Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BP3633

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-10-2010
Datum publicatie
09-02-2011
Zaaknummer
200.063.017/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie; artikel 1:160 BW. Nihilbeding, aanvullende behoefte en relevante wijziging van omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 20 oktober 2010

Zaaknummer : 200.063.017/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 09-4523

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. B. Beekman te Noordwijk,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. H.A. Terleth-Gerretse te Lisse.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 12 april 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 12 januari 2010 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

De man heeft op 3 juni 2010 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De vrouw heeft op 21 juli 2010 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 4 mei 2010, 28 mei 2010, 30 augustus 2010 en 31 augustus 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 10 september 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vrouw bijgestaan door haar advocaat, en de man, bijgestaan door zijn advocaat. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw om – met wijziging van de beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 1 september 2004 en het daarin opgenomen echtscheidingsconvenant – met ingang van 1 mei 2009 de partneralimentatie op € 900,- per maand te bepalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans op een zodanig bedrag en met zodanige datum van ingang als de rechtbank juist acht, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: de partneralimentatie).

2. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen:

- dat het bij artikel 1 van het echtscheidingsconvenant opgenomen nihilbeding, althans de echtscheidingsbeschikking van 1 september 2004, dient te worden gewijzigd;

- dat er ten behoeve van de vrouw partneralimentatie wordt vastgesteld ten bedrage van € 900,- per maand, althans een bedrag door u in goede justitie te bepalen, door de man aan de vrouw bij vooruitbetaling te voldoen;

- dat de partneralimentatie wordt vastgesteld met ingang van 1 mei 2009, althans de datum van het verzoekschrift in eerste aanleg, zijnde 25 mei 2009, meer subsidiair per een datum zoals het hof in goede justitie zal bepalen.

3. Het hof zal eerst het incidenteel appel van de man beoordelen nu dit het meest verstrekkende verzoek is.

Incidenteel appel

4. In incidenteel appel verzoekt de man de bestreden beschikking, voor zover het betreft het primaire verweer van de man, gebaseerd op artikel 1:160 BW, op dit punt te vernietigen. Voorts verzoekt de man de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren, althans het verzoek ongegrond te verklaren dan wel dit verzoek af te wijzen althans een zodanige beslissing te nemen als het hof in goede justitie vermeent te behoren. Met veroordeling van de vrouw in de kosten van dit geding.

5. De man stelt dat de vrouw samenwoont als ware zij gehuwd en dat de rechtbank ten onrechte de verklaringen van de kinderen, die deze stelling onderbouwen, buiten beschouwing heeft gelaten omdat deze later zouden hebben verklaard dat deze verklaringen niet vrijwillig tot stand zijn gekomen. Hij verzoekt het hof alsnog rekening te houden met de eerste verklaringen van de kinderen. De man zal trachten aanvullend bewijs te leveren dat de vrouw samenwoont in de zin van artikel 1:160 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

6. De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist. Zij verzoekt het hof het incidenteel appel van de man af te wijzen.

7. Gelet op het feit dat toepassing van de bepaling van artikel 1:160 BW tot gevolg heeft dat de onderhoudsgerechtigde definitief een aanspraak op levensonderhoud jegens de onderhoudsplichtige verliest, wordt de zinsnede ‘samenleven als waren zij gehuwd’ in de jurisprudentie restrictief uitgelegd. Er dienen dan ook hoge eisen te worden gesteld aan de

motivering van de beslissing dat een dergelijke situatie zich voordoet.

8. Het hof is van oordeel dat de man, in het licht van de criteria van de Hoge Raad voor de vaststelling van een situatie als bedoeld in artikel 1:160 BW, onvoldoende heeft gesteld om te kunnen aannemen dat de vrouw samenwoont met een nieuwe partner. Het hof acht de enkele, niet nader met feiten en omstandigheden onderbouwde stelling van de man, dat de vrouw samenwoont als ware zij gehuwd, onvoldoende. De alimentatieverplichting van de man ten behoeve van de vrouw is naar het oordeel van het hof dan ook niet geëindigd. Het hof zal het incidentele appel van de man afwijzen.

Principaal appel

9. In haar eerste grief stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat haar onderneming al op 1 april 2004 was opgeheven. Op 1 april 2004 is de v.o.f. die de vrouw samen met haar zus had, omgezet in een eenmanszaak op naam van de vrouw. De onderneming is volgens de vrouw pas op 1 april 2005 geëindigd.

In haar tweede grief betwist de vrouw dat zij in eerste aanleg geen inkomensgegevens heeft overgelegd. Volgens de vrouw heeft zij bij productie 15 de jaarcijfers van café [naam café] overgelegd. Deze onderneming is op 1 april 2005 gestopt. Daarna heeft de vrouw een gering inkomen gehad uit diverse losse baantjes.

10. In haar derde grief stelt de vrouw zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden. Volgens de vrouw zijn er twee relevante wijzigingen:

1) de vrouw kon, achteraf gezien, vanaf de ondertekening van het convenant al niet in haar eigen levensonderhoud voorzien waardoor het nihilbeding van artikel 1 van het convenant al van meet af aan niet aan de maatstaven der wet voldeed;

2) de gezondheid van de vrouw is sinds de ondertekening van het convenant dermate verslechterd dat zij niet meer in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

11. De man bestrijdt het beroep en verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren, althans het verzoek ongegrond te verklaren dan wel dit verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. Hij betoogt onder meer dat het niet mogelijk is om vast te stellen of er sprake is van een wijziging van omstandigheden nu door de vrouw geen inkomensgegevens zijn overgelegd over de periode ten tijde van de ondertekening van het convenant op 26 juni 2004. Ook kan niet worden vastgesteld of het nihilbeding al van meet af aan niet aan de maatstaven van de wet heeft voldaan, aldus de man. Vanwege het ontbreken van gegevens omtrent de gezondheid van de vrouw kan niet worden nagegaan of deze sedert de ondertekening van het convenant is verslechterd.

