Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BR0630

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-10-2010
Datum publicatie
11-07-2011
Zaaknummer
200.049.780.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

(Geen) wijziging van omstandigheden en kostenveroordeling in appel én eerste aanleg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 20 oktober 2010

Zaaknummer : 200.049.780/01

Rekestnr. rechtbank : 09-604

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. V.C. Dekker te ‘s-Gravenhage,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M. van Gemert te ’s-Gravenhage.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 24 november 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 25 augustus 2009 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

De vrouw heeft op 13 januari 2010 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De man heeft op 26 februari 2010 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 7 januari 2010 en 6 september 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 6 september 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 15 september 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man en de vrouw, bijgestaan door hun advocaat. Partijen hebben het woord gevoerd, de raadslieden van partijen onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities. De man heeft ter terechtzitting zijn beroep gewijzigd in die zin, dat de door hem verschuldigde bijdrage in de kosten van levensonderhoud voor de vrouw dient te worden gesteld op € 640,- per maand.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is onder meer het verzoek van de man tot wijziging van de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw (hierna ook te noemen: partneralimentatie) afgewezen. Voorts is bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt en het meer of anders verzochte ten aanzien van de proceskosten is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de afwijzing van het verzoek tot wijziging van de door de man te betalen partneralimentatie.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover daarin is bepaald dat het verzoek van de man tot wijziging van de partneralimentatie is afgewezen en, opnieuw beschikkende, de door de man verschuldigde partneralimentatie met ingang van 1 augustus 2008, althans 18 juni 2009 vast te stellen op een bedrag van € 1.153,84 per maand, althans een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum die het hof in goede justitie voorkomt.

3. De vrouw bestrijdt het beroep en verzoekt het door de man verzochte af te wijzen en de bestreden beschikking gedeeltelijk te bekrachtigen en deels te vernietigen, in die zin dat opnieuw beschikkende zal worden bepaald dat de man wordt veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg en met veroordeling van de man in de kosten van dit hoger beroep. In voorwaardelijk incidenteel appel verzoekt de vrouw het hof, indien het hof zou vaststellen dat er sprake is van een wijziging van een omstandigheid op grond waarvan de huidige partneralimentatie niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het door de man verzochte af te wijzen en de bestreden beschikking te vernietigen, en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de man met ingang van 1 augustus 2008 een bedrag van € 2.800,- per maand aan alimentatie aan de vrouw dient te voldoen, althans een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum die het hof juist acht, met veroordeling van de man in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep.

4. De man verzet zich daartegen.

Principaal appel

5. De man heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd, die ertoe moeten leiden dat de door de hem verschuldigde partneralimentatie op een lager bedrag dan door de rechtbank in de bestreden beschikking is bepaald, wordt gesteld. De meest verstrekkende grief strekt tot het oordeel van de rechtbank dat er geen sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden op grond van de overweging dat de door de man gestelde gewijzigde omstandigheden reeds in de procedure bij het Gerechtshof aan de orde zijn gesteld en hebben geleid tot de beschikking van 15 oktober 2008. Volgens de man is er wel sprake van een nieuwe en rechtens relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW en is het oordeel van de rechtbank dat er geen sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden onjuist.

6. Ter toelichting stelt de man dat in de onderhavige procedure is gebleken dat hij sinds

5 augustus 2008 in loondienst werkt bij de gemeente [naam gemeente]. De man meent dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan deze rechtens relevante wijziging van omstandigheden. Dat de rechtbank kennis had van de die omstandigheid blijkt onder meer uit het feit dat de rechtbank in haar beschikking zelf aangeeft dat de man sinds 5 augustus 2008 werkzaam is bij de gemeente. Het feit dat de man vanaf 5 augustus 2008 een inkomen uit dienstverband geniet houdt immers eveneens een wijziging van de financiële omstandigheden van de man in welke aanleiding geeft voor een beoordeling of de door de man verschuldigde alimentatie nog aan de wettelijke maatstaven voldoet. Voormelde omstandigheid is volgens de man echter niet aan de orde geweest in de procedure bij het Gerechtshof welke heeft geleid tot de beschikking van 15 oktober 2008. Verder heeft de man het vermoeden dat de vrouw inkomsten uit erfenis en legaat heeft verzwegen.

