Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:734

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-03-2011
Datum publicatie
08-07-2013
Zaaknummer
200.040.758-01T
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2009:BJ1287
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid assurantietussenpersoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2014/10
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 200.040.758/01

Rolnummer rechtbank : 280418 / HA ZA 07-726

arrest van de vierde civiele kamer d.d. 15 maart 2011

inzake

1 Bolidt Kunststoftoepassing B.V.,

gevestigd te Alblasserdam,

2. Bol & Plaisier Beheer B.V.,

gevestigd te Hendrik-Ido-Ambacht,

appellanten,

hierna gezamenlijk in vrouwelijk enkelvoud te noemen: Bolidt,

advocaat: mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam,

tegen

1 AON Nederland C.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. Hudig-Langeveldt Makelaardij in Assurantiën B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

3. AON Makelaars in Assurantiën B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerden,

hierna gezamenlijk in vrouwelijk enkelvoud te noemen: Aon,

advocaat: mr. C.W.M. Lieverse te Amsterdam.

Het geding

Bij exploot van 31 juli 2009 is Bolidt in hoger beroep gekomen van de door de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen vonnissen van 18 juli 2007 en 3 juni 2009. Bij memorie van grieven met producties heeft Bolidt één grief aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft Aon de grief bestreden.

Vervolgens hebben partijen op 25 januari 2011 de zaak doen bepleiten, Bolidt door mr. F. Stadermann en mr. L.K. de Haan, beiden advocaat te Rotterdam, en Aon door mr. C.W.M. Lieverse en mr. A.L. Krenning, beiden advocaat te Amsterdam, allen aan de hand van overgelegde pleitnotities. Bolidt heeft bij die gelegenheid nog twee producties in het geding gebracht. Van de pleidooizitting is een proces-verbaal opgemaakt. Naar aanleiding daarvan hebben mr. F. Stadermann en mr. L.K. de Haan nog een fax gezonden van 28 februari 2011. Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

De beoordeling van het hoger beroep

1. De rechtbank heeft in haar vonnis van 3 juni 2009 onder 2.1 tot en met 2.20 feiten vastgesteld. Tegen die vaststelling zijn geen grieven gericht of bezwaren ingebracht, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende. Sinds 1983 adviseert Aon als assurantietussenpersoon Bolidt over haar (aansprakelijkheids)verzekeringen en bemiddelt bij de totstandkoming daarvan. In 1999 was een aansprakelijkheidsverzekering van kracht, waarin een aantal verzekeraars deelnam met als leidende verzekeraar Hannover International Insurance (Nederland) N.V. (hierna Hannover). Bolidt heeft vanaf eind 2000/begin 2001 Aon verzocht zorg te dragen voor uitbreiding van de verzekeringsdekking met betrekking tot de aansprakelijkheid die kon voortvloeien uit door haar aan boord van Amerikaanse schepen verrichte retopping- en nieuwbouwwerkzaamheden. Aon heeft daarover overleg gevoerd met Hannover. In februari 2001 en mei 2001 hebben Aon, Bolidt en (wat betreft mei 2001) Hannover besprekingen gevoerd. Daarbij werd duidelijk dat Bolidt vaak haar eigen leveringsvoorwaarden niet van toepassing kon verklaren op de werkzaamheden op de schepen, zoals de verzekeraar wenste. Bij faxbrief van 10 juli 2001 stuurde Aon aan Bolidt een conceptbrief, met daarin een voorstel voor dekking van werkzaamheden vanaf 1 januari 2001. Op 18 december 2001 zond Aon een faxbrief met een voorstel tot verlenging van haar aansprakelijkheidsverzekering, waarin zij schreef dat vorig jaar (dat is: 2001) door opname van de verplichting leveringsvoorwaarden te hanteren er feitelijk geen dekking voor de retopping was, zodat vanaf 1 januari a.s. opnieuw zou worden begonnen. Daarbij vermeldde AON dat, indien Bolidt ook het risico voor aanspraken uit werkzaamheden vóór 2002 wilde verzekeren, zij haar relevante omzetgegevens diende op te geven, zodat een premie kon worden vastgesteld. Op 28 februari 2002 bracht Aon een bezoek aan Bolidt en noteerde daarover in haar bezoekverslag dat cliënt teneinde inloop dekking USA Canada te realiseren voor de periode vóór 2002 een opgave diende te doen van de omzet in de twee jaar voor 2002. Op 4 juni 2002 gaf Bolidt de omzet over 2000 en 2001 door. Bij brief van 25 september 2002 heeft Aon het polisblad voor de aansprakelijkheidsverzekering over 2002 naar Bolidt gezonden en op 18 november 2002 de door verzekeraars ondertekende polis. Krachtens clausule VX002-002 waren mede verzekerd de aanspraken naar het recht van de Verenigde Staten van Amerika en/of Canada die voortvloeien uit retopping werkzaamheden verricht op of na 1 januari 2002. Bovendien was voor deze werkzaamheden bepaald dat de schade moest zijn ontstaan en de aanspraak op schadevergoeding bij verzekeraars moest zijn ingediend gedurende de periode waarvoor de dekking terzake van deze werkzaamheden van kracht was (zgn loss occurrence en claims made dekking). Per 1 januari 2003 is de aansprakelijkheidverzekering stilzwijgend verlengd. In de loop van 2003 heeft een deel van de verzekeraars zijn participatie definitief opgezegd. Vervolgens heeft Aon de aansprakelijkheidsverzekering van Bolidt ondergebracht bij XL Insurance Company Limited (hierna: XL) met ingang van 1 januari 2004. Onder deze verzekering waren de aanspraken in de VS en Canada voor retoppingwerkzaamheden gedekt voor zover zij waren verricht op of na 1 januari 2002 en was verder vereist dat de schade waarvoor verzekerde aansprakelijk werd gehouden was ontstaan tijdens de looptijd van de verzekering (loss occurrence dekking).