Wijziging van omstandigheden

12. Het hof overweegt ten aanzien van de derde grief van de vrouw als volgt. Partijen zijn bij hun echtscheidingsconvenant van 26 juni 2004 in artikel 1.3 overeengekomen dat op grond van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 BW het nihilbeding van artikel 1.1 van het tussen hen gesloten convenant in onderling overleg of bij rechterlijke uitspraak kan worden gewijzigd. De rechtbank heeft vastgesteld dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden en de vrouw ontvangen in haar verzoek. Nu hiertegen niet door partijen is gegriefd, zal het hof de rechtbank volgen.

13. Het hof zal hierna beoordelen of er sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden sinds het sluiten van het convenant tussen partijen op 26 juni 2004.

14. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat er sprake is van een rechtens relevantie wijziging van omstandigheden die een heroverweging van de tussen partijen gemaakte afspraken omtrent de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie rechtvaardigt. Deze rechtens relevante wijziging van omstandigheden is gelegen in het volgende.

15. Uit artikel 1 van voornoemd convenant blijkt dat partijen er bij het sluiten van het convenant van uit zijn gegaan dat het inkomen van de vrouw kon worden vastgesteld op € 36.160,- bruto per jaar en dat zij daarmee in haar eigen levensonderhoud zou kunnen voorzien.

16. Uit de stukken en alle feiten en omstandigheden die naar voren zijn gebracht, is gebleken dat de vrouw dat inkomen in de periode vanaf de verzochte ingangsdatum van de partneralimentatie niet gehaald heeft. Dat dit te maken heeft met een slechte, en mogelijk verslechterde, gezondheidstoestand van de vrouw acht het hof aannemelijk. Vast staat dat de vrouw vanaf november 2008 een ZW-uitkering ontvangt.

17. Haar totale inkomen bedroeg in 2008 blijkens overgelegde jaaropgaven € 6.271,-. Zij ontving blijkens een inkomensspecificatie van januari 2009 in dat jaar een netto inkomen/uitkering ziektewet van € 1.181,48 per maand. Met ingang van 1 november 2010 zal zij een WIA-uitkering ter hoogte van € 576,07 bruto per maand gaan ontvangen.

18. Nu gesteld noch gebleken is dat de vrouw daarnaast over andere inkomstenbronnen beschikt is het hof van oordeel dat de vrouw niet in staat is om volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Derhalve heeft de vrouw behoefte aan een aanvullende bijdrage van de man.

Wat is de aanvullende behoefte

19. In eerste aanleg en in appel heeft de vrouw verzocht een partneralimentatie vast te stellen van € 900,- per maand. Ter zitting heeft de vrouw haar aanvullende behoefte op € 750,- per maand gesteld. Gezien het inkomen van de man tijdens het huwelijk, het inkomen dat partijen voor de vrouw hadden begroot van € 36.160,- en het feitelijk inkomen dat de vrouw thans geniet acht het hof aangetoond dat de vrouw behoefte heeft aan een alimentatie van de man van € 750,-.

Draagkracht man

Inkomen

20. Bij de overgelegde stukken bevindt zich een door de man opgestelde draagkrachtberekening van 18 november 2009.

21. De man heeft ter terechtzitting daar naar gevraagd door het hof verklaard dat de in de draagkrachtberekening opgenomen tot november 2009 behaalde winst van € 60.000,- bruto omgerekend naar een jaar bruto € 78.000,- bedraagt. Nu de vrouw dit niet heeft weersproken zal het hof hiervan uitgaan.

22. De man heeft voorts gesteld dat bij de berekening van zijn draagkracht rekening dient te worden gehouden met de invloed van de economische crisis op de te behalen winst uit onderneming in 2010. Het hof zal hiermee geen rekening houden nu de man onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht ter onderbouwing van deze stelling.

Lasten

23. Het hof zal bij de berekening van de draagkracht uitgaan van de door de man in zijn draagkrachtberekening opgevoerde lasten en overige posten, nu de vrouw hiertegen geen verweer heeft gevoerd.

24. Uit het vorenstaande volgt dat de man in staat moet worden geacht om te voorzien in de aanvullende behoefte van de vrouw van € 750,- bruto per maand. Het hof zal dit bedrag dan ook vaststellen.

25. De vrouw heeft verzocht om de partneralimentatie met ingang van 1 mei 2009 vast te stellen. Nu de man hiertegen geen verweer heeft gevoerd zal het hof dienovereenkomstig beslissen.

26. Gelet op het vorenoverwogene behoeven de eerste en tweede grief van de vrouw geen bespreking meer.

27. Het hof zal als volgt beslissen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 1 september 2004 van de rechtbank ’s-Gravenhage en het daarin opgenomen artikel 1.1 van het tussen partijen op 26 juni 2004 gesloten convenant - de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw, met ingang van 1 mei 2009 op € 750,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Van de Poll en Zwagemaker, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 oktober 2010.