavige zaak, mondeling op 23 december 2010 zijn behandeld. De beschikking van de kantonrechter te Gouda, waarin Hoek tot bijzondere curator was benoemd, is daarbij vernietigd en [naam minderjarige 1] is niet-ontvankelijk verklaard in het inleidend verzoek. Het meer of anders verzochte is afgewezen. Voorts heeft het hof in deze beschikking overwogen dat mr. Van Leur, die bij beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 augustus 2010 tot bijzondere curator over - onder andere - de minderjarigen was benoemd, nog altijd de bijzondere curator van hen is, nu de taak van een bijzondere curator eerst eindigt wanneer aan de procedure onherroepelijk een einde is gekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 5] en [minderjarige 7] voor de periode van 20 augustus 2010 tot 15 augustus 2011.

2. De appellanten verzoeken de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, het verzoek tot het verlenen van een (verlenging van de) machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen.

3. Jeugdzorg bestrijdt het beroep en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en het verzoek in hoger beroep, strekkende tot vernietiging van de beschikking, af te wijzen.

4. De pleegouders bestrijden het beroep en verzoeken de bestreden beschikking te bekrachtigen en mitsdien het verzoek in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen. Tevens verzoeken zij Hoek te veroordelen in de integrale proceskosten van de pleegouders, tot na de zitting en inclusief reistijd begroot op 30 uren à € 200,- exclusief 6% kantooropslag en 19% BTW, waarbij de pleegouders aanbieden op verzoek een specificatie te doen toekomen.

5. Het hof oordeelt allereerst dat Hoek, voor zover hij als zelfstandige procespartij in hoger beroep komt (aangeduid als appellant sub 3), niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn beroep, nu hij uitsluitend als bijzondere curator van de minderjarigen in hoger beroep kan komen en overigens niet, daar hij bij de bestreden beschikking geen belanghebbende is.

6. Voorts overweegt het hof, onder verwijzing naar en als gevolg van de beschikking van dit hof van 23 december 2010, dat Hoek niet langer als bijzondere curator in déze procedure wordt aangemerkt. Dit heeft tot gevolg, dat Hoek het door hem ingestelde hoger beroep - vanaf het moment dat het hof in zijn uitspraak de beschikking ter zake de benoeming van Hoek tot bijzondere curator over de minderjarigen heeft vernietigd - niet langer als procespartij in de hoedanigheid van bijzondere curator van de minderjarigen kan voortzetten. Hij wordt nog slechts als belanghebbende aangemerkt voor zover een proceskostenveroordeling tegen hem is gevorderd.

7. Het hof overweegt voorts als volgt. Zoals vorenstaand is vermeld, is het hof van oordeel dat Van Leur nog altijd als bijzondere curator over de minderjarigen heeft te gelden. Ter terechtzitting heeft mr. Kuiper namens Van Leur verklaard dat Van Leur het hoger beroep niet zal overnemen van Hoek. Dit betekent dat de procedure in hoger beroep niet langer geacht kan worden te worden gevoerd door een daartoe bevoegde verzoeker in hoger beroep, nu ook de ouders niet in hoger beroep zijn gekomen van de bestreden beschikking. Het hof zal derhalve het door Hoek ingestelde beroep verwerpen.

Kostenveroordeling

8. Mr. Klostermann heeft het hof verzocht Hoek integraal te veroordelen in de proceskosten. Ter terechtzitting heeft zij een specificatie van de kosten getoond aan mr. Kaaks, die deze heeft betwist. Nu mr. Klostermann het door haar gevorderde bedrag onvoldoende, dan wel niet tijdig voldoende, heeft onderbouwd en de ter terechtzitting getoonde specificatie voorts is betwist, zal het hof daaraan voorbij gaan. Het hof acht wel gronden aanwezig om Hoek te veroordelen in de kosten van de procedure, te begroten volgens het liquidatietarief, zodat wordt beslist als na te melden.

9. Het hof beslist mitsdien als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart Hoek niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover hij dit als zelfstandige procespartij heeft ingesteld;

verwerpt het beroep voor het overige;

veroordeelt Hoek in de kosten van deze procedure, te weten aan kosten van de advocaat van de pleegouders tot deze uitspraak vastgesteld op € 1.788,-;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, Dusamos en Mink, bijgestaan door mr. Rasmijn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 januari 2011.