Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BP3468

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-10-2010
Datum publicatie
08-02-2011
Zaaknummer
200.069.246.01 en 200.069.502.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing van de moeder en de vader van het ouderlijk gezag over de minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 13 oktober 2010

Zaaknummers : 200.069.246/01 en 200.069.502/01

Rekestnrs. rechtbank : FA RK 09-10719, FA RK 09-10720 en FA RK 09-10721

In de zaak met zaaknummer 200.069.246/01:

[de moeder],

wonende op een geheim adres,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. C.R.D. Kommer te ’s-Gravenhage,

tegen

de raad voor de kinderbescherming,

regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord,

locatie ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [de vader],

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. W.N. Sardjoe te ’s-Gravenhage,

2. [de pleegmoeder],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de pleegmoeder.

3. de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden,

kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

In de zaak met zaaknummer 200. 069.502/01:

[de vader],

wonende op een geheim adres,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. W.N. Sardjoe te ’s-Gravenhage,

tegen

de raad voor de kinderbescherming,

regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord,

locatie ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [de moeder],

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. C.R.D. Kommer te ’s-Gravenhage,

2. [de pleegmoeder],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de pleegmoeder.

3. de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden,

kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

De moeder en de vader worden gezamenlijk ook aangeduid als: de ouders.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder en de vader zijn ieder afzonderlijk op 22 juni 2010 en 30 juni 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 31 maart 2010 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De raad heeft in beide zaken afzonderlijk op 16 augustus 2010 een verweerschrift ingediend.

Op 17 september 2010 zijn beide zaken, tezamen met de zaak met zaaknummer: 200.069.242/01, mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en namens de raad: de heer R. van der Touw. Voorts zijn verschenen: de pleegmoeder en namens Jeugdzorg: de heer F.A. Beumer. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof, in beide zaken, naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking zijn de moeder en de vader ontheven van het ouderlijk gezag over onder meer de minderjarige [naam], geboren op [geboortedatum in] 2000 te [geboorteplaats], verder: de minderjarige. Jeugdzorg is benoemd tot voogdes over de minderjarige. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de ontheffing van de moeder en de vader van het ouderlijk gezag over de minderjarige.

2. De moeder verzoekt het hof in de zaak met zaaknummer 200.069.246/01 de bestreden beschikking te vernietigen (het hof leest:) voor zover het de ontheffing van het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarige betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende, het verzoek van de raad af te wijzen.

3. De vader verzoekt het hof in de zaak met zaaknummer 200.069.502/01 de bestreden beschikking te vernietigen (het hof leest:) voor zover het de ontheffing van het ouderlijk gezag van de ouders over de minderjarige betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende, het gezamenlijk gezag, subsidiair het ouderlijk gezag van de vader over de minderjarige in stand te laten, althans een beslissing te nemen die het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

4. De raad bestrijdt beide beroepen.

5. De moeder stelt zich op het standpunt dat de rechtbank haar ten onrechte heeft ontheven van het ouderlijk gezag over de minderjarige. Zij voert daartoe het volgende aan. Niet is gebleken dat aan de criteria van artikel 1:268 BW is voldaan. In het verleden heeft de kinderrechter juist op grond van de capaciteiten van de moeder als liefdevolle opvoeder besloten de jongste dochter bij haar terug te plaatsen. Volgens de moeder is het belang van de minderjarige niet voldoende in de overwegingen van de rechtbank meegenomen. De raad heeft niet onderkend dat eerder sprake was van een tijdelijke uithuisplaatsing. De mogelijkheid tot terugplaatsing van de minderjarige zou worden bekeken. De moeder stelt dat zij alles in het werk heeft gesteld om medewerking te verlenen aan de hulpverlening in het vrijwillige kader. Zo heeft zij sinds twee jaar hulp van de Stichting [naam] met betrekking tot de opvoeding van haar jongste dochter. Met die vrijwillige hulp kan zij wel degelijk in staat worden geacht om de verzorging en opvoeding van de minderjarige op zich te nemen. Zij kan hem rust en stabiliteit bieden en is van mening dat een terugkeer van de minderjarige naar haar geen ernstig nadeel voor hem zal opleveren.

6. De vader stelt zich op het standpunt dat de rechtbank zowel hem als de moeder ten onrechte heeft ontheven van het ouderlijk gezag over de minderjarige. Daartoe voert hij het volgende aan. De raad en Jeugdzorg hebben onvoldoende gemotiveerd waarom de vader, al dan niet in combinatie met de moeder als één team, niet over voldoende pedagogische kwaliteiten beschikt om de minderjarige op adequate wijze op te voeden. Hierbij is van belang dat de vader in staat is en ook de wens heeft om alle opvoedingsadviezen in acht te nemen. Dit geldt ook voor de moeder. Verder is van belang dat de minderjarige in het verleden niet alleen bij een therapeutisch pleeggezin heeft verbleven, maar ook bij een normaal pleeggezin. Dit rechtvaardigt dat de ouders, althans de vader, in staat gesteld worden om voortschrijdend inzicht te verwerven om een autistisch kind een adequate opvoeding te bieden. De conclusie dat terugplaatsing bij de ouders niet mogelijk is, is onzorgvuldig en gebaseerd op een verwachting van de raad dat de ouders niet begeleidbaar zijn. De vader is verder van mening dat in de bestreden beschikking voorbij is gegaan aan zijn leerbaarheid.

