Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BQ8233

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
22-06-2011
Zaaknummer
200.051.266
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

voogdij en gezag, artikel 1:253 d tweede lid BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 28 juli 2010

Zaaknummer : 200.051.266.01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 09-1640

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. R. Aboukir te Hedel,

tegen

[geintimeerde]

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de tante moederszijde,

advocaat mr. V.C. Dekker te ’s-Gravenhage.

Als belanghebbende is aangemerkt:

Stichting Bureau Jeugdzorg,

vestiging ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,

verder: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 9 december 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 9 september 2009 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

De tante moederszijde heeft geen verweerschrift ingediend.

De raad heeft op 3 maart 2010 een verweerschrift ingediend.

Jeugdzorg heeft op 3 maart 2010 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op [in] 2009 en 1 februari 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 12 mei 2010 is de zaak, tezamen met de zaken met de nummers: 200.007.232, 200.007.228 en 200.007.223, mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en de tante moederszijde, bijgestaan door haar advocaat. Namens de raad is verschenen: [naam]. Namens Jeugdzorg zijn verschenen: [naam] en [naam]. De aanwezigen hebben het woord gevoerd, mr. Dekker en mr. Aboukir onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

De moeder is op [datum] overleden.

Bij de bestreden beschikking is - uitvoerbaar bij voorraad - Jeugdzorg benoemd tot voogdes over de minderjarigen:

[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] [in] 1998, verder: [minderjarige 1],

[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] [in] 2000, verder: [minderjarige 2],

[minderjarige 3], geboren te [geboorteplaats] [in] 2002, verder: [minderjarige 3],

hierna tezamen ook te noemen: de kinderen.

De kinderen verblijven bij de tante moederszijde.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de uitoefening van het gezag/de voogdij over de kinderen.

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad hem te belasten met het ouderlijk gezag over de kinderen.

3. De raad verzoekt primair de bestreden beschikking te bekrachtigen. Subsidiair verzoekt de raad een ondertoezichtstelling uit te spreken, alsmede een machtiging strekkende tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg (netwerkpleeggezin), zodat hun verblijf bij de tante moederszijde gewaarborgd blijft.

4. Jeugdzorg bestrijdt het beroep.

5. De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte niet het toetsingskader van artikel 1:253d van het Burgerlijk Wetboek heeft gehanteerd. De rechtbank had dienen te beoordelen of bij toewijzing van het verzoek van de vader gegronde vrees bestaat dat de belangen van de kinderen worden verwaarloosd. De vader stelt dat bij toewijzing van het gezag aan hem, er geen sprake is van een dreiging van verwaarlozing van de belangen van de kinderen. Van enige contra-indicatie is volgens hem evenmin sprake. Daarnaast stelt hij dat de raad/Jeugdzorg niet met de voogdij kon worden belast, omdat de voorlopige voogdij reeds was vervallen op basis van artikel 1:241, vijfde lid BW. De vader is dan ook van mening dat de bestreden beschikking vernietigd moet worden.

6. De raad betwist dat de rechtbank een onjuist toetsingskader heeft toegepast. De raad heeft in zijn verweerschrift gesteld dat er gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging van het verzoek van de vader de belangen van de kinderen worden verwaarloosd. In het geval het gezag naar de vader zou gaan, acht de raad het, vanwege de verstoorde familieverhoudingen en de reële kans dat de kinderen hierdoor klem komen te zitten, daarbij genomen de traumatische gebeurtenis die zij te verwerken hebben en de rust die daarbij geboden is, nodig dat de kinderen onder toezicht worden gesteld en dat met een machtiging uithuisplaatsing, hun verblijf bij de tante moederszijde wordt gewaarborgd.

7. Jeugdzorg acht het niet in het belang van de kinderen dat vader wordt belast met het ouderlijk gezag over hen. Een grote angst van de kinderen lijkt te zijn dat zij op den duur bij de vader moeten gaan wonen en weg moeten uit hun vertrouwde omgeving bij de tante moederszijde. Door de onrust rond de bezoeken met de vader lijken de kinderen nog steeds onvoldoende toe te komen aan het verwerken van het verlies van de moeder. Jeugdzorg acht het van belang dat zij belast blijft met de voogdij om de noodzakelijke rust en gevoelens van veiligheid voor de kinderen te kunnen garanderen.