In 2001 had Bolidt retoppingwerkzaamheden verricht aan boord van de Maasdam, een schip van de Holland Amerika Lijn (HAL). In 2002 gleed een zekere [X], een Amerikaans staatsburger, uit op het Lidodek en stelde HAL aansprakelijk voor zijn schade. In 2004 heeft HAL op haar beurt Bolidt voor deze schade aansprakelijk gesteld. Na telefonisch bericht in februari 2004 meldde Bolidt de schade op 24 september 2004 aan haar verzekeraars. HAL heeft [X] $ 2.250.000,- betaald. Bolidt heeft aan HAL € 350.000,- betaald. De claim bleek niet te zijn gedekt onder de XL-verzekering, omdat het werkzaamheden betrof die voor 1 januari 2002 waren verricht.

3. Bolidt heeft Aon aangesproken tot vergoeding van haar schade omdat zij bij de bemiddeling ten behoeve van Bolidt met betrekking tot het verzorgen van verzekeringsdekking voor retoppingwerkzaamheden in het jaar 2001 niet als zorgvuldig tussenpersoon heeft gehandeld. De rechtbank heeft de vordering afgewezen. Zij heeft allereerst vastgesteld dat de laatste polis (de XL-polis) als nieuwe polis moest worden aangemerkt en niet als voortzetting van de oude polis (de Hannover-polis). Vervolgens heeft zij geoordeeld dat het causaal verband tussen de gestelde schade en de gestelde tekortkomingen ontbreekt, omdat ook als Aon de haar verweten gedragingen niet had verricht, de schade van Bolidt niet gedekt zou zijn. Onder de Hannover-polis zou de schade niet gedekt zijn omdat de schade pas is gemeld na beëindiging van de dekking en onder de XL-polis niet omdat de schade is ontstaan vóór de ingangsdatum van deze verzekering. De grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het causaal verband ontbreekt.

4. Het hof is van oordeel dat, gelet op hetgeen in hoger beroep door Bolidt is aangevoerd, de vraag naar de aanwezigheid van causaal verband tussen de gestelde tekortkomingen van AON en de schade niet zonder nadere bewijslevering kan worden beantwoord. In verband daarmee acht het hof het geraden om eerst de vraag te bespreken of sprake is van (een) tekortkoming(en) van AON. Hierbij stelt het hof voorop dat voor toewijzing van de vordering van Bolidt is vereist dat komt vast te staan dat indien AON niet zou zijn tekortgeschoten de retoppingwerkzaamheden over 2001 onder de verzekeringsdekking zouden zijn gebracht en dat het dekkingshiaat dat zich thans bij de overgang per 1 januari 2004 naar de XL-polis heeft gerealiseerd zich niet zou hebben voorgedaan. Alleen in dat geval zou de Maasdamclaim immers zijn gedekt onder de verzekeringspolis van Bolidt.

