Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BP8222

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-10-2010
Datum publicatie
21-03-2011
Zaaknummer
200.052.619/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

(te laat) inbrengen van stukken. Partneralimentatie. Artikel 1:160 BW: onvoldoende gesteld. Behoefte; behoeftigheid; draagkracht. geen limitering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 13 oktober 2010

Zaaknummer : 200.052.619/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 09-5531

[verzoeker]

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. R.H. de Vries te Capelle aan den IJssel,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. B.J. de Deugd te Nieuwerkerk aan den IJssel.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 23 december 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 30 september 2009 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

De vrouw heeft op 21 januari 2010 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 31 maart 2010 en 6 augustus 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 5 augustus 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 18 augustus 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: (tot de schorsing van de mondelinge behandeling) de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de advocaat van de vrouw. De vrouw is, met bericht van verhindering, niet verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de vrouw onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

De advocaat van de man heeft verzocht om na de mondelinge behandeling nog stukken in het geding te mogen brengen. De advocaat van de vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd. Het hof heeft het verzoek van de man afgewezen op grond van het feit dat de man voorafgaand aan de mondelinge behandeling voldoende gelegenheid heeft gehad om stukken in het geding te brengen. Het behoort tot de risicosfeer van de man dat hij dat heeft nagelaten, zodat het hof geen aanleiding ziet om van de gebruikelijke gang van zaken af te wijken en de man alsnog in de gelegenheid te stellen die stukken over te leggen.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is – voor zover hier van belang – tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en is voorts uitvoerbaar bij voorraad bepaald dat de man met ingang van de dag dat de beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand tot het levensonderhoud van de vrouw zal uitkeren een bedrag van € 500,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

De echtscheidingsbeschikking is op 24 maart 2010 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot haar levensonderhoud (hierna: partneralimentatie).

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair: het inleidend verzoek van de vrouw tot vaststelling van een partneralimentatie af te wijzen, althans op nihil te stellen, subsidiair: een zodanige partneralimentatie te bepalen als het hof zal vermenen te behoren en gelimiteerd tot een termijn van 5 jaren, en meer subsidiair: gelimiteerd tot een zodanige termijn als het hof zal vermenen te behoren.

3. De man stelt in zijn eerste en enige grief – kort weergegeven – dat de vrouw in haar eigen behoefte kan voorzien. Daarnaast betoogt hij dat de vrouw samenwoont met een partner als waren zij gehuwd. Voorts stelt de man dat hij geen draagkracht heeft om de door de rechtbank vastgestelde partneralimentatie te voldoen. Ook is de man van mening dat de duur van zijn alimentatieplicht moet worden beperkt tot vijf jaar omdat de vrouw in die vijf jaar geacht moet worden om in haar eigen levensonderhoud te voorzien.

4. De vrouw bestrijdt zijn beroep en verzoekt het hof het beroep van de man terzake van de hoogte van de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw af te wijzen en de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek tot termijnstelling van de bijdrage van de man in het levensonderhoud van de vrouw, dan wel dit verzoek af te wijzen.

5. Het hof overweegt als volgt.

Schending beginsel hoor en wederhoor

6. De man heeft in de toelichting op zijn eerste grief gesteld dat hij in eerste aanleg bij de rechtbank geen verweer heeft kunnen voeren omdat hij van de rechtbank op 14 september 2009 het bericht van de rechtbank heeft gekregen dat het verzoekschrift van de vrouw was ingetrokken en de procedure daarmee was beëindigd. De rechtbank heeft daarna, op 30 september 2009, de bestreden beschikking gewezen.

Indien en voor zover de man in zijn beroepschrift heeft bedoeld te stellen dat in eerste aanleg sprake is geweest van een schending van het beginsel van hoor en wederhoor overweegt het hof als volgt. Nu de man in hoger beroep ten volle in de gelegenheid is geweest om verweer te voeren tegen het verzoek van de vrouw, kan de feitelijke gang van zaken in eerste aanleg er niet toe leiden dat de bestreden beschikking op die grond moet worden vernietigd. Deze grief van de man wordt gepasseerd.

Artikel 1: 160 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)

7. De man betoogt verder dat de vrouw samenwoont met een nieuwe partner en dat daarom zijn onderhoudsplicht is komen te vervallen. De vrouw heeft dit betwist.

8. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:160 BW eindigt een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij wanneer deze opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat, dan wel is gaan samenwonen met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren.

