Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BP5104

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
21-02-2011
Zaaknummer
22-001476-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001476-09

Parketnummer(s): 09-765017-09

Datum uitspraak: 30 november 2010

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 13 maart 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

[medeverdachte 1],

geboren te [plaats] op [dag] 1992,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 16 november 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 24 uren, subsidiair 12 dagen hechtenis, waarvan 6 uren, subsidiair 3 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde ontslagen van alle rechtsvervolging en ter zake van het onder 1 tenlastegelegde veroordeeld tot een leerstraf zijnde de leerstraf dader in beeld, voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 18 januari 2009 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zich in het openbaar, namelijk tijdens een demonstratie op het Malieveld gehouden in het kader van het Joods/Palestijns conflict, mondeling, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Joden, wegens hun ras en/of godsdienst en/of levensovertuiging, door opzettelijk beledigend Hamas, Hamas, alle joden aan het gas te roepen;

2.

hij op of omstreeks 18 januari 2009 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in het openbaar, namelijk tijdens een demonstratie op het Malieveld, gehouden in het kader van het Joods/Palestijns conflict, mondeling, heeft aangezet tot haat tegen en/of discriminatie van mensen, te weten Joden, en/of gewelddadig optreden tegen persoon of goedvan mensen, te weten Joden, wegens hun levensovertuiging en/of godsdienst en/of ras, door te roepen: 'Hamas, Hamas, alle joden aan het gas.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Op gronden als nader verwoord in haar schriftelijke requisitoiraantekeningen heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot veroordeling van de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde. In de kern weergegeven heeft zij daartoe aangevoerd dat twee verbalisanten hebben gezien en gehoord dat de leus 'Hamas Hamas, alle Joden aan het gas' geroepen is door de verdachte, althans door leden van de groep waar de verdachte onderdeel van uitmaakte, en dat de personen van die groep gezamenlijk sprongen en gebaren maakten. Aldus kan er gesproken worden van medeplegen van beledigen en het aanzetten tot haat en/of discriminatie en/of gewelddadig optreden. Zij hecht daarbij meer waarde aan de gerelateerde bevindingen van de verbalisanten dan aan de ontkenning van de verdachte.

Door de verdediging is betoogd dat er geen wettig en overtuigend bewijs is voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde. In de kern weergegeven is daartoe aangevoerd dat er geen bewijs is dat de verdachte de leus heeft geroepen noch voor het medeplegen daarvan.

Het hof overweegt als volgt.

De advocaat-generaal grondt haar conclusie grotendeels op de bevindingen van de verbalisanten [A] en [B].

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 16 november 2010 heeft verbalisant [B] echter erkend dat hij niet de monden van de verdachte en de overige leden van de groep heeft zien of kunnen zien bewegen, omdat hij áchter de groep stond. Ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 13 maart 2009 verklaarde verbalisant [A] soortgelijk.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verbalisant [A] verklaard dat hij de verdachte doordat hij de zijkant van zijn gezicht kon zien, heeft zien roepen. Nu er echter onduidelijkheid bestaat of de groep waarvan de verdachte deel uitmaakte dezelfde groep is als de door de verbalisant waargenomen groep tijdens het roepen van de leus, neemt de bovengenoemde verklaring van verbalisant [A] de twijfel niet weg.

Reeds op grond van het bovenstaande kan niet gekomen worden tot bewezenverklaring van het individueel plégen van de tenlastegelegde feiten, omdat niet vastgesteld kan worden dat de verdachte zelf de tenlastegelegde leus heeft geroepen.

