Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BQ3513

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
04-05-2011
Zaaknummer
22-003343-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte is tijdens de nachtelijke uren onverhoeds de slaapkamer van het slachtoffer binnengedrongen, waar zij op dat moment lag te slapen. Vervolgens heeft de verdachte het slachtoffer in haar woning op gewelddadige wijze achtereenvolgens oraal, anaal, weer oraal en ten slotte vaginaal verkracht. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 47 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003343-10

Parketnummer: 09-607575-10

Datum uitspraak: 30 november 2010

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 2 juni 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1977,

adres: [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rijnmond, Huis van Bewaring "De IJssel" te Krimpen aan den IJssel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 16 november 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij is beslist als in het vonnis omschreven, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 07 februari 2010 te Alphen aan den Rijn door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) een vrouw, genaamd [aangeefster] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster], hebbende verdachte die [aangeefster] gedwongen te dulden dat verdachte zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of de mond en/of de anus van die [aangeefster] duwde/bracht, en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte (met een mes en/of een schaar in zijn handen) haar slaapkamer is binnengegaan en/of op haar benen is gaan zitten en/of een mes op haar keel heeft gezet en/of een aantal klappen in haar gezicht heeft gegeven en/of haar broek naar beneden heeft getrokken en/of in haar gezicht heeft gekrabt en/of haar op de grond heeft gegooid en/of in de buik heeft geschopt en/of aan de haren heeft getrokken en/of over de grond heeft voortgetrokken en/of - terwijl hij zich met haar in een badkamer bevond - de deur van die badkamer op slot heeft gedaan en/of haar schouders heeft vastgegrepen en/of haar naar de grond heeft geduwd en/of haar heeft belet de badkamer en/of haar woning te verlaten en/of (aldus) voor die [aangeefster] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman van de verdachte heeft primair bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging.

Hij heeft hiertoe overeenkomstig zijn pleitnotities - in de kern weergegeven - het volgende aangevoerd.

Op 7 februari 2010 is bij de verdachte zonder diens toestemming DNA-materiaal afgenomen. Ook is de verdachte door een forensisch arts aan het lichaam onderzocht. Deze onderzoekshandelingen zijn verricht alvorens de verdachte Bovendien blijkt uit het dossier niet zijn recht om hieraan voorafgaand een raadsman te consulteren, heeft kunnen effectueren. Voor wat betreft het lichamelijk onderzoek blijkt bovendien uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 februari 2010, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant], dat in gebrekkig Spaans met de verdachte is gecommuniceerd (deels met handen en voeten) over het lichamelijk onderzoek dat zou plaatsvinden, waardoor de door de verdachte gegeven toestemming tot dat onderzoek niet als rechtsgeldig kan worden aangemerkt. Bovendien blijkt uit het dossier niet van een voor dit onderzoek door een (hulp)officier van justitie gegeven toestemming.

Op 11 mei 2010 is opnieuw DNA-materiaal van de verdachte afgenomen, teneinde voormelde onrechtmatige afname te herstellen. In het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 18 mei 2010 wordt echter verwezen naar een eerder door dit instituut opgemaakt rapport van 19 februari 2010. Dit betekent dat het openbaar ministerie -op grond van dit eerder uitgebrachte rapport- reeds rond 19 februari 2010 op de hoogte was van de match van het DNA-materiaal van de verdachte en de op de aangeefster aangetroffen sporen. Het openbaar ministerie heeft dit rapport evenwel niet aan het dossier toegevoegd, maar voor de verdediging achtergehouden. Het openbaar ministerie heeft naar de mening van de verdediging opnieuw een DNA-onderzoek laten verrichten om de reeds aanwezige wetenschap van de match te kunnen bevestigen.

Door deze handelwijze van het openbaar ministerie is de verdachte op onherstelbare wijze in zijn verdediging geschaad. Het openbaar ministerie dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging van de verdachte.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt vast dat op 7 februari 2010 bij de verdachte DNA-materiaal is afgenomen zonder dat de verdachte in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord en zonder dat de verdachte van zijn bevoegdheid zich bij dat horen te laten bijstaan door een raadsman gebruik heeft kunnen maken, zoals vereist is in artikel 151b, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof stelt voorts vast dat ook het onderzoek aan het lichaam van de verdachte onrechtmatig is geschied, nu -gezien de gebrekkige communicatie hierover- de verdachte geen rechtsgeldige toestemming had gegeven tot dit onderzoek, terwijl ook overigens niet is voldaan aan de wettelijke eisen die gelden voor een dergelijk onderzoek.

Voornoemde onrechtmatigheid van de eerste afname van DNA-materiaal op 7 februari 2010 staat evenwel niet in de weg aan de rechtmatigheid van de tweede DNA-afname bij de verdachte op 11 mei 2010, nu deze tweede DNA-afname wel is geschied overeenkomstig de daartoe in artikel 151b, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde vereisten.

