Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BP2902

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-10-2010
Datum publicatie
03-02-2011
Zaaknummer
200.070.475-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling. Niet voldaan aan de wettelijke criteria: inleidende verzoek wordt alsnog in hoger beroep afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 13 oktober 2010

Zaaknummer : 200.070.475/01

Rekestnr. rechtbank : J1 RK 09-897

[appellant]

wonende op een geheim adres,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M.P.G. Rietbergen te Rotterdam,

tegen

de raad voor de kinderbescherming,

kantoorhoudende te Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende is aangemerkt:

de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam,

kantoorhoudende te Rotterdam,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 15 juli 2010 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 28 april 2010 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam.

De raad heeft geen verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 11 augustus 2010 en 13 augustus 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 29 september 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Namens de raad is verschenen: de heer [D.]. Namens Jeudzorg zijn verschenen: mevrouw [K.] en de heer [G.]. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

De advocaat van de moeder heeft ter terechtzitting, met instemming van de andere belanghebbenden, een ‘concept voortgangsrapportage gezinsbegeleiding’ van 13 september 2010 van mevrouw [M.K.] en een brief van 22 september 2009 van de groepsleerkrachten van groep 1/2 van de openbare basisschool [X] overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar een beschikking van 1 september 2009 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam, alsmede de daarbij behorende herstelbeschikking van 16 september 2009, en de bestreden beschikking en de daarbij behorende herstelbeschikking van 30 juni 2010.

Bij beschikking van 1 september 2009, verbeterd bij beschikking van 16 september 2009, is bepaald dat de behandeling van de zaak pro forma wordt aangehouden. De raad is verzocht uiterlijk twee weken voor de pro forma-datum de kinderrechter de verzochte rapportage te doen toekomen.

Bij de (herstelde) bestreden beschikking zijn - uitvoerbaar bij voorraad - de hierna te noemen minderjarigen: [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van zes maanden onder toezicht gesteld met benoeming van Jeugdzorg tot stichting in de zin van de Wet op de Jeugdzorg. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is het verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarigen:

[minderjarige 1], geboren [in] 2004 te [geboorteplaats], en

[minderjarige 2], geboren [in] 2006 te [geboorteplaats];

hierna gezamenlijk verder: de kinderen.

De moeder is alleen met het ouderlijk gezag over de kinderen belast.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen, althans een beslissing te nemen dewelke het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

Ter terechtzitting heeft de advocaat van de moeder het beroepschrift aangevuld in die zin, dat zij verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek tot ondertoezichtstelling van de kinderen af te wijzen.

3. De raad bestrijdt het beroep.

4. De moeder stelt zich op het standpunt dat de kinderrechter de kinderen ten onrechte onder toezicht heeft gesteld. Daartoe voert zij het volgende aan. Er wordt niet voldaan aan de in de wet genoemde vereisten voor een ondertoezichtstelling, nu gesteld noch gebleken is dat sprake is van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen en bovendien hulpverlening binnen het vrijwillig kader plaatsvindt. Het onderzoek van de raad geeft volgens de moeder een onvolledig beeld van de situatie binnen haar gezin of haar medewerking aan de hulpverlening. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de moeder haar volledige medewerking aan de hulpverlening in het vrijwillig kader ten behoeve van haarzelf en de kinderen heeft verleend. De gezinsbegeleider heeft voldoende zicht op de thuissituatie en deze vorm van hulpverlening kan in het vrijwillig kader worden voortgezet. Daarnaast blijkt uit de verslagen van school en het kinderdagverblijf dat het goed gaat met de kinderen. Naar de mening van de moeder heeft de raad niet aannemelijk gemaakt dat de kinderen zodanig opgroeien in een situatie, dat hun zedelijke of geestelijke belangen of hun gezondheid ernstig worden bedreigd en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen. De regels van subsidiariteit en proportionaliteit zijn volgens de moeder geschonden. Bovendien is een ondertoezichtstelling er niet om te bezien of de huidige situatie bedreigend is. Gelet op het voorgaande dient de bestreden beschikking te worden vernietigd, aldus de moeder.

Ter terechtzitting is door de moeder verklaard dat het goed gaat met de kinderen, zoals ook blijkt uit de brief van de school van de kinderen en de voortgangsrapportage van de gezinsbegeleider van Horizon. Op school en in de kinderspeelzaal draaien de kinderen normaal mee, zij passen zich aan en luisteren naar de leidsters. Kortom, zij vallen in hun gedrag niet op. Voorts dient in aanmerking te worden genomen dat de moeder heftig, doch gemotiveerd verzet toont tegen de ondertoezichtstelling. Het verzet tegen de maatregel kost de moeder zoveel energie, dat zij deze niet meer kan inzetten voor de verzorging van de kinderen en de maatregel zijn doel voorbijgaat. De ondertoezichtstelling is dan ook niet zinvol, aldus de moeder.

