Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BP3744

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-10-2010
Datum publicatie
09-02-2011
Zaaknummer
200.060.313.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Vermeerdering van verzoek niet in strijd met de goede procesorde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 13 oktober 2010

Zaaknummer : 200.060.313.01

Rekestnr. rechtbank : F2-RK 09-1005

[verzoeker]

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. C.A. Busquet te Rotterdam,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. A.A.J. de Nijs.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 19 maart 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 21 december 2009.

De moeder heeft op 10 mei 2010 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 20 augustus 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 3 september 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Daarin is – voor zover hier van belang – het verzoek van de vader tot wijziging van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna kinderalimentatie) van na te noemen oudste minderjarige afgewezen en is het verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie van na te noemen jongste minderjarige buiten behandeling gesteld, voor zover daarop nog niet eerder is beslist.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding, hierna ook: kinderalimentatie, ten behoeve van [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats], en [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats], hierna: de minderjarigen.

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen (het hof begrijpt:) voor zover het de kinderalimentatie betreft en, opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat, en, (het hof begrijpt:) met wijziging van de beschikking van 12 september 2008 van de rechtbank Rotterdam, te bepalen dat de vader met ingang van 1 februari 2009 geen bijdrage meer verschuldigd zal zijn voor de minderjarigen. Bij de mondelinge behandeling heeft de vader evenwel aangeboden om een bijdrage van € 138,87 per maand te betalen aan kinderalimentatie voor de jongste minderjarige.

3. In zijn enige grief stelt de vader – kort weergegeven – dat hij niet in staat is om de bij voornoemde beschikking van 12 september 2008 vastgestelde kinderalimentatie van € 150,- per maand per kind te betalen. Volgens de vader is zijn draagkracht lager dan in 2009 omdat hij per 22 maart 2010 werkloos is geworden en omdat hij aanzienlijke schulden heeft.

4. De moeder bestrijdt zijn beroep en verzoekt de vader in zijn beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel zijn verzoek af te wijzen. Zij betoogt dat de vader zijn verzoek om de kinderalimentatie van de jongste minderjarige te wijzigen in eerste aanleg heeft ingetrokken en dat hij daar in hoger beroep niet op kan terugkomen. Verder stelt zij dat de in eerste aanleg door de vader gestelde wijziging van omstandigheden geen relevante wijziging is en dat de vader in hoger beroep een nieuwe wijziging aan de orde stelt.

Ook stelt zij dat de schulden van de vader op zijn naam staan en dat deze schulden al bestonden ten tijde van de beslissing van 12 september 2008 en dus geen wijziging van omstandigheden opleveren. Voorts is de moeder van mening dat de vader vooruitloopt op een toekomstige omstandigheid door te stellen dat zijn inkomen zal afnemen door zijn werkloosheid.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep ten aanzien van de jongste minderjarige

5. Het verzoek in hoger beroep van de vader ten aanzien van de jongste minderjarige dient te worden opgevat als een vermeerdering van verzoek, nu dit, evenals het in eerste aanleg verzochte, betrekking heeft op de kinderalimentatie. De eisen van een goede procesorde verzetten zich niet tegen de toelating van deze vermeerdering, nu de moeder ruimschoots in de gelegenheid is geweest hiertegen verweer te voeren. Ook de omstandigheid dat hij zijn verzoek op andere gronden baseert dan zijn verzoek in eerste aanleg, staat niet in de weg aan een vermeerdering van dit verzoek. Het verweer van de moeder faalt.

Wijziging van omstandigheden/ingangsdatum kinderalimentatie

6. De vader heeft in eerste aanleg zijn wijzigingsverzoek ten aanzien van de kinderalimentatie gegrond op het feit dat zijn nieuwe partner geen inkomsten meer heeft. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking geoordeeld dat deze wijziging van omstandigheden aan de zijde van de vader buiten beschouwing moet worden gelaten bij het berekenen van zijn draagkracht. In hoger beroep is hiertegen niet gegriefd door de vader. Desgevraagd heeft de vader verklaard dat hij zijn wijzigingsverzoek in hoger beroep grondt op het feit dat hij werkloos is geraakt en per 22 maart 2010 een WW-uitkering ontvangt.

Gelet op het voorgaande, en nu naar het oordeel – onweersproken – is komen vast te staan dat de vader met ingang van 22 maart 2010 een WW-uitkering ontvangt, zal het hof de bestreden beschikking tot 22 maart 2010 bekrachtigen en met ingang van deze datum de draagkracht van de vader opnieuw beoordelen. Het hof gaat hierbij van het navolgende uit.

Draagkracht vader

Inkomen

7. De moeder heeft betoogd dat de vader naast zijn WW-uitkering nog neveninkomsten heeft. Volgens haar had de vader om dit te weerleggen de aangiften en aanslagen Inkomstenbelasting over de afgelopen jaren moeten overleggen. Daarnaast heeft de moeder gesteld dat de vader meer zou kunnen verdienen dan hij thans doet. Volgens de moeder moet hiervan worden uitgegaan nu de vader ook heeft nagelaten om sollicitatiebrieven over te leggen waaruit blijkt dat hij zijn uiterste best doet om ander werk te vinden.