Het hof is van dan ook van oordeel dat de verdachte door die tweede -rechtmatige- afname niet in zijn verdediging is geschaad. Dat in het NFI-rapport d.d. 18 mei 2010 slechts is vermeld dat over het desbetreffende onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek eerder is gerapporteerd doet hieraan niet af.

Ten aanzien van hetgeen de raadsman heeft gesteld omtrent het ontbreken van het eerste rapport van het Nederlands Forensisch Instituut in het dossier, overweegt het hof dat niet aannemelijk is dat dit rapport doelbewust is achtergehouden om de onrechtmatigheid van de eerste DNA-afname te verheimelijken, nu het proces-verbaal van die afname op 7 februari 2010 en het proces-verbaal van de benoeming van de deskundige met betrekking tot die afname zich wel bij de stukken bevinden.

Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft de raadsman aangegeven zich ertegen te verzetten dat het rapport alsnog aan het dossier wordt toegevoegd.

Naar het oordeel van het hof kan de ontoelaatbare inbreuk die de eerste -onrechtmatige- DNA-afname en het onrechtmatig verrichte onderzoek aan het lichaam van de verdachte hebben gemaakt op diens lichamelijke integriteit niet door de rechtmatigheid van de tweede afname worden hersteld.

Deze inbreuk is evenwel niet zodanig dat dit leidt tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. Wel zal het hof deze onrechtmatige inbreuk verdisconteren in de strafmaat.

Ook overigens is niet gebleken dat het optreden van de met opsporing of vervolging belaste ambtenaren een zodanig ernstige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde oplevert dat doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan of dat er enige andere grond is voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging.

Het hof verwerpt het verweer.

Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.

Door het hof op basis van wettige bewijsmiddelen vastgestelde feiten en omstandigheden.1

Op 9 februari 2010 heeft [aangeefster] (hierna te noemen aangeefster) bij de politie aangifte gedaan van verkrachting in de woning aan de [adres aangeefster] te Alphen aan de Rijn, waar zij een kamer huurde. Ook de verdachte verbleef sinds enkele dagen in die woning. Aangeefster heeft in haar aangifte tegenover de politie verklaard dat zij in de nacht van 6 op 7 februari 2010 omstreeks 0.30 uur is gaan slapen op een matras die zij voor haar deur had gelegd. Daarna hoorde zij op enig moment iemand -naar even later bleek: de verdachte- aan haar deur kloppen. De verdachte duwde met de deur haar matras opzij en kwam vervolgens haar kamer binnen met in zijn linkerhand een mes en in zijn rechterhand een schaar. Terwijl aangeefster nog op het matras zat, ging de verdachte op haar benen zitten. Hij zette het mes op haar keel en wees op haar broek en haar coltrui en gaf haar het bevel zich uit te kleden. Aangeefster weigerde zich uit te kleden, waarna de verdachte haar tweemaal -tot bloedens toe- op het gezicht heeft geslagen, waarbij het bloed op haar matras kwam. Aangeefster heeft geprobeerd zich te verweren. Toen de verdachte aan aangeefster begon te trekken en aangeefster zich daartegen verzette, heeft de verdachte haar een derde klap in het gezicht gegeven. Aangeefster bracht haar handen naar haar gezicht en voelde het bloed op haar wangen en lippen. Ook zag zij bloed op haar handen. Op dat moment heeft de verdachte haar broek naar beneden getrokken. Ook heeft hij haar in het gezicht gekrabd. Aangeefster heeft de verdachte van zich afgeduwd en is naar het slaapkamerraam gerend om dit raam open te maken. Terwijl de verdachte dit raam weer sloot heeft aangeefster van de gelegenheid gebruik gemaakt haar slaapkamer uit te rennen richting de voordeur. Zij heeft geprobeerd de voordeur open te krijgen, maar deze was op slot. Het lukte haar het onderste haakje te openen. Terwijl aangeefster probeerde de deur open te krijgen, duwde de verdachte haar weg en gooide hij haar op de grond. Aangeefster schreeuwde, maar hij deed zijn hand op haar mond zodat ze niet verder kon schreeuwen. De verdachte heeft haar vervolgens in de buik geschopt. Aangeefster heeft verklaard dat ze daardoor veel pijn had. Vervolgens heeft de verdachte aangeefster op haar knieën aan haar haren meegetrokken naar de badkamer, waarna hij de deur van de badkamer op slot deed. Toen aangeefster in het Pools tegen de verdachte zei: "laat me los!" trok hij met kracht aan haar haar. De verdachte heeft vervolgens de trui van aangeefster omhooggetrokken. Toen bleek dat aangeefster de trui niet uit wilde trekken heeft de verdachte haar in het gezicht geslagen. Hierop heeft aangeefster de trui uitgetrokken. De verdachte heeft aangeefster bij haar schouders gepakt en naar beneden geduwd. Hij heeft zijn gulp open gemaakt, aangeefster bij de haren gepakt en heeft haar zijn penis in de mond laten nemen. Vervolgens heeft de verdachte aangeefster weggeduwd waardoor zij met haar gezicht op de grond viel. De verdachte had inmiddels zijn broek laten zakken en heeft zijn penis in de anus van aangeefster gestoken, waarbij hij krachtig aan haar haren trok. Aangeefster heeft verklaard dat zij hierbij vreselijke pijn in haar anus had. Ze vroeg hem op te houden en het duurde lang. Nadat de verdachte zijn penis uit haar anus had gehaald, heeft hij aangeefster op haar rug gedraaid. Nadat hij zijn broek had uitgetrokken, is hij met gespreide benen boven haar gezicht gaan staan en heeft hij zijn penis opnieuw in haar mond gestoken. Ook heeft hij haar door haar vast te pakken en aan haar haren