5. De raad heeft ter terechtzitting verweer gevoerd. Namens de raad is gesteld dat de kinderrechter op goede gronden de ondertoezichtstelling heeft uitgesproken. Uit het raadsonderzoek kwam naar voren dat de moeder de kinderen meer structuur moet bieden. Geconstateerd werd dat de moeder gemotiveerd aan de slag was met de hulpverlening, doch dat het langdurige traject aan hulpverlening niet heeft geleid tot verbetering van de situatie. De ondertoezichtstelling diende de moeder te begeleiden in een verbetering van de situatie. Thans moet geconstateerd worden dat de moeder zich om gegronde en begrijpelijke redenen hevig verzet tegen het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling. Als het verzet zo groot is dat dit de hulpverlening in de weg staat, is de maatregel van ondertoezichtstelling een te zware maatregel en gaat het zijn doel voorbij.

6. Namens Jeugdzorg is ter terechtzitting verklaard dat zij de zorgen, zoals door de raad verwoord in de raadsrapporten, gerechtvaardigd acht. Desgevraagd is verklaard dat er een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling is ingediend op de gronden zoals in de raadsrapporten is vermeld. In antwoord op de vraag in hoeverre de doelstelling van de ondertoezichtstelling, zoals door de kinderrechter in de bestreden beschikking verwoord, is behaald, is namens Jeugdzorg geantwoord dat de termijn te kort was om gedegen onderzoek te doen, doch dat de zorgen zoals door de raad in de raadsrapporten omschreven zijn gerechtvaardigd worden geacht. De kinderen zijn gebaat bij meer regels en structuur.

7. Het hof stelt voorop dat een verzoek tot ondertoezichtstelling slechts kan worden toegewezen indien de gronden daarvoor, zoals vermeld in artikel 1:254 van het Burgerlijk Wetboek, aanwezig zijn. Bij zijn beoordeling dient het hof derhalve te onderzoeken of de kinderen bij het uitblijven van de ondertoezichtstelling zodanig zullen opgroeien, dat hun zedelijke of geestelijke belangen dan wel gezondheid ernstig worden bedreigd en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen. Het hof is van oordeel dat de kinderrechter, door te overwegen dat het in het belang van de kinderen is dat er hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling komt om zodoende te bewerkstelligen dat zo spoedig mogelijk de opvoedsituatie nader in kaart wordt gebracht en de noodzakelijke hulpverlening wordt ingezet, bij de beoordeling van het verzoek een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd. Het hof zal derhalve het verzoek aan de hand van de juiste maatstaf opnieuw beoordelen.

8. Op basis van de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat van meet af aan niet is voldaan aan de wettelijke gronden voor een ondertoezichtstelling nu noch uit de aan de bestreden beschikking ten grondslag liggende omstandigheden, noch nadien is gebleken van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen. Daartoe overweegt het hof dat uit de raadsrapporten weliswaar zorgen ten aanzien van de ontwikkeling van de kinderen en de opvoedingsstijl van de moeder naar voren komen – zij zou de kinderen onvoldoende structuur bieden – doch naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat (hierdoor) de ontwikkeling van de kinderen ernstig is of wordt bedreigd. Ook in de door Jeugdzorg en de raad in hoger beroep aangedragen feiten en omstandigheden ziet het hof geen bevestiging dat ten tijde van de bestreden beschikking sprake was van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen. De enkele stelling van de raad en Jeugdzorg dat de kinderen baat hebben bij meer structuur en regels in de opvoeding, acht het hof onvoldoende om een zo ernstige bedreiging aan te nemen. Het hof ziet hiervan ook bevestiging in het beeld dat mevrouw [M.K.], de gezinsbegeleidster van de moeder, in het concept voortgangsrapportage gezinsbegeleiding over de huidige opvoedingssituatie schetst. Uit de rapportage komt naar voren dat de opvoedingsstijl van de moeder geen negatief effect voor de ontwikkeling van de kinderen heeft en dat de resultaten van de gezinsbegeleiding gunstig blijven. Nu het hof van oordeel is dat van meet af aan geen sprake is geweest van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen, dient reeds op deze grond het verzoek tot ondertoezichtstelling van de kinderen alsnog te worden afgewezen. Het hof komt derhalve niet toe aan een beoordeling van de tweede grond van de ondertoezichtstelling.

9. Het vorenstaande leidt tot vernietiging van de bestreden beschikking in die zin, dat het inleidende verzoek alsnog wordt afgewezen.

10. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het inleidende verzoek van de raad alsnog af;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mos-Verstraten, Kamminga en Hulsebosch, bijgestaan door mr. Willems als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 oktober 2010.