Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BP0285

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-01-2011
Datum publicatie
12-01-2011
Zaaknummer
200.014.055/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Recht van buurweg; onredelijke belemmeringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 200.014.055/01

Rolnummer rechtbank : 06-3611

Arrest van de eerste civiele kamer d.d. 11 januari 2011

inzake

1. [Naam],

2. [Naam],

3. [Naam],

4. [Naam],

5. [Naam],

alle wonende of zaakdoende te [plaats] (gemeente […]),

appellanten,

hierna te noemen: [appellanten],

advocaat: mr. J. Geelhoed te 's-Gravenhage,

tegen

[Naam],

wonende te [plaats] (gemeente […]),

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. T.J. Fluitman te Naaldwijk.

Het geding

Het hof heeft op 23 maart 2010 in deze zaak wederom arrest gewezen. Voor het procesverloop tot dat arrest verwijst het hof daarnaar. Bij dat arrest heeft het hof een gerechtelijke plaatsopneming en comparitie bevolen. De gerechtelijke plaatsopneming heeft op 17 juni 2010 plaats gevonden, gevolgd door een comparitie van partijen. Van een en ander is proces-verbaal opgemaakt. De comparitie is aangehouden en op 13 oktober 2010 voortgezet. Van de voortzetting is eveneens proces-verbaal opgemaakt. Een schikking is niet tot stand gekomen. Ten slotte hebben partijen wederom arrest gevraagd.

Verdere beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof stelt voorop dat naar zijn oordeel de [weg] moet worden beschouwd als een buurweg. Partijen gaan er vanuit dat het niet om een openbare weg gaat en dat is ook niet anderszins gebleken. De [weg] is blijkens zijn uiterlijke toestand bestemd voor verkeer en wordt onbetwist door de eigenaren en gebruikers van de aanliggende percelen gezamenlijk gebruikt als uitweg. [geïntimeerde] heeft wel betwist dat de weg bij aanleg bestemd was tot buurweg, maar uit het permanente en onbetwiste gezamenlijk gebruik gedurende een lange periode vloeit het bewijsvermoeden voort dat de weg daartoe is aangelegd. De omstandigheid dat [geïntimeerde] (als latere eigenaar van een gedeelte van de weg) daarmee niet heeft ingestemd en het ontbreken van expliciete afspraken tussen hem en de andere betrokkenen over het gezamenlijke onderhoud van de weg zijn onvoldoende om dat bewijsvermoeden te ontkrachten, temeer daar wel vast staat dat dit onderhoud door betrokkenen wordt gepleegd. Verder heeft [geïntimeerde] geen feiten gesteld en evenmin te bewijzen aangeboden die dit bewijsvermoeden ontzenuwen.

2. Nu [appellanten] de [laan] als buurweg mogen gebruiken, is het [geïntimeerde] niet toegestaan dat gebruik op onredelijke wijze te belemmeren, ook niet als dat gebruik betreft voor de aan- en afvoer van de door [appellanten] ter plaatse geëxploiteerde bedrijven.

3. Tijdens de plaatsopneming heeft het hof gezien en heeft de door [appellanten] ingeschakelde deskundige verklaard dat een vrachtwagen die vanuit de […]laan rechtsaf de [laan] oprijdt, de (ruimte boven de) stoep langs de [laan] aan de zijde van de begraafplaats nodig heeft om de [laan] in te draaien en dat daarbij de aanwezige (hof: door [geïntimeerde] geplaatste) palen, ook zonder daaraan bevestigde verkeersborden, obstakels vormen. Hij heeft voorts verklaard dat de ruimte tussen de heg (hof: aan de zijde van de begraafplaats) en de (hof: door [geïntimeerde] haaks ten opzichte van de weg geplaatste) aanhangwagen te smal is. [geïntimeerde] heeft daartegenover gesteld dat de door hem geplaatste palen nog nooit door iemand zijn geraakt, dat het hem erom gaat de snelheid uit het verkeer over de [laan] te halen en dat de obstakels daarvoor nodig zijn, dat de door hem geplaatste busjes en aanhangwagens de passage van een vrachtwagen niet onmogelijk maken en dat hij deze niet schuin kan plaatsen, omdat hij dan zijn voertuigen niet meer kan bevoorraden. Hij constateert dat er geen probleem is omdat iedereen er langs kan.