te trekken gedwongen met zijn penis te spelen en moest zij zijn testikels likken. Aangeefster heeft zich hier huilend tegen verzet. Zijn penis stonk enorm omdat er poep aan zat.

Na enige tijd heeft de verdachte aangeefster laten knielen en is hij achter haar gaan staan. Toen aangeefster haar arm strekte om bij de deurknop te komen heeft hij haar weer bij de haren gepakt en opnieuw op de grond gegooid. Hij sloeg haar in het gezicht en heeft haar weer laten knielen op handen en knieën, waarbij de verdachte achter haar knielde. Terwijl hij haar krachtig bij de schouders vasthield heeft hij zijn penis in haar vagina gestopt. Dat duurde voor het gevoel van aangeefster lang. Nadat hij een orgasme had gekregen is hij opgestaan, heeft de deur van de badkamer opengedaan en is naar de woonkamer gelopen, aangeefster huilend in de badkamer achterlatend. Na ongeveer 15 minuten heeft de verdachte aangeefster aan de haren meegetrokken naar de woonkamer en op de bank gegooid. Nadat de verdachte wat had gegeten en gedronken, heeft hij een matras naar de woonkamer gebracht en is daar op gaan liggen. Hij heeft aangeefster van de bank op het matras gegooid en stevig omhelsd. Na ongeveer vijf minuten is de verdachte in slaap gevallen. Toen aangeefster zeker wist dat hij sliep is zij naar haar kamer gegaan en heeft zij kleren aangetrokken. Nadat aangeefster haar sleutels en GSM had gepakt, is ze naar buiten gegaan. Vervolgens is zij naar de flat gegaan waar [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1]) woont. Daar aangekomen heeft ze met haar mobiele telefoon naar [betrokkene 1] gebeld, die hierop de deur heeft geopend en heeft zij [betrokkene 1] verteld wat er was gebeurd. Ook heeft ze met haar mobiele telefoon [betrokkene 2], de broer van de eigenaar van de woning, gebeld en heeft hem verteld wat er was gebeurd.2 Deze [betrokkene 2] regelt de zaken voor de eigenaar van de woning aan de [adres aangeefster] te Alphen aan den Rijn, [betrokkene 3] (hierna te noemen: [betrokkene 3]).3 Ook heeft aangeefster haar ex-vriend [ex-vriend aangeefster] (het hof begrijpt: [ex-vriend aangeefster]) gebeld. [ex-vriend aangeefster] is naar [betrokkene 1] gekomen. Hij heeft aangeefster, die schaars gekleed was, zijn jas gegeven en is met haar naar de politie gegaan.4

[betrokkene 1] (hierna te noemen: [betrokkene 1]) heeft verklaard dat zij op zondagochtend thuis door aangeefster werd gebeld, die zei: "Doe de deur open, doe de deur open." Aan de stem van aangeefster hoorde [betrokkene 1] dat er iets aan de hand was. Haar stem klonk anders dan normaal, alsof ze echt haast had. [betrokkene 1] had de indruk dat aangeefster overstuur was. Toen [betrokkene 1] de deur voor haar opendeed zag zij dat aangeefster slechts gekleed was in een bloesje. Desgevraagd heeft [betrokkene 1] verklaard dat zij het vreemd vond dat aangeefster zonder jas naar haar toe was gekomen. [betrokkene 1] heeft verklaard dat aangeefster heel erg chaotisch was en dat ze bleef herhalen: "Hij heeft mij verkracht, hij heeft mij verkracht." Aangeefster heeft [betrokkene 1] verteld dat zij verkracht was door een Marokkaan; dat hij haar een klap had gegeven en zich op haar had geworpen omdat hij seks met haar wilde; dat er duw- en trekwerk was geweest en dat ze weg wilde. Aangeefster vertelde voorts dat zij tot de deur van de ingang was gekomen en dat de Marokkaan haar toen had beetgepakt. De Marokkaan had haar aan de haren de kamer ingetrokken en heeft haar vervolgens verkracht. Aangeefster heeft [betrokkene 1] voorts verteld dat de Marokkaan met een mes tegen haar tekeer was gegaan en zij had daarbij haar vingers aan [betrokkene 1] laten zien. [betrokkene 1] had gezien dat aangeefster krassen in haar vingers had op de vingerkootjes. Aangeefster had ook verteld dat zij hem had moeten pijpen en dat zij (het hof begrijpt: met) hem had moeten neuken.5