Maar ook voor het medeplegen is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Immers, voor medeplegen is een nauwe en bewuste samenwerking vereist. Volgens de Memorie van Toelichting (betrekking hebbende op de artikelen 137c en 137d van het Wetboek van Strafrecht) veronderstelt medeplegen de actuele betrokkenheid van twee of meer personen bij de discriminerende uiting, die binnen hun samenwerkingsverband de uiting billijkten en aanvaardden, terwijl min of meer toevallig is wie van die personen de uiting feitelijk kenbaar maakte (kamerstukken II, vergaderjaar 2000-2001, 27 792, nr. 3, p. 7). Aan deze vereisten wordt reeds niet voldaan, omdat niet vastgesteld kan worden dat de verdachte onderdeel uitmaakte van een door de verbalisanten omschreven groep waarvan personen de leus zouden hebben geroepen en waarvan geen heel jeugdige personen deel uitmaakten, zoals verbalisant [B] ter terechtzitting in hoger beroep heeft bevestigd, immers:

- er is een niet te negeren discrepantie tussen de waarnemingen van de verbalisanten en de verklaringen van de verdachten. De verdachte en medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben direct na hun aanhouding, zonder dat enig overleg heeft kunnen plaatsvinden, verklaard dat zij de bewuste dag met z'n vijven op pad waren: zij gedrieën en de broertjes [X] en [persoon Y]. Zij zijn met z'n vijven naar het Malieveld gegaan, zijn daar met z'n vijven bij elkaar gebleven en zijn uiteindelijk met z'n vijven vertrokken. Zij waren ook met z'n vijven toen de verdachte met twee anderen werd aangehouden. Dit is ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 16 november 2010 door deze [X] en [persoon Y] bevestigd. [X] en [persoon Y] zijn niet aangehouden. Volgens de verklaring van verbalisant [B] ter terechtzitting in hoger beroep van 16 november 2010 was dat omdat hij deze twee niet op het Malieveld had gezien en zij volgens hem niet bij 'de groep' hoorden. Deze discrepantie laat de mogelijkheid open dat de verbalisanten het over een andere groep hebben dan de groep waartoe de verdachte behoorde;

- de verbalisanten relateren over een groep van 6 à 7 personen, maar deze groep is niet uit het dossier te herleiden: de verdachte en medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] waren met een groepje van vijf en zij kennen de andere aangehouden personen [medeverdachte 4] en [persoon Z] niet. [medeverdachte 4] en [persoon Z] hebben verklaard ieder met een eigen groep aanwezig te zijn geweest. Deze groepen bij elkaar opgeteld leidt tot een veel groter aantal mensen dan de 6 à 7 door de verbalisanten waargenomen bij elkaar horende personen.

Aldus kan niet worden uitgesloten dat de verbalisanten een andere groep op het oog hebben gehad dan die waarvan de verdachte onderdeel uitmaakte.

Maar ook voor zover de verdachte onderdeel zou hebben uitgemaakt van de groep waarover de verbalisanten gerelateerd hebben, dan nog kan niet gekomen worden tot medeplegen van het tenlastegelegde. In de eerste plaats sluit het hof niet uit dat in plaats van "Hamas Hamas, alle Joden aan het gas" is geroepen: "Hamas, Hamas, geen Mubarak, geen Abas", zoals één van hen ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard. Deze laatste zin kan bezwaarlijk als beledigend of haatzaaiend worden opgevat en is in ieder geval ook niet tenlastegelegd.

Daarnaast - voor zover wel de tenlastegelegde leus zou zijn geroepen - brengt het enkele feit dat de verdachte bij die groep stond en tegelijk met de andere groepsleden sprong en gebaren maakte, nog niet zonder meer met zich mee dat er sprake was van actuele betrokkenheid van de verdachte bij het roepen van die leus, dat hij deze billijkte en aanvaardde en dat het min of meer toeval was wie van de groepsleden de leus riep. Daarvan is althans niet gebleken. Er kan in het onderhavige geval derhalve niet gesproken worden van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking dat er sprake is van medeplegen ten aanzien van het uiten van de leus.

Gelet op het bovenstaande is naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 1 subsidiair en 2 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door mr. R.C.A. Duindam, mr. C.P.E.M. Fonteijn- Van der Meulen en mr. J.A.C. Bartels, in bijzijn van de griffier mr. E.J.M. van der Laan.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 november 2010.