Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BP1548

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-01-2011
Datum publicatie
20-01-2011
Zaaknummer
22-001227-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2010:BL4514, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Jeugdzaak. In casu is sprake van een zeer forse overschrijding van de redelijke termijn. Anders dan de rechtbank verklaart het hof het openbaar ministerie echter ontvankelijk in de vervolging. Vaste rechtspraak van de Hoge Raad is dat overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Uit het arrest van de Hoge Raad van 30 maart 2010, LJN: BL3228 kan worden afgeleid dat dit uitgangspunt ook geldt voor jeugdzaken. Het hof wijst de zaak terug naar de Rechtbank te Rotterdam, teneinde de zaak met inachtneming van 's Hofs arrest op de grondslag van de uitgebrachte inleidende dagvaarding te berechten en af te doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2011/70 met annotatie van R. de Jong
FJR 2016/6.8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001227-10

Parketnummers: 10-651004-06 en 10-660092-06

Datum uitspraak: 7 januari 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 16 februari 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,

adres: [adres] te [woonplaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 7 januari 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, het openbaar ministerie ontvankelijk zal worden verklaard in de vervolging en de zaak zal worden teruggewezen naar de Rechtbank te Rotterdam.

Procesgang

In eerste aanleg is het openbaar ministerie niet ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Aanvang redelijke termijn

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde op de dagvaarding met parketnummer 10-651004-06 is de verdachte in verzekering gesteld op 7 januari 2006. De termijn is in ieder geval vanaf dat moment gaan lopen.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde op de dagvaarding met parketnummer 10-651004-06, is de verdachte aangehouden op 25 oktober 2005 en na verhoor heengezonden. Hij is vervolgens gedagvaard voor de zitting van de kinderrechter van 22 februari 2006. Het moment van betekening van de dagvaarding aan de verdachte is in dit geval het moment waarop de termijn is aangevangen. Nu echter de desbetreffende akten van betekening in het ongerede zijn geraakt, kan het hof dat moment niet vaststellen. De termijn moet ergens tussen 13 december 2005 - datering van de handtekening van de officier van justitie van de eerste dagvaarding die in die zaak is uitgebracht - en 22 februari 2006 zijn ingegaan.

De verdachte is voor de feiten op de dagvaarding met parketnummer 10-660092-06 in verzekering gesteld op 29 mei 2006. Die datum geldt als aanvangstermijn voor deze feiten.

Procesverloop

Het hof stelt, in navolging van de rechtbank, voor wat betreft het procesverloop het volgende vast.

De zaak met parketnummer 10-651004-06 is op de zitting van de kinderrechter van 22 februari 2006 aangebracht. De verdachte is op die zitting niet verschenen, omdat voor hem geen transport was geregeld van het detentieadres naar de rechtbank. De behandeling van de zaak is toen aangehouden.

Op 17 juli 2006 is de zaak met parketnummer 10-651004-06 opnieuw en tegelijk met de zaak met parketnummer 10-660092-06 aangebracht. De officier van justitie heeft op die zitting om aanhouding van de behandeling van de zaken gevraagd, om de zaken te kunnen verwijzen naar de meervoudige kamer en om gedragsdeskundigenrapportages omtrent de verdachte af te wachten. De raadsman heeft zich tegen aanhouding van de zaak met parketnummer 10-651004-06 verzet. Hij heeft aangedrongen op behandeling van die zaak, omdat de zaak al enige tijd gereed was en behandeld zou zijn op de vorige zitting als de verdachte op die zitting was aangevoerd. De kinderrechter heeft de voeging van de zaken bevolen en de behandeling van die zaken aangehouden en verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank. De voorlopige hechtenis van de verdachte is door de kinderrechter geschorst.

De zaken zijn vervolgens pro forma aangebracht op 22 augustus 2006, samen met die van de medeverdachten in de zaak met parketnummer 10-660092-06. De behandeling van de zaken is aangehouden, omdat in de voornoemde zaak het onderzoek nog niet gereed was. De zaken van de medeverdachten zijn vervolgens op 7 november 2006 inhoudelijk behandeld en op 21 november 2006 is er in die zaken vonnis gewezen.