[ex-vriend aangeefster] (hierna te noemen: [ex-vriend aangeefster]) heeft tegenover de politie verklaard dat hij op 7 februari 2010 's morgens een telefoontje van aangeefster kreeg waarin ze hem vertelde dat zij verkracht was en dat ze bij [betrokkene 1] zat. [ex-vriend aangeefster] is meteen naar het huis van [betrokkene 1] gegaan. [ex-vriend aangeefster] heeft verklaard dat hij krassen op haar wangen zag en dat zij schaafwonden links en rechts naast de neus had en blauwe plekken in de kaakstreek. Haar gezicht was opgezwollen. Aangeefster liet haar hand zien. [ex-vriend aangeefster] zag bloed in haar handen. Aangeefster had hem verteld dat een Marokkaan 's ochtends bij haar de kamer in was gelopen en haar met een mes en een schaar had bedreigd. Hij had haar bij de haren gepakt en naar de douche getrokken en had haar verkracht. De Marokkaan had haar ook geschopt en geslagen. Nadat de Marokkaan in slaap was gevallen was zij gevlucht. [ex-vriend aangeefster] heeft verklaard dat aangeefster onder de blauwe plekken zat. Hij heeft verklaard dat hij angst in haar ogen zag en dat hij haar nog nooit zo had gezien. [ex-vriend aangeefster] heeft verklaard dat aangeefster bang was om naar de politie te gaan omdat de haar met een schaar en een mes had bedreigd. [ex-vriend aangeefster] heeft aangeefster vervolgens meegenomen naar het politiebureau. Omdat zij zelf geen jas had heeft hij zijn jas aan aangeefster gegeven.

Voorts heeft [ex-vriend aangeefster] verklaard dat hij op 13 februari 2010 in de woning is geweest en bloed heeft gezien op het matras in de kamer van aangeefster en op de vloer van die kamer.6

[betrokkene 3] heeft tegenover de politie verklaard dat hij, nadat hij door zijn broer was gebeld, samen met zijn buurman [buurman betrokkene 3] (het hof begrijpt: [buurman betrokkene 3]) naar die woning aan de [adres aangeefster] is toegegaan. Het eerste dat [betrokkene 3] zag toen hij binnenkwam, was bloed op de handgreep aan de binnenzijde van de deur en op de vloer van de hal en de gang. Ook heeft hij verklaard dat hij twee plukken haar in de woning heeft gezien. In de woonkamer zag hij de verdachte slapen, liggend op een matras tussen het bankstel en de tafel. De buurman van [betrokkene 3] heeft de verdachte gewekt.7

[buurman betrokkene 3] (hierna te noemen: [buurman betrokkene 3])heeft tegenover de politie verklaard dat hij samen met [betrokkene 3] naar de woning aan de [adres aangeefster] is gegaan. Bij binnenkomst zag [buurman betrokkene 3] bloeddruppels in de gang en bloed op het handvat bij de deur. Ook zag hij lange plukken haar in de gang liggen. In de woonkamer zag [buurman betrokkene 3] dat de verdachte op een matras lag te slapen. Het matras lag tussen de bank en de tafel. Hierop heeft [buurman betrokkene 3] de verdachte wakker gemaakt en heeft hij hem verteld dat er een probleem was, te weten dat aangeefster had verteld dat de verdachte haar had geslagen en seks met haar wilde. [buurman betrokkene 3] heeft daarbij naar het bloed gewezen.8

Op 7 februari 2010 is bij de aangeefster wangslijmvlies afgenomen en zijn bij haar biologische sporen veiliggesteld ten behoeve van DNA-onderzoek, onder zegelnummer [zegelnummer].9 In de zedenkit van de aangeefster zijn spermacellen aangetroffen.10

Op 11 mei 2010 is -op bevel van de officier van justitie- bij de verdachte wangslijmvlies afgenomen ter bepaling van het DNA-profiel van de verdachte. Dit materiaal is voorzien van identiteitszegel [identiteitszegel].11