4. Hetgeen [geïntimeerde] tegenover de verklaring van de deskundige heeft ingebracht, ontkracht niet de verklaringen van de deskundige over de noodzaak van het gebruik van de (ruimte boven de) betreffende stoep voor het indraaien van de [laan] en het belemmerende karakter van de geplaatste obstakels (palen en betonblokken), noch over de voor een normale verkeersafwikkeling te geringe ruimte tussen de door [geïntimeerde] haaks ten opzichte van de [laan] geplaatste voertuigen en de heg aan de overzijde. Daarbij komt dat, zoals de deskundige heeft verklaard en ook blijkt uit een door [appellanten] overgelegd onderzoeksrapport, de snelheid van vrachtwagens op het relevante gedeelte van de [laan] kan worden beperkt door de aanleg van een verkeersdrempel, die voor [geïntimeerde] slechts een zeer geringe kans op schade en geen kans op hinder met zich brengt. [appellanten] hebben aangeboden deze drempel aan te laten leggen, maar tussen partijen is geen overeenstemming bereikt. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat [appellanten] de door [geïntimeerde] (in persoon of als bestuurder van de holding die eigenaar is van het achter zijn woning gelegen bedrijfsperceel) geplaatste obstakels niet hoeven te dulden. Hetzelfde geldt voor andere door [geïntimeerde] nog te bedenken obstakels die hetzelfde oogmerk hebben.

5. [geïntimeerde] heeft verklaard en het hof heeft bij de plaatsopneming waargenomen dat zich aan de zijde van de begraafplaats geen verkeersbord aan voornoemde palen meer is bevestigd en dat aan de andere zijde zich geen bloembakken bevinden en de drie litigieuze paaltjes zijn verwijderd. Voor zover de primaire vordering onder 1 ertoe strekt deze te doen verwijderen, zal zij worden afgewezen. Het opnieuw plaatsen van zodanige obstakels valt onder het gevorderde verbod voor de toekomst. Naar luid van de vordering eisen [appellanten] ook de verwijdering van de stoep aan de zijde van de [laan] waar de woning van [geïntimeerde] is gelegen. Uit hetgeen de deskundige heeft verklaard, blijkt niet dat de aanwezigheid van die stoep voor vrachtwagens bij het in- of uitrijden van de [laan] hinder van betekenis oplevert (de deskundige heeft zich uitsluitend uitgelaten over de (ruimte boven de) stoep aan de begraafplaatszijde van de [laan]). Het hof ziet geen grond om dat gedeelte van de primaire vordering onder 1 toe te wijzen. Voor het overige zal het hof de primaire vordering onder 1 (zoals het hof deze begrijpt) dus toewijzen. Het zal de gevorderde dwangsom, die naar het hof begrijpt betrekking heeft op elke door [geïntimeerde] aan te brengen of aangebrachte belemmering van de doorgang op de [laan], toewijzen, met dien verstande dat het hof deze zal matigen en daaraan een maximum zal verbinden. De gevorderde dwangsom wordt, mede gelet op hetgeen [geïntimeerde] daaromtrent in de memorie van antwoord naar voren heeft gebracht, excessief hoog geacht.

6. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het primair onder 2 gevorderde te ruim is om voor toewijzing in aanmerking te komen. Toewijzing zou ertoe leiden dat [geïntimeerde] al een dwangsom verbeurt gedurende de tijd waarin hij in het kader van zijn bedrijfsvoering noodzakelijke laad- en loswerkzaamheden verricht waarbij één van zijn voertuigen de door de rechtbank vastgestelde fictieve lijn gedurende korte tijd overschrijdt. Incidentele, zeer tijdelijke hinder in verband daarmee hebben [appellanten] te dulden. Voor de subsidiair onder 4 en 5 ingestelde vorderingen geldt dat zij hetzij de primaire vordering onder 1, voor zover toegewezen, overlappen en om die reden niet voor toewijzing in aanmerking komen, hetzij gelijkluidend zijn aan de primaire vordering onder 2 en daarom het lot daarvan moeten delen. Bij toewijzing van de subsidiair onder 3 ingestelde vordering hebben [appellanten] gelet op het in rechtsoverweging 1 overwogene geen belang meer.

7. De slotsom is dat de grieven ertoe leiden dat het vonnis van de rechtbank moet worden vernietigd en dat het hof opnieuw recht zal doen. In de omstandigheid dat partijen over en weer gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld, ziet het hof aanleiding de kosten te compenseren.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 4 juni 2008

en, opnieuw recht doende,

- veroordeelt [geïntimeerde] tot verwijdering van de palen en de betonblokken die zijn geplaatst op de stoep aan de begraafplaatszijde van de [laan], binnen 28 dagen na betekening van dit arrest;

- verbiedt [geïntimeerde] verkeersbelemmeringen in welke vorm ook aan te brengen op de [laan], voorbij de (fictief over de percelen van [geïntimeerde] en zijn bedrijf door te trekken) lijn in het verlengde van het hekwerk dat voorbij die percelen de grens vormt tussen de [laan] en het perceel waarop een waterbassin is gelegen;

- bepaalt dat [geïntimeerde] een dwangsom zal verbeuren van € 1000,- per dag (waarbij een gedeelte van een dag als één dag wordt gerekend) bij niet-nakoming van elk van bovengenoemde veroordelingen en bij overtreding van bovengenoemd verbod, met een maximum van € 50.000,-;

- wijst het meer of anders gevorderde af;

- bepaalt dat elke partij de eigen kosten draagt, zowel van de eerste aanleg als van het hoger beroep;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, A.V. van den Berg en J. Kramer en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 januari 2011 in aanwezigheid van de griffier.