8. Nu de vader een WW-uitkering ontvangt, staat zijn sollicitatieplicht naar het oordeel van het hof vast. Het hof gaat er derhalve van uit dat de vader, onder toeziend oog van het UWV, solliciteert. De moeder heeft haar stelling, dat de vader beschikt over neveninkomsten, na betwisting door de vader, niet onderbouwd, zodat deze niet is komen vast te staan. Het ontbreken van de door de moeder genoemde stukken dient naar het oordeel van het hof dan ook zonder gevolgen te blijven.

De vader heeft ter zitting – onweersproken – verklaard dat hij een netto WW-uitkering ontvangt van € 940,- per maand, exclusief vakantiegeld. Nu de overgelegde uitkeringsspecificaties niet uitwijzen dat deze uitkering hoger is, zal het hof hiervan uitgaan bij de berekening van de draagkracht van de vader.

Lasten

Woonlasten

9. De rechtbank is er bij de berekening van de draagkracht van uitgegaan dat de nieuwe partner van de vader de helft van de woonlasten voor haar rekening neemt. Nu hiertegen in hoger beroep niet is gegriefd, zal het hof hiervan ook uitgaan. Uit de door de vader overgelegde huuraanzegging van 22 april 2010 blijkt dat de huur van de vader per 1 juli 2010 € 553,30 per maand bedraagt. Nu de datum van de huurverhoging en de ingangsdatum van de kinderalimentatie van 22 maart 2010 dicht bij elkaar liggen, acht het hof het redelijk om van voornoemde huur uit te gaan. Het hof houdt bij de berekening van de draagkracht rekening met de helft van dit bedrag, zijnde afgerond € 277,- per maand. De vader heeft ter zitting gesteld dat hij een huurtoeslag van € 290,- per maand ontvangt; het hof zal met de helft hiervan rekening houden bij de draagkrachtberekening.

Premie zorgverzekering en zorgtoeslag

10. Het hof zal – nu de vader heeft nagelaten hieromtrent recente stukken in het geding te brengen – uitgaan van de premie zorgverzekering waarmee de rechtbank rekening heeft gehouden, zijnde afgerond € 93,- per maand. Verder houdt het hof, evenals de rechtbank, rekening met de helft van de zorgtoeslag van € 122,-, zijnde € 61,- per maand, en met een eigen risico van € 155,- per jaar.

Omgangskosten

11. Het hof houdt bij de berekening van de draagkracht van de vader rekening met de door de rechtbank vastgestelde omgangskosten van € 40,- per maand.

Schulden

12. De vader heeft verzocht om bij de berekening van zijn draagkracht rekening te houden met zijn schulden en met een aflossing hierop van € 115,- per maand. De moeder heeft deze betwist en gesteld dat partijen in eerste aanleg overeenstemming hebben bereikt omtrent de aflossing van de schulden van de vader en dat rekening kan worden gehouden met maximaal € 50,- per maand aan aflossing.

13. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat de afspraak van partijen, ter zitting in eerste aanleg gemaakt, zijnde dat er ten aanzien van de aflossing van de schuld van de vader rekening zal worden gehouden met een aflossing van € 50,- per maand, slechts één schuld aan de zijde van de vader betrof. Het is het hof gebleken dat de vader evenwel schulden heeft bij de Stichting [X], Eneco, de [naam bank] en de Stichting [naam woonstichting]. Hij lost deze schulden af met een bedrag van in totaal € 115,- per maand.

Gelet op het voorgaande alsmede op vaste jurisprudentie van de Hoge Raad op grond waarvan als uitgangspunt heeft te gelden dat op de draagkracht van de onderhoudsplichtige in beginsel al diens schulden van invloed zijn, zal het hof bij de berekening van de draagkracht uitgaan van een aflossing van de schulden van € 115,- per maand.

Overig

14. Het hof zal bij de berekening van de draagkracht van de vader uitgaan van de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 70.

15. Uit het vorenstaande volgt dat de draagkracht van de vader met ingang van 22 maart 2010 geen bijdrage voor de minderjarigen toelaat. Nu de vader evenwel ter terechtzitting heeft aangeboden om een bedrag van € 138,87 per maand voor de jongste minderjarige aan de moeder te betalen, zal het hof overeenkomstig dit aanbod beslissen.

16. Het hof zal als volgt beslissen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen in de periode met ingang van 22 maart 2010 betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt – met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 12 september 2008 van de rechtbank Rotterdam – met ingang van 22 maart 2010 de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] op € 138,87 per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt – met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 12 september 2008 van de rechtbank Rotterdam – met ingang van 22 maart 2010 de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats], op nihil;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Stille en Van Wijk, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 oktober 2010.