Het DNA-profiel van de verdachte (RAAL2538NL) is vergeleken met de het onderzochte sporenmateriaal (RAAE4717NL en 2AAA2116NL #1 t/m 2AAA21116NL #6). In de afgenomen monsters van de uitwendige genitaliën, de baarmoeder, de anus en de huid rondom de anus van de aangeefster zijn DNA-sporen van de verdachte aangetroffen. De kans dat de in de monsters van aangeefster aangetroffen -niet haarzelf betreffende- DNA-sporen van een ander zijn dan van de verdachte is volgens berekening kleiner dan één op de miljard.12 In de introïtus van aangeefster is bovendien een mengprofiel gevonden met DNA van aangeefster en van de verdachte.

Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep de foto's besproken van het letsel van de aangeefster en heeft daarbij het volgende waargenomen -zakelijk weergegeven-:13

sneden en wondjes in het gezicht van aangeefster en een blauw oog;

een blauwe plek op de linkerkaak;

een wondje onder het haar, vlakbij het oor;

een grote blauwe plek op de rechterschouder;

een wondje aan de achterzijde van de nek;

wondjes op de borst;

een kras midden op de rug, verschillende blauwe plekken en schaafwonden, striemen in de rechterzij, wondjes boven de rechterbil;

schaafwonden en blauwe plekken op beide ellebogen;

bebloede wonden aan de binnenzijde van de linkerhand tussen de kootjes, bebloede ontvelling aan de binnenzijde van de duim;

bloeduitstortingen/blauwe plekken op beide knieën;

bloeduitstortingen/blauwe plekken op de bovenkant van beide voeten en op de tenen;

De verdachte heeft voor het eerst ter terechtzitting in eerste aanleg en vervolgens ook ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij seks heeft gehad met de aangeefster.14 De aangeefster heeft zich daarbij gebukt en zij heeft hem gepijpt.15 Voorts heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de aangeefster zich omdraaide met haar handen op de bank, waarna hij haar van achteren heeft genomen. De verdachte weet niet of de penetratie anaal of vaginaal heeft plaatsgevonden. Tijdens die penetratie heeft de verdachte een zaadlozing gehad.16

Bewijsverweren

De raadsman van de verdachte heeft subsidiair vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde. Hij heeft daartoe overeenkomstig zijn pleitnotities -in de kern weergegeven- aangevoerd dat, indien het hof van oordeel is dat het openbaar ministerie ontvankelijk dient te worden verklaard, het resultaat van het vergelijkend DNA-onderzoek van het bewijs dient te worden uitgesloten nu het DNA van de verdachte op onrechtmatige wijze is verkregen en een tweede afname dit vormverzuim niet kan herstellen. Dit klemt temeer nu in het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 18 mei 2010, welk rapport is opgemaakt naar aanleiding van de tweede DNA-afname, wordt verwezen naar die eerste -onrechtmatige- afname van DNA bij de verdachte.

Ook heeft de raadsman betoogd dat de zich in het dossier bevindende verklaringen van de aangeefster en de getuigen elkaar op verschillende punten tegenspreken, met name wat betreft de daarin genoemde tijdstippen van de gebeurtenissen in de avond voorafgaand aan de tenlastegelegde verkrachting. Daardoor is niet duidelijk wat zich die bewuste avond precies heeft voorgedaan. Bovendien bevat de verklaring van de aangeefster aperte onjuistheden, bijvoorbeeld dat zij gebeld zou zijn door Poolse mannen, waarvan uit onderzoek niet is gebleken, en dat zij, volgens de in haar verklaring genoemde tijdstippen, er meer dan een uur over zou hebben gedaan om de afstand tussen haar woning en de woning van [betrokkene 1] te overbruggen. Deze laatste verklaring van de aangeefster is ongeloofwaardig nu deze afstand -volgens een routeplanner op internet- slechts 200 m bedraagt.

Voor het overige zijn er slechts getuigenverklaringen in het dossier te vinden van personen die kunnen verklaren over hetgeen de aangeefster aan hen over de vermeende verkrachting heeft verteld, derhalve niet uit eigen waarneming.

Voorts heeft de verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard dat aangeefster vrijwillig -tegen betaling- seks met hem heeft gehad. De seks vond naar zijn zeggen "lachend en spelend" plaats. De volgende morgen is de verdachte -zo verklaart hij- wakker geworden toen [betrokkene 1] bij hem op de deur klopte. Aangeefster en [betrokkene 1] waren hevig aan het vechten, waarbij aangeefster op de grond zat en met haar hand op de grond sloeg. Er was geen sprake van fysiek contact tussen de vrouwen, de strijd was louter verbaal. De verdachte heeft verklaard dat hij die ochtend een krabplekje bij het oog van aangeefster heeft gezien en dat het leek alsof er aan haar haren was getrokken. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij geen ander letsel bij de aangeefster heeft gezien.