Voor de vaststelling dat een gescheiden echtgenoot samenleeft met een ander als waren zij gehuwd, zoals bedoeld in artikel 1:160 BW, is vereist dat tussen de partners een affectieve relatie bestaat van duurzame aard die meebrengt dat zij elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren (HR 10 april 1981, NJ 1981, 348 en HR 22 februari 1985, NJ 1986, 82). Gelet op het feit dat toepassing van deze bepaling tot gevolg heeft dat de onderhoudsgerechtigde definitief een aanspraak op levensonderhoud jegens de onderhoudsplichtige verliest, wordt de zinsnede ‘samenleven als waren zij gehuwd’ in de jurisprudentie beperkt uitgelegd. Er worden hoge eisen gesteld aan de motivering van de beslissing dat een dergelijke situatie zich voordoet.

9. Ter terechtzitting heeft de man bewijs aangeboden van het feit dat de vrouw samenwoont met een derde als ware zij gehuwd. Nu de man evenwel niet heeft aangegeven welke feiten en omstandigheden, die moeten leiden tot de conclusie dat de vrouw op die wijze samenleeft, hij wenst te bewijzen, is het bewijsaanbod van de man onvoldoende gespecificeerd, zodat het moet worden afgewezen. Een en ander leidt tot de gevolgtrekking dat niet is gebleken dat de alimentatieverplichting van de man ten behoeve van de vrouw is geëindigd op de grond van samenleven met een ander als ware zij gehuwd.

10. Het hof zal hierna beoordelen of de man met ingang van 24 maart 2010 (zijnde de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand) partneralimentatie moet en kan betalen aan de vrouw.

Partneralimentatie

Behoefte vrouw

11. Ter terechtzitting heeft de man zijn beroepschrift toegelicht en betoogd dat hij ook de behoefte van de vrouw ter discussie wenst te stellen. Ter terechtzitting zijn partijen het erover eens geworden dat voor het vaststellen van de behoefte van de vrouw uitgegaan kan worden van de in de zogeheten ‘Hofnorm’ neergelegde uitgangspunt, waarbij de huwelijksgerelateerde behoefte van de alimentatiegerechtigde wordt bepaald op 60% van het netto gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van de echtgenoten. Het hof zal partijen hierin volgen.

De vrouw heeft ter terechtzitting gesteld dat het netto gezinsinkomen van partijen ten tijde van hun uiteengaan € 2.500,- per maand bedroeg. De man heeft hiertegen geen verweer gevoerd. Met toepassing van de hiervoor vermelde norm bedraagt de behoefte van de vrouw derhalve (60% x € 2.500,- per maand =) € 1.500,- netto per maand.

Behoeftigheid vrouw

12. In zijn beroepschrift heeft de man gesteld dat de vrouw geen behoefte heeft aan partneralimentatie (het hof begrijpt: niet behoeftig is). Hij stelt dat zij een parttime baan heeft met de mogelijkheid om fulltime te gaan werken. Volgens de man bedraagt haar inkomen ongeveer € 1.000,- netto per maand. Verder heeft de man ter terechtzitting gesteld dat de vrouw het op een akkoordje heeft gegooid met haar werkgever om haar salaris kunstmatig laag te houden. Ook heeft hij aangeboden om door middel van het horen van de kinderen van partijen aan te tonen dat de vrouw meer werkt dan zij zegt en dat zij meer inkomen heeft dan uit de door haar overgelegde stukken blijkt.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist. Zij betoogt dat zij een wisselend inkomen heeft dat seizoensafhankelijk is en dat zij haar uren niet kan uitbreiden nu haar werkgever niet meer uren werk aanbiedt. In de maand december 2009 had de vrouw een inkomen van € 551,41 netto per vier weken. In haar brief van 5 augustus 2010 heeft de vrouw een jaaropgave 2009 overgelegd, alsmede salarisstroken over de perioden 5 tot en met 7 van 2010. Verder heeft zij een berekening van haar maandinkomen gemaakt en gesteld dat haar maandinkomen uitkomt op € 1.083,- netto.

13. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw en de door haar overgelegde jaaropgave en salarisspecificaties, had het naar het oordeel van het hof op de weg van de man gelegen om zijn stelling dat de vrouw meer kan werken, en meer verdient dan uit de stukken blijkt en haar inkomen kunstmatig laag houdt, deugdelijk, met relevante stukken te onderbouwen. De man heeft dit nagelaten en volstaan met het poneren van zijn vooromschreven stelling. Gelet op het voorgaande heeft de man zijn stellingen naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd zodat die stelling moet worden verworpen. De man heeft bewijs aangeboden van het feit dat de vrouw meer dan € 1.083,-- netto per maand verdient. Evenwel, daarmee heeft de man niet aangegeven welke feiten en omstandigheden, die moeten leiden tot de conclusie dat de vrouw dat hogere netto inkomen verdient, hij wenst te bewijzen, zodat het bewijsaanbod van de man daarom onvoldoende gespecificeerd is en moet worden gepasseerd.

14. De inkomsten die de vrouw verwerft komen in mindering op haar behoefte aan partneralimentatie. Het hof houdt in dit kader rekening met een inkomen van € 1.083,- netto per maand, conform de door de vrouw overgelegde stukken (jaaropgave en salarisstroken 2010) en gemaakte berekening, zodat de totale behoeftigheid van de vrouw uitkomt op een bedrag van € 417,- (€ 1.500,- -/- € 1.083,-) netto per maand. Daarmee staat haar behoeftigheid aan de geldende partneralimentatie van € 500,- bruto per maand vast.

Draagkracht man

15. De man stelt dat hij geen draagkracht heeft om de vastgestelde partneralimentatie te betalen. De vrouw heeft dit gemotiveerd betwist.

Inkomen

16. De man stelt dat hij een netto maandsalaris ontvangt van ongeveer € 1.750,-. Daarin is een bedrag van € 70,- aan onkostenvergoeding begrepen. Deze vergoeding wordt volgens de man volledig besteed aan de onkosten die hij maakt, zodat zijn netto maandsalaris € 1.680,- per maand bedraagt, aldus de man. Daarnaast heeft de man een loonwerkbedrijf waaruit hij volgens hem een netto inkomen ontvangt van € 400,- per maand. De man stelt voorts van het bedrijf geen jaarstukken te hebben.

17. De vrouw heeft in haar verweerschrift niet betwist dat de man de onkostenvergoeding volledig gebruikt.

Ter terechtzitting heeft de vrouw gesteld dat uit de door de man nader overgelegde stukken blijkt dat hij een bruto maandinkomen heeft van € 2.310,09, welk inkomen verhoogd dient te worden met vakantiegeld en een eindejaarsuitkering van € 109,40 per maand en de levensloopregeling, zodat het bruto inkomen € 2.685,55 per maand bedraagt.

De vrouw betwist wegens gebrek aan stukken dat de man een netto inkomen van € 400,- per maand ontvangt uit het loonwerkbedrijf.

18. De man heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zichzelf als loonwerker met machine verhuurt tegen een uurtarief van € 42,- exclusief omzetbelasting en dat hij acht uur per dag werkt, vier en een halve dag per maand. Verder heeft de man verklaard dat hij geen omzetbelasting afdraagt. Gelet op het voorgaande en rekening houdend met een naar het oordeel van het hof redelijke aftrek van 20% in verband met de kosten voor de machine, gaat het hof ervan uit dat de inkomsten van de man uit het loonwerkbedrijf netto afgerond € 1.210,- per maand bedragen.

Dit inkomen dient te worden opgeteld bij het bruto maandsalaris van de man van € 2.535,72 zoals door de vrouw ter terechtzitting is berekend en niet door de man is weersproken. Daarop dient de onkostenvergoeding van bruto € 149,83 per maand in mindering te worden gebracht, nu beide partijen het erover eens zijn dat de man die onkostenvergoeding volledig gebruikt. Het hof houdt bij de berekening van de draagkracht verder rekening met de pensioenpremie, de overgangspremie Wet Vut Pensioen en Levensloop (VPL) en de premie Arbeidsongeschiktheidspensioen (AP). Het hof gaat ervan uit dat de man de reiskostenvergoeding en de wasvergoeding volledig gebruikt, zodat deze posten buiten beschouwing worden gelaten bij de berekening van het inkomen van de man.

19. Het hof zal het kostgeld betaald door de twee bij de man inwonende meerderjarige kinderen buiten beschouwing laten, nu dit kostgeld geacht wordt de kosten volledig te dekken..

Lasten

Faillissement

20. De man heeft in zijn beroepschrift gesteld dat hij in 1996 failliet is verklaard en dat het faillissement nog steeds niet is afgewikkeld. Ter terechtzitting heeft hij in aanvulling hierop betoogd dat hij als gevolg van zijn faillissement al zijn schulden onmogelijk kan aflossen.