De zaken van de verdachte zijn op 18 april 2008 opnieuw aangebracht. De behandeling van de zaken is op die zitting wederom aangehouden, onder afgifte van een bevel medebrenging, omdat de verdachte niet verschenen was. Vervolgens zijn de zaken weer aangebracht op 2 februari 2010. De rechtbank heeft op 16 februari 2010 uitspraak gedaan.

Het openbaar ministerie heeft appel ingesteld op 1 maart 2010. De stukken zijn ter griffie van dit hof binnengekomen op 9 juni 2010.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Dit recht strekt ertoe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

De rechtbank benadrukt terecht dat het bijzondere karakter van het jeugdstrafrecht en het normstellend kader van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: IVRK) bij de beantwoording van de vraag welke consequenties moeten volgen op een overschrijding van de redelijke termijn in een strafzaak tegen een minderjarige niet buiten beschouwing kunnen worden gelaten.

Het pedagogische karakter van het jeugdstrafrecht maakt dat bestraffing zo kort mogelijk op het begaan van het strafbare feit moet volgen. Naarmate de termijn daartussen langer is, wordt het pedagogische effect minder en uiteindelijk zelfs nihil.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 16 december 2003 (LJN: AL9062) bepaald dat in het geval van minderjarigen de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. Die omstandigheden betreffen de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

In casu is vanaf de aanvang van de termijn tot aan het wijzen van eindvonnis op 16 februari 2010 een periode verstreken van - in het geval van de feiten op de dagvaarding met parketnummer 10-651004-05 - ruim 48 maanden en - in het geval van de feiten op de dagvaarding met parketnummer 10-660092-06 - ruim 44 maanden. Al met al is er sprake van een zeer forse overschrijding van de termijn.

Anders dan de rechtbank zal het hof echter aan deze forse termijnoverschrijding niet de consequentie verbinden dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in vervolging. Vaste rechtspraak van de Hoge Raad is dat overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie (zie onder andere HR 16 december 2008, LJN: BF3181). Uit het arrest van de Hoge Raad van 30 maart 2010, LJN: BL3228 kan worden afgeleid dat dit uitgangspunt ook geldt voor jeugdzaken.

Gelet op hetgeen hierboven is weergegeven, komt het hof tot het volgende oordeel.

Het hof acht het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging. Het beroepen vonnis kan derhalve niet in stand blijven. Namens de verdachte is uitdrukkelijk verzocht om, in geval van vernietiging van het vonnis waarvan beroep, de zaak terug te wijzen, hetgeen leidt tot na te melden beslissing.

De rechtbank, waarnaar de zaak zal worden teruggewezen ter berechting van de hoofdzaak, zal hebben te bezien op welke wijze de vastgestelde schending van het recht op een berechting binnen redelijke termijn dient te worden verdisconteerd in de strafmaat, indien aan alle overige voorwaarden voor bestraffing zou zijn voldaan. Het hof wijst hierbij nadrukkelijk op de mogelijkheid van toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, gezien de mate waarin de termijn in het onderhavige geval is overschreden en de persoonlijke omstandigheden.

Het vorenstaande brengt mee dat het vonnis waarvan beroep moet worden vernietigd en de zaak moet worden teruggewezen naar de Rechtbank te Rotterdam.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Wijst de zaak terug naar de Rechtbank te Rotterdam, teneinde met inachtneming van 's Hofs arrest op de grondslag van de uitgebrachte inleidende dagvaarding te berechten en af te doen.

Dit arrest is gewezen door mr. A.L.J. van Strien,

mr. G.J.W. van Oven en mr. I.M. Abels, in bijzijn van de griffier mr. V.A.M. Willemsen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 januari 2011.

Mr. I.M. Abels is buiten staat dit arrest te ondertekenen.