5. Bolidt verwijt Aon in de eerste plaats dat zij, ondanks dat verzekeraars daartoe bereid waren, niet heeft bewerkstelligd dat in de polissen over de jaren 2001 tot en met 2003 werd opgenomen dat voor retoppingwerkzaamheden, verricht op Amerikaanse schepen op of na 1 januari 2001, dekking bestond. Zij stelt daartoe dat zij het voorstel als vermeld in de faxbrief van Aon van 10 juli 2001, op 16 augustus 2001 heeft aanvaard en dat zij, na de fax van Aon van 18 december 2001 en de bespreking van 28 februari 2002, in juni 2002 de omzetcijfers heeft opgestuurd en nooit heeft vernomen dat de door haar gewenste dekking niet was verkregen.

6. Het hof neemt bij de beoordeling het volgende tot uitgangspunt. Aon was al vele jaren de vaste assurantiepersoon van Bolidt. Tussen partijen staat vast dat Bolidt er vanaf eind 2000 bij Aon op heeft aangedrongen om haar aansprakelijkheid voor aan boord van Amerikaanse schepen verrichte werkzaamheden te verzekeren. Verder neemt het hof met de rechtbank tot maatstaf dat een assurantietussenpersoon die zorg dient te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsbeoefenaar mag worden verwacht. De aard en omvang van die zorgplicht hangt onder meer af van de aard en de inhoud van de cliëntrelatie en de verleende opdracht. In het onderhavige geval diende Aon er naar het oordeel van het hof voor te zorgen dat de aansprakelijkheid van Bolidt werd verzekerd zoals zij had verzocht dan wel, als haar bleek dat zo'n verzekering niet te verkrijgen was, Bolidt daarover te informeren en te adviseren hoe dan te handelen.

7. Op 10 juli 2001 heeft Aon aan Bolidt een conceptbrief gezonden, waarin een voorstel voor een nieuwe verzekeringsdekking is opgenomen. In de begeleidende brief vermeldt zij dat verzekeraars het verzekerd bedrag wensen te verlagen tot NLG 5 mio p.g. indien Bolidt haar leveringsvoorwaarden niet kan hanteren. De tekst van het voorstel luidt (onder meer):

"7. Uw eigen leveringsvoorwaarden worden vaak (noodgedwongen) overruled door leveringsvoorwaarden van de opdrachtgevers.

De basis voor de offerte die wij u thans doen is onze brief d.d. 7 februari 2001 doch aangevuld/gewijzigd op basis van de nieuwe gegevens. De wijziging is dat zowel nieuwbouwapplicatie als re-topping m.b.t. VS/Canada claims verzekerd wordt" (...)

"Eigen risico USD 25.000,-- per aanspraak. Als gevolg van het hiervoor onder punt 7 gestelde wensen verzekeraars het eigen risico te verhogen van USD 10.000,-- naar USD 25.000,-. ”

8. Het hof is met Bolidt van oordeel dat deze brief een voldoende concreet uitgewerkt voorstel bevatte voor een verzekering van de Amerika/Canada aanspraken, ook voor het geval dat Bolidt haar eigen leveringsvoorwaarden niet kon hanteren. Aon stelt weliswaar dat het om een conceptvoorstel ging en dat met punt 7 slechts wordt gedoeld op het geval dat Bolidt wel haar eigen voorwaarden hanteerde, maar uiteindelijk toch de voorwaarden van de opdrachtgever voorgaan, maar de combinatie van de begeleidende brief en de tekst van punt 7, in combinatie met het gegeven dat voorafgaand aan dit voorstel op 22 mei 2001 tussen Aon en Bolidt is gesproken over juist dit punt (het niet door Bolidt kunnen hanteren van haar leveringsvoorwaarden) brengt mee dat Bolidt de brief wel als een voorstel in de door haar uitgelegde zin heeft mogen opvatten dat voor aanvaarding gereed lag. Maar ook indien dit niet het geval is, als Bolidt derhalve ten onrechte uitging van een voorstel dat voor aanvaarding in aanmerking kwam, dan nog diende Aon, op het moment dat haar bleek dat Bolidt van die voorstelling van zaken uitging, gelet op de van haar te vergen zorg, hetzij Bolidt direct uit de droom te helpen, hetzij zich aanstonds in te spannen om de verzekering, zoals Bolidt dacht dat deze werd aangeboden, af te sluiten. Daarvoor is echter vereist dat Aon ervan op de hoogte was dat Bolidt destijds zo'n verzekering wenste te sluiten. Bolidt heeft gesteld dat zij op 16 augustus 2001 in een telefoongesprek het voorstel van Aon van 10 juli 2001 heeft aanvaard. Aon heeft betwist dat aanvaarding heeft plaatsgevonden. Bolidt, op wie de bewijslast van haar stelling rust, zal in de gelegenheid worden gesteld te bewijzen dat zij op 16 augustus 2001 in een telefoongesprek aan Aon heeft medegedeeld dat zij het op 10 juli 2001 gedane voorstel aanvaardde.

