Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BP2894

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-11-2010
Datum publicatie
03-02-2011
Zaaknummer
200.056.333-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Eerste vaststelling van de behoefte van de vrouw in wijzigingsprocedure; bespreking van de verdiencapaciteit vrouw: kan geacht worden in eigen levensonderhoud te voorzien. Ingangsdatum nihilstelling; geen terugbetalingsverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 3 november 2010

Zaaknummer : 200.056.333/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 09-3895

[appellant]

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J.F.M. van Weegberg te ’s-Gravenhage,

tegen

[geintimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. E.E. Mielen te Wassenaar.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 2 februari 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 3 november 2009 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De vrouw heeft op 21 mei 2010 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De man heeft op 21 juni 2010 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 9 september 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 14 september 2010 bij twee verschillende brieven aanvullende stukken ingekomen.

Op 23 september 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. De aanwezigen hebben het woord gevoerd, de advocaten van partijen onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit¬ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen partijen het volgende vast.

Partijen zijn gehuwd geweest van 19 maart 2001 tot en met 18 juli 2007.

De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw heeft de Cubaanse nationaliteit.

Bij beschikking van 26 januari 2007 van de rechtbank te ‘s-Gravenhage is – voor zover hier van belang – een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw (verder: partneralimentatie) ten laste van de man bepaald van € 172,- per maand.

Bij beschikking van 28 mei 2008 van dit hof is – voor zover hier van belang – een partneralimentatie ten laste van de man bepaald van € 450,- per maand.

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de man (te weten: nihilstelling van de partneralimentatie met bepaling dat de vrouw het teveel betaalde moet terugbetalen aan de man) afgewezen en is bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is het verzoek tot wijziging van de partneralimentatie ten behoeve van de vrouw.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de verzoeken van de man in eerste aanleg alsnog toe te wijzen.

3. De vrouw bestrijdt het beroep. In incidenteel appel verzoekt de vrouw de bestreden beschikking te bekrachtigen voor de periode tot 15 mei 2010 en te vernietigen voor zover het betreft de periode vanaf – het hof begrijpt: met ingang van – 15 mei 2010 en, in zoverre opnieuw beschikkende, te bepalen dat de man vanaf – het hof begrijpt: met ingang van – 15 mei 2010 dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met een nog nader te bepalen, doch in ieder geval hoger bedrag dan € 488,83 per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.

4. De man verzet zich hiertegen.

Omvang van de rechtsstrijd

5. Het hoger beroep van de man richt zich in het bijzonder tegen het oordeel van de rechtbank dat de behoefte van de vrouw als vaststaand kan worden aangenomen en dat de man dient aan te tonen dat zij geen behoefte heeft. De man is van mening dat de rechtbank de bewijslast ten onrechte bij hem heeft neergelegd en voorts dat de vrouw dient aan te tonen dat zij nog steeds behoefte heeft aan een aanvullende uitkering tot levensonderhoud.

6. De vrouw stelt in het principaal appel dat de rechtbank juist heeft geoordeeld ten aanzien van de bewijslast. Voorts stelt zij in het incidenteel appel dat haar behoefte is toegenomen en dat zij niet in staat is of kan worden geacht volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien.

7. Het hof stelt vast dat de omvang van de behoefte van de vrouw in de voorafgaande procedures niet eerder door de rechter in concreto is vastgesteld en in de onderhavige procedure een geschilpunt is. Daarvan uitgaande is het hof van oordeel dat het aan de vrouw is om aan te tonen wat haar behoefte is en dat zij, gelet op de stelling van de man, niet in staat is om volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien.

Behoefte van de vrouw

8. Het hof overweegt met betrekking tot de omvang van de behoefte van de vrouw als volgt. Bij het bepalen van de mede aan de welstandgerelateerde behoefte van de vrouw moet rekening worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder zowel de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk als het uitgavenpatroon in diezelfde periode. Daarnaast wordt de behoefte zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud bepaald. Nu de vrouw haar behoefte door middel van een behoefteberekening heeft geconcretiseerd, gaat het hof hiervan uit voor zover deze posten niet door de man zijn betwist.