De verdachte stelt zich op het standpunt dat de beschuldiging van verkrachting deel uitmaakt van een complot van de aangeefster om hem uit de woning te krijgen.

Reactie van de advocaat-generaal op de bewijsverweren

De advocaat heeft gerequireerd dat de tweede DNA-afname, te weten de afname op 11 mei 2010, is geschied volgens de daartoe wettelijk gestelde regels. De tekst van de wet noch het systeem van de wet verzet zich tegen een tweede afname.

De verklaring van de verdachte zijn niet consistent en zelfs leugenachtig. Zo heeft hij niet alleen wisselend verklaard over het al dan niet hebben gehad van seks met aangeefster, maar ook over de aanwezigheid van [betrokkene 1] in de woning aan de [adres aangeefster] op de ochtend van 7 februari 2010. Ook met betrekking tot de oorzaak van de verwondingen van de aangeefster heeft de verdachte wisselend verklaard: aanvankelijk heeft hij verklaard dat de aangeefster zich deze verwondingen zelf zou hebben toegebracht en ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard niets te weten over de verwondingen van de aangeefster.

Op grond van de consistente en gedetailleerde aangifte, die op relevante onderdelen steun vindt in de verklaringen van [buurman betrokkene 3] en [betrokkene 3], alsmede de foto's waarop letsel te zien is dat past bij de verklaring van de aangeefster en het resultaat van het DNA-vergelijkend onderzoek, is volgens de advocaat-generaal bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de tenlastegelegde verkrachting.

Het oordeel van het hof over de bewijsverweren

Ten aanzien van het verweer van de raadsman dat het resultaat van het vergelijkend DNA-onderzoek van het bewijs dient te worden uitgesloten, nu de eerste afname van het DNA onrechtmatig is geschied en dit niet kan worden hersteld door een tweede afname, verwijst het hof naar hetgeen hieromtrent hiervoor is overwogen.

Het hof zal het resultaat van dit onderzoek dan ook voor het bewijs bezigen.

De enkele verwijzing in het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 18 mei 2010 naar een eerder uitgebracht rapport dat op basis van de eerste -onrechtmatige- afname is opgesteld, staat daaraan niet in de weg nu deze verwijzing niet méér inhoudt dan de zin: "Over het onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek aan bovengenoemd materiaal uit aanvraag 001 van deze zaak is eerder gerapporteerd op 19 februari 2010", en van de inhoud van dat rapport van 19 februari 2010 op generlei wijze gebruik wordt gemaakt.

Het hof verwerpt het verweer.

Ten aanzien van het verweer van de raadsman dat de verklaring van de aangeefster niet consistent is en in strijd is met de verklaringen van de getuigen die de avond voor het tenlastegelegde feit in de woning aanwezig waren, overweegt het hof dat deze verklaringen op hoofdlijnen voldoende overeenkomen. Afgezien van verschillen in -voor het tenlastegelegde feit niet relevante- tijdstippen, geven die verklaringen genoegzaam inzicht in hetgeen zich die avond in de woning heeft afgespeeld. Het hof is dan ook van oordeel dat de gedetailleerde verklaring van de aangeefster consistent is. Dat de door aangeefster aangegeven tijdstippen wellicht niet geheel juist zijn weergegeven of dat zij mogelijk langer heeft gedaan over de vlucht van haar woning naar de woning naar [betrokkene 1] dan op grond van een route-planner is te verwachten, is -mede gelet op de omstandigheden en haar ontredderde toestand- niet onbegrijpelijk en doet aan de geloofwaardigheid van haar verklaring niet af.

De verklaring van de verdachte dat de seks met aangeefster ook van haar kant vrijwillig, "lachend en spelend" heeft plaatsgevonden is niet aannemelijk geworden, gezien het letsel dat de aangeefster heeft opgelopen en de ontredderde toestand waarin zij door [betrokkene 1] en [ex-vriend aangeefster] is aangetroffen, nadat zij naar de woning van [betrokkene 1] was gevlucht. Zij was immers overstuur, gehaast, chaotisch en -op een februaridag- slechts gekleed in een blouse zonder een jas te hebben aangetrokken. Verdachtes verklaring dat [betrokkene 1] 's morgens in de woning aan de Briljantstraat is geweest vindt nergens steun en is in strijd met de verklaring van de aangeefster en de verklaring van [betrokkene 1]. Laatstgenoemde heeft verklaard dat zij die ochtend in haar eigen woning was. Voorts heeft zij verklaard dat hetgeen de verdachte heeft gezegd over wat er die ochtend zou zijn gebeurd, zoals het kloppen aan de deur, nooit heeft plaatsgevonden.17

