Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BR0607

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-10-2010
Datum publicatie
11-07-2011
Zaaknummer
200.065.168.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijdrage in kosten van levensonderhoud jongmeerderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 20 oktober 2010

Zaaknummer : 200.065.168.01

Rekestnr. rechtbank : F1 RK 09-2723

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.P. Friperson te ‘s-Gravenhage,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de jongmeerderjarige,

advocaat mr. W.H.J.W. Brouwer te Rotterdam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 4 mei 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 5 februari 2010 van de rechtbank Rotterdam.

De jongmeerderjarige heeft op 28 juni 2010 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 21 juli 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 24 september 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de advocaat van de man, mr. G.A.J. Purperhart (kantoorgenoot van mr. M.P. Friperson), de jongmeerderjarige, bijgestaan door zijn advocaat, mr. A. Ong Sien Hien (kantoorgenoot van mr. W.H.J.W. Brouwer). De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden (verstek)beschikking.

Bij die beschikking is – uitvoerbaar bij voorraad – bepaald dat de man aan de jongmeerderjarige met ingang van 4 januari 2009, als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie, voor wat betreft de na de datum van de bestreden beschikking te verschijnen termijnen telkens bij vooruitbetaling zal uitkeren € 750,- per maand.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

De jongmeerderjarige is op 4 januari 2009, 18 jaar geworden.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie voor de jongmeerderjarige.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, de door hem te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie op nihil te stellen, althans op een zodanig bedrag vast te stellen als het hof zal vermenen te behoren.

3. De jongmeerderjarige bestrijdt zijn beroep. Hij verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen, kosten rechtens.

Behoefte jongmeerderjarige

4. De man voert in zijn beroepschrift aan dat de behoefte van de jongmeerderjarige ten onrechte niet individueel is vastgesteld. Onduidelijk is onder meer welke opleiding de jongmeerderjarige volgt, of de jongmeerderjarige thuiswonend is en of de jongmeerderjarige studiefinanciering ontvangt. Naar oordeel van het hof slaagt deze grief in zoverre het betreft het bepalen van de behoefte van de jongmeerderjarige.

5. Het hof stelt voorop dat, blijkens het verweerschrift in hoger beroep, de jongmeerderjarige zijn behoefte met ingang van 4 januari 2009 op een bedrag van € 461,71 per maand stelt en met ingang van januari 2010 op een bedrag van € 472,61 per maand, in plaats van de door hem in eerste aanleg gestelde € 750,- per maand.

6. Het hof is uit de stukken en het besprokene ter zitting evenwel genoegzaam gebleken dat de jongmeerderjarige een voltijds MBO-opleiding volgt, niveau 2. Hij woont bij zijn moeder en ontving in 2009 aan studiefinanciering een bedrag van € 73,56 per maand aan basisbeurs. Daarnaast leende de jongmeerderjarige, blijkens het door hem in het geding gebrachte ‘Bericht Studiefinanciering’ van 30 oktober 2009, vanaf november 2009 het maximale bedrag van € 461,71 per maand. In het licht van het voorgaande is het hof van oordeel dat de jongmeerderjarige voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij studeert en ingeschreven staat als student. De behoefte van de jongmeerderjarige wordt ingaande november 2009 bepaald op het door hem gestelde bedrag van € 461,71 per maand en ingaande januari 2010 op € 472,61 per maand over 2010.

Draagkracht moeder

7. Het hof overweegt als volgt. De moeder van de jongmeerderjarige ontvangt een WWB-uitkering, waarbij aannemelijk is gemaakt dat zij geen draagkracht heeft om bij te dragen in de kosten van levensonderhoud en studie van de jongmeerderjarige.

Draagkracht vader

8. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat van de man verklaard dat de man eerst vanaf januari 2010 onvoldoende draagkracht heeft om een onderhoudsbijdrage te voldoen, omdat de man vanaf dat moment een WW-uitkering ontvangt. Uit het standpunt van de man volgt dat zijn draagkracht toereikend moet worden geacht om bij te dragen in de kosten van levensonderhoud en studie over het jaar 2009, zoals thans door de jongmeerderjarige gesteld en onderbouwd vanaf november 2009 op € 461,71 per maand.

9. In geschil is nog de draagkracht van de man met ingang van januari 2010. De man heeft als productie 6 bij brief van 15 juli 2010 een draagkrachtberekening over 2010 overgelegd. Het hof neemt deze berekening als uitgangspunt bij de bepaling van zijn draagkracht, met dien verstande dat als netto maandinkomen een bedrag van € 1.159,16 in aanmerking wordt genomen (te vermeerderen met een kindgebonden budget van € 110,17 per maand alsmede vakantiegeld), in plaats van het door de man opgevoerde netto maandbedrag van € 1.070,-, nu dit laatste bedrag een vierwekelijkse (WW)-periode betreft.

10. De man is hertrouwd. Zijn huidige echtgenote heeft blijkens de jaaropgaaf 2009 in dat jaar een inkomen genoten van € 21.790,- bruto. Nu zij in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, houdt het hof bij de bepaling van de draagkracht van de man rekening met de bijstandsnorm voor een alleenstaande, in plaats van de door de man opgevoerde gezinsnorm.

11. Ten aanzien van de opgevoerde lasten houdt het hof rekening met een bedrag van € 300,86 per maand aan kale huurlasten (zijnde de helft van de kale huurlasten van € 601,72 per maand, waarvan de helft voor rekening van de huidige echtgenote komt). De premie zorgverzekering bedraagt € 112,32 per maand, met welk bedrag rekening wordt gehouden.

12. Het hof houdt verder rekening met een schuld aan [naam schuldeiser] van € 36.560,62, waarop de man met een bedrag van € 401,- per maand aflost, nu de man deze schuld genoegzaam heeft aangetoond. Geen rekening wordt gehouden met het meerdere opgevoerde bedrag van € 548,19 per maand, omdat de man dit - tegenover de betwisting door de jongmeerderjarige - niet nader heeft onderbouwd.

13. Uit het bovenstaande volgt dat de draagkracht van de man met ingang van 1 januari 2010 geen bijdrage voor de jongmeerderjarige toelaat, zodat de bestreden uitspraak moet worden vernietigd.

14. Mitsdien moet als volgt worden beslist.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw beschikkende:

bepaalt de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie voor de jongmeerderjarige ten laste van de man, met ingang van 1 november 2009 op € 461,71 per maand, en met ingang van 1 januari 2010 op nihil;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mos-Verstraten, Dusamos en Burgers-Thomassen, bijgestaan door Lekahena als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 oktober 2010.