9. De vrouw heeft haar behoefte gespecificeerd door middel van een met stukken onderbouwde behoefteberekening van 13 september 2010 waaruit een behoefte - verminderd met de toepasselijke heffingskortingen - van € 2.038,- netto per maand volgt. Zij voert daarin de volgende maandelijkse lasten op:

- ‘kale’ huur € 568,-

- telefoonkosten € 100,-

- gas, water en elektriciteit € 134,-

- inboedelverzekering € 25,-

- boodschappen € 500,-

- andere lasten: kapper etc. € 50,-

- ziektekostenverzekering € 246,-

- begrafenisverzekering € 35,-

- kabeltelevisie € 30,-

- aflossing schulden € 150,-

- vakantie € 50,-

- uitgaan € 50,-

- vervanging inboedel € 50,-

- oudedagsreserveringen € 50,-

10. Deze behoefteberekening is ter gelegenheid van de mondelinge behandeling bij het hof aan de orde gesteld. De man betwist op een enkele post na, alle door de vrouw opgevoerde lasten.

11. Met betrekking tot de door de vrouw opgevoerde lasten overweegt het hof als volgt. De door de vrouw opgevoerde bedragen van huur, gas/water/licht, inboedelverzekering, begrafenisverzekering, kabel, kapper etc., vakantie en uitgaan komen het hof niet onredelijk voor, zodat het hof hiermee rekening houdt. Het hof houdt voorts rekening met de door de vrouw opgevoerde post aflossing op schulden, nu het bestaan van deze schulden door de man is erkend en in beginsel rekening met de aflossing op deze schulden dient te worden gehouden. Het hof stelt de telefoonkosten waarmee in redelijkheid rekening moet worden gehouden vast op € 75,- per maand, nu het door de vrouw gestelde bedrag het hof onredelijk voorkomt en de vrouw niet heeft aangetoond dat haar telefoonkosten daadwerkelijk hoger zijn. Daarnaast acht het hof het niet juist dat de premie ziektekosten voor de 19-jarige dochter van partijen wordt betrokken bij de behoefteberekening van de vrouw. Het hof gaat dan ook uit van een bedrag van € 123,- per maand aan ziektekosten. Voorts acht het hof het door de vrouw opgevoerde bedrag aan boodschappen onredelijk hoog en gaat het hof ter zake van deze post uit van een bedrag van € 400,- per maand. Het hof houdt geen rekening met de oudedagsreservering nu niet aannemelijk is geworden dat deze reservering feitelijk wordt gedaan.

12. Met inachtneming van het vorenstaande begroot het hof de behoefte van de vrouw in redelijkheid op € 1.800,- netto per maand.

Verdiencapaciteit van de vrouw

13. De man stelt dat de vrouw in staat is of kan worden geacht in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Hij is van mening dat zij een grotere verdiencapaciteit heeft en betwist daartoe dat zij vanwege een chronische aandoening niet in staat is (meer) te werken. Evenmin kan het onderhoud van de meerderjarige dochter van partijen een belemmering zijn voor het benutten van haar verdiencapaciteit, zo stelt hij. Bovendien heeft de vrouw niet onderbouwd waarom zij geen bijstands- of werkloosheidsuitkering heeft aangevraagd. Ten slotte verwijst de man naar het inkomen van € 19.000,- bruto per jaar, zoals vermeld op de voorschotbeschikkingen huur-en zorgtoeslag. De man is van mening dat de vrouw zijn stelling, dat zij in staat is in haar eigen levensonderhoud te voorzien, onvoldoende gemotiveerd heeft betwist.

14. De vrouw betwist de stellingen van de man. Zij stelt steeds inzicht te hebben gegeven in haar inkomsten en lasten, waaruit duidelijk blijkt dat haar inkomsten onvoldoende zijn om in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Ook kan van haar niet worden verlangd dat zij volledig in haar eigen levensonderhoud voorziet. Zij voert daartoe aan dat zij vanwege diverse medische klachten niet in staat is voltijds te werken. Daarnaast beheerst zij de Nederlandse taal onvoldoende, heeft zij onvoldoende werkervaring en opleiding en moet zij haar 19-jarige dochter onderhouden. Vanwege de economische recessie is het de vrouw niet gelukt om in vaste dienst te komen. Zij heeft slechts tijdelijke deeltijdbanen waarmee zij onvoldoende structurele inkomsten heeft .

15. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat de vrouw onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet in staat is in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Daartoe overweegt het hof als volgt. Gelet op de stelling van de man had het op de weg van de vrouw gelegen haar betwisting gemotiveerd te onderbouwen, doch het hof constateert dat de vrouw veel onduidelijkheid heeft laten bestaan over haar inkomen en verdiencapaciteit. Zo heeft zij geen genoegzaam onderbouwde verklaring kunnen geven voor de bestaande discrepantie tussen het inkomen van € 7.474,- bruto vermeld op de jaaropgave 2009 en het inkomen van € 18.947,- bruto in het kader van de zorg- en huurtoeslag 2010, nu dit inkomen gebaseerd is op basis van de gegevens van de vrouw over 2009. Evenmin is duidelijk waarom zij geen aanspraak heeft gemaakt of kan maken op een uitkering teneinde haar inkomen aan te vullen. Mede gelet op de ter terechtzitting gedane verklaring van de vrouw, dat zij in het verleden naast haar reguliere inkomsten ook zwarte inkomsten heeft gehad, gaat het hof er van uit dat zij een hogere verdiencapaciteit heeft dan zij thans benut. Het hof acht onvoldoende aannemelijk geworden dat zij thans niet in staat is haar verdiencapaciteit ten volle te benutten. Zo heeft zij nagelaten een recente medische verklaring te overleggen ter onderbouwing van haar lichamelijke beperkingen, heeft zij geen stukken overgelegd waaruit haar sollicitatie-inspanningen blijken en heeft zij de door haar gestelde gevolgen van de economische crisis niet nader geconcretiseerd. Voorts is het hof van oordeel dat de taalbarrière, gelet op het verhandelde ter terechtzitting en de omstandigheid dat zij al geruime tijd in Nederland verblijft, geen onoverkomelijke belemmering voor haar arbeidsparticipatie behoeft te zijn. Nu het hof geen inzicht heeft kunnen verkrijgen in de feitelijke inkomsten van de vrouw en het hof haar in staat acht een grotere verdiencapaciteit te benutten, kan zij naar het oordeel van het hof in staat worden geacht volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Zodoende heeft zij geen behoefte aan een aanvullende uitkering ten laste van de man. Het vorenstaande leidt tot vernietiging van de bestreden beschikking en toewijzing van het verzoek van de man.

16. De overige grieven van partijen behoeven geen bespreking meer, nu zij niet kunnen leiden tot een andersluidend oordeel.

Ingangsdatum en terugbetalingsverplichting

17. Ten aanzien van de ingangsdatum overweegt het hof als volgt. De man heeft op 6 mei 2009 een verzoekschrift tot nihilstelling van de uitkering tot levensonderhoud ingediend, zodat de vrouw vanaf die datum rekening heeft kunnen houden met toewijzing van het verzoek en die datum zal als ingangsdatum worden vastgesteld. Nu de alimentatie op een lager bedrag wordt vastgesteld, is de vrouw gehouden de door haar teveel ontvangen alimentatie aan de man terug te betalen. Gebleken is dat de vrouw over onvoldoende financiële middelen beschikt om het teveel ontvangen bedrag terug te betalen. Het hof is van oordeel dat een terugbetalingsverplichting onder deze omstandigheden grote financiële gevolgen heeft. Om die reden kan van haar in redelijkheid niet worden verlangd dat zij gehouden is tot terugbetaling van hetgeen de man na 6 mei 2009 teveel aan alimentatie heeft betaald. Gelet op het consumptief karakter van de alimentatie zal het hof dan ook bepalen dat zij de teveel ontvangen alimentatie niet behoeft terug te betalen.

18. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw beschikkende:

stelt - met dienovereenkomstige wijziging van ’s hofs beschikking van 28 mei 2008 - de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw ten laste van de man, met ingang van 6 mei 2009 op nihil;

bepaalt dat de vrouw de teveel ontvangen alimentatie niet aan de man behoeft terug te betalen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Dijk, Stille en Mollema- De Jong, bijgestaan door mr. Willems als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 november 2010.