8. De tante moederszijde is van mening dat er gegronde vrees bestaat dat de belangen van de kinderen worden verwaarloosd indien de vader met het gezag over hen zou worden belast. Zij acht het in het belang van de kinderen dat Jeugdzorg met de voogdij belast blijft.

9. Het hof overweegt als volgt. Het uitgangspunt van de wetgever is dat aan het gezag van een ouder de voorkeur moet worden gegeven boven een derde. Met de vader is het hof van oordeel dat op grond van artikel 1:253d, tweede lid, Burgerlijk Wetboek het verzoek van de vader slechts kan worden afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind worden verwaarloosd.

10. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat de kinderen zeer kwetsbaar zijn. De kinderen zitten midden in het rouwproces omtrent het verlies van hun moeder. De tante moederszijde heeft de kinderen na het overlijden van de moeder opgevangen en zij verblijven nog steeds bij haar, maar bij de kinderen leeft de angst dat zij bij de tante moederszijde weg moeten en bij de vader moeten gaan wonen. De vader heeft weliswaar nadrukkelijk verklaard dat hij niet van plan is de kinderen bij de tante moederszijde weg te halen, omdat hij hun verblijf bij haar in hun belang acht. Echter, dit laat onverlet de angst en onzekerheid die er bij de kinderen leeft over hun verblijfplaats. Die onrust en het daarmee gepaard gaande gevoel van onveiligheid is slecht voor de kinderen en derhalve niet in hun belang. Gebleken is dat de verstandhouding tussen de vader en de tante moederszijde ernstig is verstoord, mede als gevolg van de heftige relatieproblemen die destijds tussen de vader en de (overleden) moeder hebben gespeeld. De omgangsregeling tussen de vader en de kinderen stond zodanig onder druk dat Jeugdzorg het nodig heeft gevonden die omlaag te brengen. Daaruit blijkt naar het oordeel van het hof dat de situatie rondom de kinderen veel spanningen met zich brengt. Het hof acht het in het belang van de kinderen dat zij zich veilig voelen en dat zij er zeker van kunnen zijn dat zij bij de tante moederszijde kunnen blijven wonen. De kinderen moeten in staat gesteld worden het verlies van hun moeder te verwerken. Thans begint er een broos evenwicht te komen bij de kinderen. Het hof acht het niet in het belang van de kinderen om dat evenwicht te verstoren Het hof acht het risico onaanvaardbaar groot dat wanneer thans het gezag aan de vader zou worden opgedragen, dit zodanige onrust bij de kinderen teweegbrengt dat dit een negatieve uitwerking zal hebben op de kinderen, waardoor, ondanks hulp van derden, de belangen van de kinderen worden geschaad.

11. Dit alles brengt het hof tot het oordeel dat er gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging van het verzoek van de vader de belangen van de kinderen worden verwaarloosd. Het hof wijst het verzoek van de vader derhalve af en zal de bestreden beschikking in zoverre bekrachtigen.

12. De stelling van de vader dat de voorlopige voogdij reeds enige tijd was vervallen wegens het verstrijken van de termijn van artikel 1:251, vijfde lid BW snijdt geen hout. Uit de stukken blijkt immers dat de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden bij beschikking van 23 december 2008 belast is met de voorlopige voogdij over de kinderen, waarbij de termijn is bepaald op 12 weken na 10 december 2008. Het verzoek van de raad is ingekomen op 2 maart 2009 en derhalve binnen de genoemde termijn.

13. Ten overvloede overweegt het hof het volgende. Het vorenoverwogene neemt niet weg dat de vader in de toekomst meer betrokken kan worden bij zaken die de kinderen aangaan. Een goed verlopende omgangsregeling tussen de vader en de kinderen acht het hof in het belang van de kinderen en het hof gaat er dan ook van uit dat Jeugdzorg zich zal inspannen om het contact tussen de vader en de kinderen te herstellen en de vader een plaats te geven in het leven van de kinderen, voor zover dat niet strijdig is met hun belangen.

14. Mitsdien zal als volgt worden beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Pannekoek-Dubois, Dusamos en Hulsebosch, bijge¬staan door mr. Wijtzes als griffier, en uitgespro¬ken ter openbare terecht¬zitting van 28 juli 2010