9. Als Bolidt in dat bewijs slaagt, staat vast dat Aon ervan op de hoogte was of behoorde te zijn dat Bolidt in augustus 2001 een verzekering wenste te sluiten zoals voorgesteld in de brief van 10 juli 2001 en diende Aon hetzij voor deze verzekering zorg te dragen hetzij Bolidt op de hoogte te stellen dat zij een verzekering met die inhoud niet kon sluiten. Het hof stelt vast dat Aon niet (gemotiveerd) heeft aangevoerd dat de verzekering, indien aangevraagd, in deze periode, omstreeks augustus 2001, niet onder te brengen zou zijn op de in de brief van 10 juli 2001 genoemde condities. Een en ander blijkt uit de verklaring van [naam specialist], specialist aansprakelijkheidsverzekering bij Aon, op de comparitie van partijen in eerste aanleg dat verzekeraars wellicht eind 2001 de bereidheid hadden om het inlooprisico over 2001 te verzekeren, maar dat deze bereidheid gedurende de onderhandelingen in 2002 is verdwenen. Daarnaast wijst het hof op de brief van 22 november 2007 van [naam lid Raad van bestuur], lid van de Raad van bestuur van HDI-Gerling Verzekeringen N.V. (die in 2001 namens Hannover de onderhandelingen met Aon voerde), waarin staat dat het op zich juist is dat oorspronkelijk is aangeboden om dekking te bieden voor het inlooprisico voor schade ontstaan na 1 januari 2001, maar dat verzekeraars daartoe uiteindelijk niet meer bereid waren gelet op de uitkomsten van de onderhandelingen en het tijdstip waarop dat is gebeurd.

10. Het tweede verwijt dat Bolidt Aon maakt, is dat zij zich ná 18 december 2001 onvoldoende heeft ingespannen om dekking te verkrijgen vanaf 1 januari 2001 en dat zij Bolidt onvoldoende heeft geïnformeerd dat die dekking er niet was.

11. Dit verwijt treft doel. Aon schreef in haar faxbrief van 18 december 2001 dat door opname van de verplichting om leveringsvoorwaarden te hanteren er feitelijk geen dekking voor retopping was, dat zij vanaf 1 januari 2002 opnieuw begon en dat als Bolidt het risico voor aanspraken die betrekking hebben op werkzaamheden van vóór 1 januari 2002 wilde verzekeren zij de relevante omzetcijfers diende op te geven om de premie vast te stellen. In elk geval op 28 februari 2002 is hierover gesproken en is vastgesteld dat teneinde inloop dekking USA/Canada te realiseren voor de periode vóór 2002 Bolidt een opgave diende te doen van de omzet in de twee jaar voor 2002. Hieruit kan worden afgeleid dat het op dit moment nog steeds aan Aon duidelijk was dat Bolidt een eerdere dekking wenste dan per 1 januari 2002. Vast staat dat Bolidt de gevraagde omzetcijfers op 4 juni 2002 aan Aon heeft gezonden. Op dat moment mocht Bolidt er naar het oordeel van het hof op vertrouwen, behoudens tegenbericht van Aon, dat ook de aanspraken voortvloeiende uit werkzaamheden van vóór 1 januari 2002 waren gedekt. Het enkele feit dat hiervoor door verzekeraars nog een premie berekend moest worden, acht het hof onvoldoende zwaarwegend voor een ander oordeel. Aon had Bolidt dienen te informeren dat de verzekeringsdekking over 2001 niet tot stand was gekomen. Het toesturen van de polis in november 20002, waaruit één en ander blijkt, acht het hof onvoldoende. In elk geval had Aon Bolidt dienen te waarschuwen op het moment dat het haar duidelijk werd, zoals zij stelt, dat de verzekeraars niet langer bereid waren om het inlooprisico vóór 1 januari 2002 te dekken, zodat Bolidt, die naar Aon wist belang had bij eerdere dekking, zich over haar positie had kunnen beraden en had kunnen onderzoeken of de door haar gewenste verzekeringsdekking elders wel verkregen kon worden.