De vrouw heeft betwist dat het faillissement van de man nog steeds niet is afgerond.

21. De man heeft nagelaten zijn stelling omtrent het faillissement te onderbouwen met verificatoire bescheiden. Daarnaast is gebleken dat er schuldeisers van vóór de faillissementsdatum zich rechtstreeks tot de man wenden, en niet – zoals is te verwachten bij een faillissement – tot de curator. Gelet op het voorgaande, gaat het hof ervan uit dat het faillissement, dat volgens de man sinds 1996 bestaat, thans is geëindigd.

Schulden

22. De man stelt dat hij diverse schulden heeft en afbetaalt, terwijl de vrouw gemotiveerd heeft betwist dat er sprake is van aflossing van enige schuld.

23. Het hof overweegt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat op de draagkracht van de onderhoudsplichtige in beginsel al diens schulden van invloed zijn. Of al dan niet wordt afgelost op een schuld is niet doorslaggevend. Echter, nu de man naar het oordeel van het hof een volstrekt onvolledig beeld van zijn schuldenpositie heeft gegeven en, ondanks dat hem door het hof bij brief van 8 januari 2010 is verzocht om stukken over te leggen waaruit zijn financiële situatie blijkt, onvoldoende (gespecificeerde) stukken in het geding heeft gebracht waaruit zijn schulden blijken, zal het hof geen rekening houden met de aflossing van enig schuld bij de berekening van de draagkracht van de man.

Overige lasten

24. Het hof zal bij de berekening van de draagkracht van de man uitgaan van de door hem opgevoerde premie ziektekostenverzekering van € 97,- per maand, welke ook blijkt uit de door hem overgelegde polis van [naam maatschappij] van 4 november 2009, nu de man wettelijk verplicht is om een zorgverzekering af te sluiten en deze premie het hof redelijk voorkomt. Ook zal het hof uitgaan van een huur van € 380,- per maand, nu deze huurlasten naar het oordeel van het hof ten opzichte van het inkomen van de man als redelijke uitgaven kunnen worden beschouwd en de man geacht wordt ergens te wonen en woonlasten te hebben.

25. Verder zal het hof rekening houden met de bijstandsnorm van een alleenstaande, een draagkrachtpercentage van 60% en de gebruikelijke heffingskortingen.

26. Uit het vorenstaande volgt dat de draagkracht van de vader de door de rechtbank vastgestelde partneralimentatie van € 500,- per maand toelaat, zodat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen.

Limitering

27. De man stelt dat de duur van zijn alimentatieplicht moet worden beperkt tot vijf jaar omdat de vrouw in de komende vijf jaar geacht wordt om in haar eigen levensonderhoud te gaan voorzien. De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd en gesteld dat dit verzoek van de man moet worden beschouwd als een zelfstandig verzoek dat niet kan worden gezien als een verweer op het verzoek van de vrouw. De man is volgens de vrouw niet-ontvankelijk is dit verzoek. Voor het geval de man wel ontvankelijk is in zijn verzoek betoogt de vrouw dat zij niet meer kan gaan verdienen.

28. Het hof overweegt als volgt. Op grond van vaste jurisprudentie is het hof bevoegd om in het kader van een echtscheidingsprocedure zijn oordeel te geven over een verzoek tot het treffen van een nevenvoorziening in de zin van artikel 827 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, zoals het verzoek tot limitering van de duur van de alimentatieverplichting dat voor het eerst in hoger beroep is gedaan.

Het hof zal dan ook op het verzoek van de man als navolgend beslissen.

29. In verband met de ingrijpende gevolgen van limitering dienen hoge eisen te worden gesteld aan de te stellen en zonodig te bewijzen bijzondere omstandigheden die limitering rechtvaardigen. De man heeft aangevoerd dat de vrouw geacht moet worden, door voltijds te gaan werken, in een periode van 5 jaren zelf in haar levensonderhoud te voorzien. Daar voegt de man nog aan toe dat twee van de drie kinderen van partijen bij hem wonen en dat van (lichamelijke) gebreken bij de vrouw niet is gebleken. Het hof is van oordeel dat door de man hiermee geen zodanige bijzondere feiten en omstandigheden zijn gesteld, dat daaruit een toewijzing van zijn verzoek tot limitering kan volgen.

Het hof zal het verzoek van de man om de alimentatie ten behoeve van de vrouw in duur te beperken derhalve afwijzen.

30. Het hof beslist als navolgend.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Stollenwerck en Mollema-de Jong, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 oktober 2010.