Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BP2176

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-01-2011
Datum publicatie
26-01-2011
Zaaknummer
200.080.381.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming voor een uitgebreide obductie en toxicologisch onderzoek in het lichaam van een overledene wier doodsoorzaak niet precies vaststaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2011/45
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Voorzieningenrechter

Zaaknummer : 200.080.381/01

Rolnummer rechtbank : KG ZA 11-36

Arrest van 14 januari 2011

inzake

[A],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. M.R. Backer te 's-Gravenhage,

tegen

[B],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

niet verschenen.

Het geding

Na toestemming te hebben verkregen voor behandeling als spoedappel, is appellant bij exploot van 13 januari 2011 in hoger beroep gekomen van het verkorte vonnis van 13 januari 2011 van de voorzieningenrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage tussen de partijen gewezen (hierna: het bestreden vonnis). Kort voor de behandeling ter zitting in hoger beroep is het uitgewerkte vonnis van de voorzieningenrechter beschikbaar gekomen.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de voorzieningenrechter daaromtrent in het uitgewerkte vonnis heeft vermeld.

Appellant heeft als eiser in eerste aanleg verzocht, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. vervangende toestemming te verlenen voor een (uitgebreide) obductie van het lichaam van wijlen de moeder van partijen, alsmede vervangende toestemming te verlenen voor een toxicologisch onderzoek in het lichaam van wijlen de moeder van partijen;

II. een daartoe aangewezen instelling aan te wijzen die de obductie en het toxicologisch onderzoek zal uitvoeren;

III. te bepalen dat de crematie van het lichaam van wijlen de moeder van partijen voor onbepaalde tijd wordt aangehouden;

IV. gedaagde in de proceskosten te veroordelen.

In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de vordering van appellant afgewezen en bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Bij dagvaarding heeft appellant vooralsnog geen grieven aangevoerd en is aangegeven dat ter zitting nader grieven zullen worden aangevoerd. Appellant heeft daarbij gevorderd bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende, het ten principale gevorderde toe te wijzen en geïntimeerde te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding in beide instanties dan wel de proceskosten te compenseren.

Ter zitting van 13 januari 2011 is gebleken dat geïntimeerde niet meer tijdig in kennis is kunnen worden gesteld van de op 17:00 uur bepaalde mondelinge behandeling. Daarop is de behandeling aangehouden tot 14 januari 2011 te 9:00 uur met mededeling dat appellant, geïntimeerde voor de nader bepaalde zitting zal doen oproepen.

Ter zitting van 14 januari 2011 is gebleken dat geïntimeerde tijdig op de hoogte is geraakt van de zitting van heden te 9:00 uur. Telefonisch heeft hij de griffier doen weten dat hij niet ter zitting zal verschijnen.

Op 14 januari 2011 heeft appellant ter zitting zijn standpunt nader toegelicht.

Bij mondelinge conclusie van eis ter zitting in hoger beroep heeft appellant geconcludeerd op grond van de ter zitting aangevoerde grieven en overeenkomstig de conclusie zoals vervat in de dagvaarding in hoger beroep.

Appellant heeft arrest gevraagd en het hof verzocht recht te doen op het griffiedossier.

Uitspraak is bepaald op heden.

Beoordeling van het hoger beroep

Ontvankelijkheid

Ten tijde van het uitbrengen van de appeldagvaarding had appellant niet de beschikking over het uitgewerkte vonnis van 13 januari 2010 van de voorzieningenrechter tussen partijen gewezen terwijl er in het bestreden vonnis geen enkele overweging aangaande de afwijzing van het gevorderde is opgenomen zodat naar het oordeel van het hof, appellant in de onderhavige zeer spoedeisende zaak, in de onmogelijkheid verkeerde bij appeldagvaarding grieven te formuleren. Het hof oordeelt om die reden appellant ontvankelijk in zijn appel.

Inhoudelijke beoordeling

1. Het gaat in deze zaak in de kern om het volgende. De moeder van partijen, [naam], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], (hierna te noemen: de moeder) is overleden op [overlijdensdatum]. Appellant is in het ongewisse aangaande de precieze doodsoorzaak van de moeder en twijfelt er daarbij aan of zij een natuurlijke dood is gestorven. De vordering strekt ertoe te weten te komen hoe het ziekteproces en de daaropvolgende dood zich heeft voltrokken en, meer in het bijzonder, of de moeder middelen toegediend heeft gekregen die haar dood hebben bespoedigd. De aanstaande crematie zal het onderzoek daarnaar onmogelijk maken. Ter zitting in hoger beroep is nader toegelicht dat de door appellant verzochte ‘uitgebreide’ obductie mede onderzoek van de hersenen dient in te houden.