Verdachtes standpunt dat er een complot zou zijn met als doel hem uit de woning te krijgen is niet aannemelijk, nu de eigenaar van de woning, [betrokkene 3], niets heeft verklaard over een (eventueel op handen zijnd) gedwongen vertrek van de verdachte uit de woning vanwege het tenlastegelegde feit. Integendeel, zowel [betrokkene 3] als [buurman betrokkene 3] hebben verklaard dat de verdachte bij hun komst in de woning vrijwel direct zijn spullen pakte en eigener beweging aanstalten maakte de woning te verlaten.18

Op grond van de verklaring van de aangeefster, die steun vindt in de verklaringen van de getuigen [betrokkene 3] en [buurman betrokkene 3] wat betreft de in de woning waargenomen bloedsporen en plukken haar, alsmede in de verklaringen van [ex-vriend aangeefster] en [betrokkene 1], met name wat betreft hun waarneming van de ontredderde toestand waarin de aangeefster zich bevond nadat zij in de ochtend van 7 februari 2010 haar woning had verlaten en naar de woning van [betrokkene 1] was gevlucht, als ook op grond van de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek en het letsel van de aangeefster zoals dit door het hof ter terechtzitting in hoger beroep op de foto's is waargenomen, is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen dat de aangeefster door de verdachte is verkracht.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 07 februari 2010 te Alphen aan den Rijn door geweld of een andere feitelijkheid en bedreiging met geweld een vrouw, genaamd [aangeefster] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster], hebbende verdachte die [aangeefster] gedwongen te dulden dat verdachte zijn, verdachtes, penis in de vagina en de mond en de anus van die [aangeefster] bracht, en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid en die bedreiging met geweld hierin dat verdachte met een mes en een schaar in zijn handen haar slaapkamer is binnengegaan en op haar benen is gaan zitten en een mes op haar keel heeft gezet en een aantal klappen in haar gezicht heeft gegeven en haar broek naar beneden heeft getrokken en in haar gezicht heeft gekrabd en haar op de grond heeft gegooid en in de buik heeft geschopt en aan de haren heeft getrokken en over de grond heeft voortgetrokken en - terwijl hij zich met haar in een badkamer bevond - de deur van die badkamer op slot heeft gedaan en haar schouders heeft vastgegrepen en haar naar de grond heeft geduwd en haar heeft belet de badkamer en haar woning te verlaten en aldus voor die [aangeefster] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bovengenoemde bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Verkrachting.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft het slachtoffer in haar woning op de bewezenverklaarde gewelddadige wijze achtereenvolgens oraal, anaal, weer oraal en ten slotte vaginaal verkracht.

Het hof houdt -overeenkomstig de rechtbank- rekening met de hierna te noemen strafverzwarende omstandigheden waaronder de verkrachting heeft plaatsgevonden.

De verdachte is tijdens de nachtelijke uren onverhoeds de slaapkamer van het slachtoffer binnengedrongen, waar zij op dat moment lag te slapen en heeft daarmee een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op haar privacy. De woning en met name de eigen slaapkamer is immers een plek waar iemand zich bij uitstek veilig en geborgen moet kunnen voelen. Gelet op de combinatie en de volgorde van de seksuele handelingen die het slachtoffer heeft moeten ondergaan, heeft de verdachte door zijn handelen op grove, weerzinwekkende en vernederende wijze inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. Nu de verkrachting zonder condoom heeft plaatsgevonden, heeft het slachtoffer naast die vernedering en de pijn die zij heeft geleden ook moeten vrezen voor seksueel overdraagbare aandoeningen.

Het hof is -alles overwegende- van oordeel dat een gevangenisstraf van 48 maanden in beginsel passend en geboden is. Het hof ziet evenwel in de eerder overwogen onrechtmatige inbreuk op de lichamelijke integriteit van de verdachte aanleiding de duur van die gevangenisstraf met één maand te bekorten.

Vordering tot schadevergoeding [aangeefster]

In het onderhavige strafproces heeft [aangeefster] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van EUR 3.564,26, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van EUR 3.550,00.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de van het vonnis deel uitmakende beslissing van de eerste rechter ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij zal worden bevestigd.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij ter vergoeding van de slaaptabletten/kalmering-stabletten van EUR 50,00 zal worden toegewezen.