12. Aon betwist dat er causaal verband is tussen eventuele onvoldoende informatieverstrekking en het niet gedekt zijn van de Maasdamclaim omdat Bolidt onder de gegeven omstandigheden ook bij een andere verzekeraar geen dekking had kunnen krijgen voor de Amerika/Canada aanspraken met een retroactieve datum van vóór 1 januari 2002. Bolidt die stelt dat dit wel het geval is zal moeten bewijzen dat zij, als Aon haar in juni 2002 had gewaarschuwd dat er geen bereidheid meer bij de verzekeraars bestond om het inlooprisico vóór 1 januari 2002 te dekken, een verzekering had kunnen sluiten (tegen een reële premie) die dat inlooprisico wel dekte. Het beroep van Bolidt op de omkeringsregel wordt verworpen. De door Aon geschonden norm is de algemene norm dat zij de zorg van een redelijk handelend en redelijk bekwaam beroepsuitoefenaar dient te betrachten. Zij is te weinig toegesneden om toepassing van de omkeringsregel te rechtvaardigen (vgl. HR 19 maart 2004, LJN AO1299).

13. Aon heeft nog gesteld dat Bolidt, gelet op het bepaalde in artikel 6:89 BW te laat heeft geklaagd. Dat beroep op het verzaken van de klachtplicht wordt verworpen. Wat betreft het eerste verwijt (het niet tot stand brengen van dekking in 2001) heeft Bolidt terecht aangevoerd dat zij, toen zij er op 18 december 2001 van op de hoogte raakte dat de dekking in 2001 niet was gerealiseerd, aannam en mocht aannemen dat Aon die dekking toen alsnog zou gaan verzorgen. Wat betreft de in 2002 geschonden zorgplicht heeft Bolidt aangevoerd dat zij pas door de brief van Aon van 29 november 2005, waarin Aon liet weten dat er geen dekking was voor de Maasdamclaim, ervan op de hoogte raakte dat de periode vóór 2002 niet was gedekt en dat zij toen direct - bij brief van 1 december 2005 - daartegen heeft geprotesteerd. De tegenwerping van Aon dat Bolidt al in 2002 van het ontbreken van dekking over 2001 op de hoogte kon zijn door de toegezonden polissen, leidt niet tot een andere conclusie. Bolidt heeft immers gesteld, en Aon heeft dat onvoldoende weersproken, dat zij op 25 september 2002 een kopiepolis ontving, waaruit niet bleek dat er geen dekking was vóór 1 januari 20021. De dekkingsdatum stond pas in de polis van 18 november 2002 (productie 17 bij dagvaarding), maar dan op bladzijde 10 zonder aanwijzing daarvoor in de begeleidende brief, zodat Bolidt daarop niet bedacht behoefde te zijn.

14. In de derde plaats verwijt Bolidt Aon dat zij er niet voor heeft zorggedragen dat de verzekeringen van Bolidt goed op elkaar aansloten, doordat – kort gezegd - zij de Hannoverpolis met de claims-made-dekking liet volgen door de XL-polis met een loss-occurrencedekking, zonder in de XL-polis het hiaat te dekken met betrekking tot reeds voor de ingangsdatum van de polis voorgevallen schades die nog niet tot een claim hadden geleid.

15. Het hof is van oordeel dat een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon, gelet ook op de in rov. 6 genoemde omstandigheden, het door Bolidt geschetste hiaat diende te voorkomen dan wel, indien dat niet mogelijk was, haar opdrachtgever diende te waarschuwen dat er een gat in de dekking zou ontstaan. Aon heeft in dit verband aangevoerd dat de XL-polis voor Bolidt aanzienlijke voordelen bood, en dat zij Bolidt wel degelijk heeft geïnformeerd over de aansluitperikelen tussen de oude en de nieuwe polis en de verschillen tussen de claims-madedekking en de loss-occurrence-dekking. Aon verwijst in dit verband (mva, nr. 32) naar besprekingen ten tijde van de overgang van de 2002- naar de 2003-dekking. Aon stelt echter niet (gemotiveerd en onderbouwd) dat zij Bolidt bij de overgang naar de XL-pollis uitdrukkelijk heeft gewaarschuwd voor het per 1 januari 2004 ontstane dekkingshiaat. Daarmee is AON naar het oordeel van het hof tekortgeschoten in haar informatieplicht jegens Bolidt.