2. Appellant voert als grief aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte de Wet op de lijkbezorging als uitgangspunt heeft genomen voor de beantwoording van de vraag of een obductie dient plaats te vinden. Appellant stelt dat de nabestaanden een recht van morele aard hebben op het lichaam van een overleden persoon. Met toestemming van alle nabestaanden kan een obductie plaatsvinden. Er dient dus een belangenafweging plaats te vinden bij het toetsen van de wens van een van de nabestaanden om een obductie te laten plaatsvinden tegenover de kennelijke wens van de andere nabestaande om dat niet te doen.

3. Het hof overweegt als volgt. Dat een belangenafweging dient plaats te vinden op de wijze zoals door appellant aangevoerd, acht het hof juist. De grief van appellant slaagt derhalve.

4. De wens om de precieze doodsoorzaak van de moeder te doen vaststellen acht het hof gerechtvaardigd, mede gelet op de door appellant aangevoerde en ter zitting in hoger beroep nader toegelichte feiten en omstandigheden die door geïntimeerde niet dan wel onvoldoende zijn weersproken. Dat de degene die, overeenkomstig artikel 7 van de Wet op de lijkbezorging, de schouw heeft verricht een verklaring van een ‘natuurlijke dood’ heeft afgegeven maakt dit niet anders en het gegeven dat het te dezen een hoogbejaarde vrouw betrof evenmin.

5. Uit de schriftelijke verklaring van 12 januari 2011 van geïntimeerde, die ter zitting van de voorzieningenrechter in eerste aanleg aan de orde is gekomen, blijkt dat deze zich niet verzet tegen een verzoek van appellant tegen een obductie van de moeder doch het verzoek volstrekt overbodig vindt omdat het zou zijn ingegeven door een “ziekelijke jaloezie” van appellant. Bovendien vindt geïntimeerde een dergelijk onderzoek onnodig belastend voor de moeder. Het hof acht dit standpunt op zichzelf te respecteren, doch tegenover hetgeen appellant naar voren heeft gebracht, minder zwaarwegend.

6. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de feitelijke toestemming tot obductie nog niet is gegeven, terwijl de voorbereidingen voor de crematie zijn getroffen door geïntimeerde. Gelet hierop en op hetgeen hiervoor onder 4 en 5 is overwogen, zal het hof de verzochte vervangende toestemming geven als na te melden. Hoewel een ‘vervangende toestemming’ van de rechter in beginsel een oordeel is dat de bodemrechter toekomt, brengen de aard van de zaak, het feit dat het te dezen gaat om een crematie, immers een onomkeerbaar proces, en de klemmende termijnen van de Wet op de lijkbezorging mee dat het hof het verzochte zal toewijzen.

7.Ter zitting in hoger beroep is door appellant verzocht de onderzoeken te doen plaatsvinden in/door het LUMC te Leiden. Dit verzoek zal, als niet weersproken, worden toegewezen.

8. Ingevolge artikel 16 van de Wet op de lijkbezorging geschiedt begraving of crematie - voor zover hier van belang – op de zesde werkdag na overlijden. Nu de moeder is overleden op [overlijdensdatum] is [datum] de ‘zesde werkdag na overlijden’. Uit artikel 17 van genoemde wet volgt dat de burgemeester der gemeente, waar het lichaam van de overledene zich bevindt, voor de begraving of crematie daarvan een andere termijn kan stellen. Gelet hierop zal het hof het verzochte toewijzen en bepalen dat de feitelijke crematie niet zal plaats vinden vóór [datum] te 24:00 uur.

9. De kosten van de obductie en het toxicologisch onderzoek zullen, overeenkomstig het verzoek van geïntimeerde daartoe, voor rekening moeten komen van appellant nu dat het hof redelijk voorkomt; het is appellant die voormelde onderzoeken wenst.

10. Hetgeen verder nog is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel en behoeft geen bespreking meer.

11. Het hof zal de proceskosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

12. Het vorenstaande leidt tot de navolgende beslissing.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis van 13 januari 2011 door de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage tussen partijen gewezen, en opnieuw rechtdoende

verleent vervangende toestemming voor:

een (uitgebreide) obductie, waaronder onderzoek van de hersenen, alsmede een toxicologisch onderzoek in het lichaam van de overleden [naam], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats];

bepaalt dat voormelde onderzoeken zullen plaatsvinden in/door het LUMC te Leiden;

bepaalt dat feitelijke crematie van het lichaam van de overleden [naam] voornoemd, zal worden aangehouden tot uiterlijk [datum] te 24:00 uur;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de kosten verbonden aan de uit te voeren obductie en het toxicologisch onderzoek voor rekening zullen komen van appellant;

compenseert de kosten van dit hoger beroep in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. Mos-Verstraten, van Nievelt, van de Poll en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 januari 2011, in aanwezigheid van de griffier.