Naar het oordeel van het hof is ook aannemelijk geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering tot vergoeding van de immateriële schade van EUR 3.500,00 leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor volledige toewijzing. Het hof zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu is komen vast te staan dat de schade met ingang van 7 februari 2010 is ontstaan.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten tot op heden vooralsnog zijn begroot op EUR 14,16 (reiskosten in de vordering van de benadeelde partij), en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van EUR 3.550,00 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster], te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 februari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f en 242 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 47 (zevenenveertig) maanden.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster] tot het gevorderde bedrag van EUR 3.550,00 (drieduizend vijfhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 februari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met de vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak vooralsnog zijn begroot op EUR 14,26 - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte de verplichting op om ten behoeve van [aangeefster] aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 3.550,00 (drieduizend vijfhonderdvijftig euro) te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 februari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 45 (vijfenveertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis deze betalingsverplichting niet opheft.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Dit arrest is gewezen door mr. A.L.J. van Strien, mr. A.J.M. Kaptein en mr. M.C.R. Derkx, in bijzijn van de griffier mr. A.M.F.F. van Rede-van den Bosch. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 november 2010.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld een voor kopie conform het origineel gewaarmerkte fotokopie van dat proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Voor zover gebruik is gemaakt van geschriften zijn deze in samenhang met de overige bewijsmiddelen gebruikt.

2 Proces-verbaal nr. PL1609 2010020700-1, d.d. 9 februari 2010, inhoudende de aangifte van [aangeefster], p. 38-49.

3 Proces-verbaal nr. PL1630 2010020700-2, d.d. 7 februari 2010, inhoudende de op 7 februari 2010 tegenover de opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [betrokkene 3], dossierp. 54.

4 Proces-verbaal nr. PL1609 2010020700-1, d.d. 9 februari 2010, inhoudende de aangifte van [aangeefster], p.49.

5 Proces-verbaal nr. PL1630 2010020700-30, d.d. 10 februari 2010, inhoudende de op 10 februari 2010 tegenover de opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [betrokkene 1], dossierp. 218-224.

6 Proces-verbaal nr. PL1609 2010020700-32, d.d. 14 februari 2010, inhoudende de op 14 februari 2010 tegenover de opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [ex-vriend aangeefster], dossierp. 228-232.

7 Proces-verbaal nr. PL1630 2010020700-2, d.d. 7 februari 2010, inhoudende de op 7 februari 2010 tegenover de opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [betrokkene 3], dossierp. 54-56.

8 Proces-verbaal nr. PL1630 2010020700-3, d.d. 7 februari 2010, inhoudende de op 7 februari 2010 tegenover de opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [buurman betrokkene 3], dossierp. 62-63.

9 Proces-verbaal nr. PL1609 2010020700-22, d.d. 8 februari 2010, inhoudende de instemming van de aangeefster met de afname van celmateriaal, dossierp. 108; proces-verbaal nr. PL1609 2010020700-22, d.d. 9 februari 2010, inhoudende de toestemming van aangeefster tot DNA-onderzoek, dossierp. 109; proces-verbaal d.d. 9 februari 2010, nr. PL1609 2010020700-22, inhoudende de aanwezigheid van de opsporingsambtenaar bij afname van celmateriaal ter bepaling DNA-profiel, dossierp. 110-111; een geschrift, zijnde een formulier t.b.v. DNA-onderzoek, met zegelnummer RAAE4717NL p. 112 e.v.

10 Proces-verbaal nr. PL1609 2010020700-34, d.d. 15 februari 2010, inhoudende bevindingen van de opsporingsambtenaar, dossierp. 241.

11 Proces-verbaal nr. PL1609 2010020700-39, d.d. 11 mei 2010, inhoudende de aanwezigheid van de opsporingsambtenaar bij afname van celmateriaal ter bepaling DNA-profiel;

12 Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, nr. 2010.02.15.019, opgemaakt en ondertekend door deskundige drs. H.N. Bauer, op 18 mei 2010.

13 De eigen waarneming van het hof ter terechtzitting in hoger beroep van 16 november 2010 van de foto's in de fotomap verkrachting

BVH 2010-020700, als bijlage gevoegd bij het relaasproces-verbaal, nr. PL1609 2010020700-35, d.d. 16 februari 2010, dossierp. 148.

14 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg op 20 mei 2010 en ter terechtzitting in hoger beroep op 16 november 2010.

15 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg op 20 mei 2010.

16 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op 16 november 2010.

17 Proces-verbaal nr. PL1630 2010020700-30, d.d. 10 februari 2010, inhoudende de op 10 februari 2010 tegenover de opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [betrokkene 1], dossierp. 218 en 224.

18 Proces-verbaal nr. PL1630 2010020700-2, d.d. 7 februari 2010, inhoudende de op 7 februari 2010 tegenover de opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [betrokkene 3], dossierp. 57;

proces-verbaal nr. PL1630 2010020700-3, d.d. 7 februari 2010, inhoudende de op 7 februari 2010 tegenover de opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [buurman betrokkene 3], dossierp. 63.