7. De raad stelt zich in beide zaken op het standpunt dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist zoals deze heeft gedaan en voert daartoe het volgende aan. De raad is van mening dat er in het kader van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing voldoende is geprobeerd om de ouders de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige te laten behouden. Zicht op een terugplaatsing van de minderjarige bij de moeder of de vader is er volgens de raad niet meer. Bij de minderjarige is sprake van een autistische stoornis, ADHD en NLD. Voorts heeft de minderjarige moeite om zich te hechten. Door deze problematiek is het van belang hem een duidelijke structuur en een consequente aanpak te bieden. Dit is niet gemakkelijk en vraagt continue, intensieve aandacht. Hoewel de moeder haar capaciteiten als liefdevolle opvoeder onder de aandacht brengt, is de raad van mening dat de moeder de minderjarige deze structuur en aanpak, onder andere vanwege moeders eigen problematiek, niet kan bieden. Ook de vader is volgens de raad niet in staat om in te spelen op de specifieke ontwikkelingsbehoeften van de minderjarige. In de afgelopen jaren heeft de vader geenszins laten zien bereid of in staat te zijn de zorg van de minderjarige alleen op zich te nemen. De vader is ook niet ingegaan op uitnodigingen van de raad voor gesprekken in het kader van het ontheffingsverzoek. De raad is bovendien van mening dat de minderjarige niet bij de vader kan worden teruggeplaatst omdat de minderjarige te kennen heeft gegeven bang te zijn voor de vader. Het is in het belang van de minderjarige dat hij stabiliteit en continuïteit ervaart in zijn huidige pleeggezin. Een ontheffing van het ouderlijk gezag draagt daaraan bij.

8. Namens Jeugdzorg is ter terechtzitting verklaard dat zowel Jeugdzorg als de raad de vader heeft betrokken bij het onderzoek met betrekking tot de ontheffing. Ook in de gehele voorafgaande hulpverleningsprocedure heeft de vader kansen gehad zich als opvoeder te bewijzen. De vader heeft Jeugdzorg laten weten geen contact met de minderjarige te willen totdat er een nieuwe gezinsvoogd is aangesteld. Als gevolg hiervan heeft de vader de minderjarige al twee maanden niet meer gezien, hetgeen Jeugdzorg betreurt. Met betrekking tot de moeder heeft Jeugdzorg verklaard dat het goed met haar gaat. Zij doet haar best om de band met de minderjarige te behouden en is haar eigen leven weer aan het oppakken. Gelet op de problemen die de moeder zelf heeft en de omstandigheid dat zij momenteel haar handen vol heeft aan haar jongste dochter, acht Jeugdzorg het niet verstandig de minderjarige terug te plaatsen bij de moeder. Daarbij komt dat de minderjarige te maken heeft met eigen problematiek. Zowel de moeder als de vader dienen volgens Jeugdzorg te worden ontheven van het ouderlijk gezag over de minderjarige.

9. De pleegmoeder heeft ter terechtzitting verklaard dat het redelijk gaat met de minderjarige zolang het rustig om hem heen is. De minderjarige heeft niet alleen ADHD, maar is ook autistisch en zwakbegaafd. Daarnaast kampt hij met een hechtingsstoornis. In tegenstelling tot de moeder houdt de vader zich niet aan de gemaakte afspraken omtrent de bezoekregeling. Daarbij komt dat de minderjarige bang is voor de vader.

10. Het hof overweegt in beide zaken als volgt. Op grond van artikel 1:266 BW kan een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen worden ontheven, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet. Krachtens artikel 1:268, eerste lid, BW kan een ontheffing niet worden uitgesproken indien de ouder zich daartegen verzet. Ingevolge het tweede lid, aanhef en sub a van dat wetsartikel, voor zover thans van belang, leidt deze regel uitzondering indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan één jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel – door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen – onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254, eerste lid, BW af te wenden.

11. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de minderjarige in april 2003 onder toezicht is gesteld en in oktober 2004 middels een daartoe afgegeven machtiging uit huis is geplaatst omdat de moeder met spoed werd opgenomen in het ziekenhuis voor acute trombose en de vader de zorg voor de minderjarige en de andere kinderen in het gezin niet alleen aankon. De ontwikkeling en de gezondheid van de minderjarige werden ernstig bedreigd. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat verschillende onderzoeken hebben uitgewezen dat er bij de minderjarige sprake is van een stoornis in het autistisch spectrum, ADHD en NLD en dat hij moeite heeft om zich te hechten. Gelet hierop is het van belang dat hem een duidelijke structuur en een consequente aanpak worden geboden. In 2005 heeft een onderzoek bij het Haags Ambulatorium plaatsgevonden waaruit naar voren komt dat de vader voorafgaand aan de uithuisplaatsing van de minderjarige niet of nauwelijks betrokken was bij de hulpverlening. Hij liet veel boosheid zien richting de hulpverlenende instanties over de uithuisplaatsing en was niet in staat te kijken naar zijn eigen aandeel in de ontstane problemen. De vader heeft ook na de uithuisplaatsing niet laten zien bereid of in staat te zijn de zorg van de minderjarige alleen op zich te nemen. Hij kwam de bezoekafspraken niet goed na en er was sprake van een moeizame samenwerking met Jeugdzorg. Dit heeft er onder meer toe geleid dat hij de minderjarige enige tijd niet heeft bezocht. Afspraken met de raad in het kader van het onderzoek naar een ontheffing kwam de vader eveneens niet na. De vader heeft daarmee naar het oordeel van het hof laten zien dat hij niet voldoende in staat is de belangen van de minderjarige voorop te stellen. Daarnaast is gebleken dat de vader onvoldoende inzicht heeft in hetgeen de minderjarige gezien zijn problematiek nodig heeft, onder meer doordat hij zich in het bijzijn van de minderjarige negatief uitlaat over de plaatsing bij de pleegmoeder. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de vader onmachtig, althans ongeschikt is de minderjarige te verzorgen en op te voeden. Het belang van de minderjarige verzet zich niet tegen een ontheffing van het ouderlijk gezag van de vader.

12. Ten aanzien van de moeder is het hof gebleken dat zij vanwege haar eigen problematiek niet in staat is in te spelen op de specifieke opvoedingsbehoeften van de minderjarige. Zij heeft een verstandelijke beperking en er is sprake van een borderline persoonlijkheidsstoornis. Voorts is de moeder tijdens de ondertoezichtstelling van de minderjarige niet leerbaar gebleken op pedagogisch gebied. De moeder heeft in hoger beroep geen feiten of omstandigheden gesteld die kunnen leiden tot een ander beeld hieromtrent. De moeder stelt weliswaar dat bij haar sprake is van een positieve ontwikkeling nu zij haar jongste dochter met hulp van de Stichting Ipse de Bruggen bij haar thuis opvoedt, doch dit brengt naar het oordeel van het hof niet zonder meer met zich dat zij in staat is ook de minderjarige op te voeden. De bij de minderjarige geconstateerde stoornissen vergen bovengemiddelde opvoedingsvaardigheden, die de moeder hem gelet op haar eigen problematiek niet kan bieden. Mede door de problemen van de minderjarige bestaat het risico dat een wijziging van zijn verblijfplaats tot een terugval in zijn ontwikkeling zal leiden. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de moeder onmachtig is de minderjarige de zorg en opvoeding te geven die hij gezien zijn problematiek nodig heeft. Het belang van de minderjarige verzet zich niet tegen een ontheffing van het ouderlijk gezag van de moeder.

13. Het is het hof gebleken dat de minderjarige sinds de uithuisplaatsing vanwege zijn problematische gedrag in verschillende pleeggezinnen heeft verbleven en thans sinds drie jaren bij de pleegmoeder verblijft. De pleegmoeder biedt hem een stabiel, duidelijk, voorspelbaar en veilig opvoedingsklimaat, hetgeen de minderjarige gezien zijn problematiek nodig heeft om zich goed te kunnen ontwikkelen. Het toekomstperspectief van de minderjarige ligt bij de pleegmoeder. De relatie tussen de pleegmoeder en de vader is gespannen, aangezien de vader de verblijfplaats van de minderjarige ter discussie blijft stellen. Bij een jaarlijkse verlenging van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing blijft de onzekerheid over het opvoedingsperspectief van de minderjarige voortduren, hetgeen voor alle partijen spanningen meebrengt die hun weerslag hebben op de stabiliteit in de situatie van de minderjarige. Door de houding van de ouders, die de uithuisplaatsing van de minderjarige niet ondersteunen, ontstaat onrust en onduidelijkheid bij de minderjarige en de pleegmoeder. De jaarlijkse verlengingen belemmeren de minderjarige in zijn ontwikkeling en ontnemen hem de mogelijkheid zich veilig te blijven hechten aan degene die hem dagelijks verzorgt en opvoedt, te weten de pleegmoeder.

14. Alles in onderling verband en tezamen gezien is het hof van oordeel dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de minderjarige onvoldoende zijn om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden. Daarbij neemt het hof nog in aanmerking dat in de gegeven omstandigheden aan het belang van de minderjarige bij continuering van de huidige opvoedingssituatie en voortzetting van een ongestoord hechtingsproces een zwaarder wegende betekenis dient te worden toegekend dan aan het belang van de ouders om met het gezag te blijven belast.

15. Gezien het vorenstaande is het hof van oordeel dat de wettelijke gronden voor een ontheffing van het ouderlijk gezag van zowel de moeder als de vader over de minderjarige aanwezig zijn. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, derhalve bekrachtigen.

16. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP IN BEIDE ZAKEN

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

draagt de griffier van het hof op onverwijld van deze beslissing mededeling te doen aan de griffier van de rechtbank te ’s-Gravenhage;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Lückers, Kamminga en De Haan-Boerdijk, bijgestaan door mr. Dooting als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 oktober 2010.