16. Aon heeft tot haar verweer aangevoerd dat er wel degelijk een overgangsvoorziening is getroffen, namelijk de zogenaamde nameldingsperiode onder de Hannoverpolis. Tijdens het pleidooi is echter gebleken dat de clausule VC021-113 (productie 25, blz. 35) geen verlenging van de dekking bevat in die zin dat ná beëindiging van de polis ter kennis van de verzekerde gekomen aanspraken gedurende een zekere termijn nog kunnen worden gemeld, maar slechts de mogelijkheid geeft om ten tijde van de beëindiging al bekende omstandigheden die tot een aanspraak kunnen leiden, nog gedurende drie maanden na beëindiging van de polis te melden. Van een daadwerkelijke verlenging van dekking, laat staan van een afdoende overgangsvoorziening voor het hiervoor omschreven polishiaat, is derhalve geen sprake.

17. Verder heeft Aon tot haar verweer aangevoerd dat er geen causaal verband is tussen de haar verweten gedraging en de schade, omdat Bolidt geen verzekeraar bereid had kunnen vinden om dekking te bieden voor vanaf 1 januari 2001 verrichte werkzaamheden.

18. Het hof acht de stelling van Bolidt, dat áls de Hannoverpolis dekking had geboden voor retoppingwerkzaamheden vanaf 1 januari 2001, XL deze dekkingsperiode zou hebben overgenomen, nu zij thans ook de datum van 1 januari 2002 heeft overgenomen, aannemelijk. Dat betekent dat, indien Bolidt slaagt in het onder 12 bedoelde bewijs, zij eveneens voorshands is geslaagd in het bewijs dat verzekeraars in 2004 bereid zouden zijn om de werkzaamheden te dekken met ingang van 1 januari 2001.Het hof tekent in dit verband aan dat Bolidt een offerte heeft overgelegd van Fortis Corporate Insurance N.V. die in februari 2008 Bolidt nog de mogelijkheid biedt om het voorrisico gedurende een termijn van zes jaren te dekken. Aon, die gemotiveerd heeft betwist dat het in 2003/2004 mogelijk zou zijn geweest om hetzij onder de oude polis het uitlooprisico te dekken (door het opnemen van een uitgebreidere nameldingsclausule dan in clausule VC021-113 is geschied), hetzij onder de nieuwe polis het inlooprisico vanaf 1 januari 2001 te dekken, zal worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs.

19. De slotsom van het voorgaande is dat Bolidt zal worden toegelaten tot de in rov. 8 omschreven bewijslevering. Na afloop van de bewijslevering op dit punt, zal een comparitie van partijen worden gelast om te overleggen over de vraag of het aanbeveling verdient om met betrekking tot de in rov. 12 en 18 bedoelde punten een deskundigenbericht te gelasten en zo ja, wie als deskundige(n) zal (zullen) worden benoemd en welke vragen aan de deskundige(n) zullen worden gesteld. Ook zal dan worden bezien of partijen het op een of meer punten eens kunnen worden. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

Beslissing

Het hof:

recht doende in hoger beroep:

  • -

    laat Bolidt toe tot de in rov. 8 omschreven bewijslevering;

  • -

    bepaalt dat, indien Bolidt getuigen wil doen horen, de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een der zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te
    ’s-Gravenhage ten overstaan van de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. M.M. Olthof, op donderdag 21 april 2011 om 9.30 uur;

  • -

    bepaalt dat, indien één der partijen binnen veertien dagen na heden, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen en de te horen getuigen in de maanden april tot en met juli van 2011, opgeeft dan verhinderd te zijn, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de getuigenverhoren zal vaststellen;

  • -

    verstaat dat het hof reeds beschikt over een kopie van de volledige procesdossiers, zodat overlegging daarvan voor het getuigenverhoor niet nodig is;

en voorts:

- beveelt partijen, deugdelijk vertegenwoordigd door een persoon die van de zaak op de hoogte is en bevoegd is om een schikking aan te gaan, bij het getuigenverhoor aanwezig zijn met het oog op de in rov. 19 genoemde doeleinden;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.Th. van der Hoeven-Oud, mr. M.M. Olthof en A.E. Veerman en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 maart 2011in aanwezigheid van de griffier.

1 Pleitnota punt 67.