Het hof overweegt als volgt.

7. Op de voet van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering brengt een goede procesorde met zich mee dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.

8. Vaststaat dat de man sedert 5 augustus 2008 in loondienst werkzaam is bij de gemeente [naam gemeente]. Ten tijde van de mondelinge behandeling bij het Gerechtshof op 5 september 2008 heeft de man dit gegeven niet naar voren gebracht. Blijkens de beschikking van het hof van 15 oktober 2008 heeft het hof destijds ter zitting de man, tegen de achtergrond van de betwisting van de inkomensgegevens van de man door de vrouw, expliciet verzocht pensioengegevens en de aangifte Inkomstenbelasting 2007 over te leggen, teneinde een jusvergelijking te kunnen maken. De man heeft om hem moverende redenen geweigerd de laatstgenoemde gegevens over te leggen. Het hof had daardoor onvoldoende inzicht in de financiële situatie van de man. De man heeft noch in zijn beroepschrift noch ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zijn verzwijging van bovengenoemd relevant gegeven dat hij in loondienst werkte op een vergissing heeft berust. Gelet op de proceshouding van de man, is het hof van oordeel dat de man zich thans niet kan beroepen op een nieuwe en rechtens relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW, nu voormeld feit door zijn eigen nalaten niet aan de orde is geweest in de procedure bij het Gerechtshof welke heeft geleid tot de beschikking van 15 oktober 2008. De wijziging bestond al toen de man procedeerde bij het hof en nadien opnieuw bij de rechtbank. De eerste grief van de man faalt derhalve.

9. De man stelt verder dat de vrouw inkomsten uit erfenis en legaat heeft verzwegen en dat hij dit pas in september 2008 heeft vernomen. Hierdoor is sprake van een wijziging van omstandigheden. Deze inkomsten uit vermogen zouden volgens hem leiden tot een lagere alimentatie voor de vrouw.

10. Het hof is van oordeel dat deze grief eveneens faalt, nu uit de stukken en het besprokene is gebleken dat de erfenis van H. de Boer reeds bij de echtscheidingsprocedure ter sprake is gekomen en in de verdeling van de huwelijksgemeenschap door de rechtbank bij beschikking van 17 juni 2004 is betrokken. Bij het hof in 2008 is deze erfenis eveneens ter sprake gekomen. Van een nieuwe en relevante wijziging is derhalve geen sprake.

11. Gelet op het bovenstaande behoeven de overige grieven van de man geen bespreking meer.

Incidenteel appel

12. De vrouw heeft in incidenteel appel verzocht om de man te veroordelen in de kosten van de procedures in eerste aanleg en in hoger beroep, nu zij continu wordt geconfronteerd met procedures, die de man aanspant. De man heeft in de diverse procedures niet de gevraagde en benodigde gegevens verstrekt. Ook voldoet de man nog steeds niet vrijwillig de alimentatie.

13. Het hof zal het verzoek van de vrouw toewijzen. Gebleken is dat er geen grond aanwezig was voor het oorspronkelijke verzoek van de man om de alimentatie te wijzigen. Mede gezien de proceshouding van de man ziet het hof aanleiding om de man, die dat ongegronde verzoek in hoger beroep heeft herhaald, in de kosten van het geding in beide instanties te veroordelen.

Conclusie

14. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

veroordeelt de man in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van de vrouw begroot op € 1.105,-, gespecificeerd als volgt:

- € 201,- vast recht;

- € 904,- salaris advocaat;

veroordeelt de man in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de vrouw begroot op € 2.050,-, gespecificeerd als volgt:

- € 262,- vast recht;

- € 1.788,- salaris advocaat;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Stille en Van der Zanden, bijgestaan door Lekahena als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 oktober 2010.