Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BP2879

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-10-2010
Datum publicatie
08-02-2011
Zaaknummer
200.051.528-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewind meerderjarige. Geen gronden aanwezig tot opheffing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 27 oktober 2010

Zaaknummer : 200.051.528/01

Rekestnr. rechtbank : 897788 GZ VERZ

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de rechthebbende,

advocaat mr. M.D. van Velthoven te Rotterdam.

Als belanghebbende is aangemerkt:

de stichting De Rotonde,

kantoorhoudende te Rotterdam,

hierna te noemen: de bewindvoerder.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De rechthebbende is op 1 december 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 2 september 2009 van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam.

Van de zijde van de bewindvoerder is geen verweerschrift ingekomen.

Van de zijde van de rechthebbende zijn bij het hof op 27 april 2010 en 21 september 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de bewindvoerder is bij het hof op 27 september 2010 een aanvullend stuk, te weten een emailbericht van mevrouw [P.], ingekomen.

Op 29 september 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de rechthebbende, bijgestaan door haar advocaat. Namens de bewindvoerder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niemand verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is het verzoek om de bij beschikking van 24 januari 2008 van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam benoemde bewindvoerder te ontslaan en de ingestelde bewindvoering over de goederen van de betrokkene op te heffen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de afwijzing van het verzoek tot opheffing van de ingestelde bewindvoering over de goederen van de rechthebbende.

2. De rechthebbende verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de onderbewindstelling op te heffen. Ter terechtzitting heeft de rechthebbende haar beroep aangevuld in die zin, dat zij subsidiair verzoekt om tijdelijk, voor de duur van één jaar, ontslagen te worden uit het bewind.

3. De rechthebbende stelt dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de grondslag om de bewindvoering op te heffen ontbreekt. Zij voert daartoe aan dat zij haar schulden heef afgelost terwijl zij leefde van een bijstandsuitkering. Daarmee heeft zij laten zien dat zij kan rondkomen van een gering bedrag en dat zij haar impulsen onder controle heeft. Ter onderbouwing van haar subsidiaire verzoek stelt de rechthebbende dat de bewindvoerder tijdelijk niet hoeft te voldoen aan zijn verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording, de rechthebbende in die periode zelf het beheer heeft over haar geld en kan aantonen dat zij haar financiële verplichtingen zelfstandig kan nakomen. Als na ommekomst van één jaar is gebleken dat ze die verantwoordelijkheid aankan, kan het bewind worden opgeheven. Als evenwel blijkt dat zij de fout in is gegaan, schulden heeft gemaakt, dan kan de onderbewindstelling worden gehandhaafd. Zij heeft dan in elk geval de gelegenheid gehad om aan te tonen dat ze de verantwoordelijkheid aan kan.

Ter terechtzitting is namens de rechthebbende verklaard dat de onderbewindstelling door de rechthebbende zelf is aangevraagd, waarbij de aanleiding is geweest dat er een inbewaringstelling was en de rechthebbende een psychose had. Deze omstandigheden zijn inmiddels niet meer aan de orde; de inbewaringstelling is opgeheven en de rechthebbende is medicatietrouw.

4. Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 1:449 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek, voor zover thans van belang, de kantonrechter op verzoek van de rechthebbende een bewind kan opheffen, indien de oorzaken die tot de onderbewindstelling aanleiding hebben gegeven niet meer bestaan. Grond voor een onderbewindstelling over het vermogen of goederen van een meerderjarige is aanwezig, zo blijkt uit artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, indien deze meerderjarige als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen.

5. Het hof is van oordeel dat de rechthebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de gronden die destijds aanleiding hebben gegeven tot de onderbewindstelling, thans niet meer aanwezig zijn. Immers, bij gebreke aan de desbetreffende stukken heeft het hof geen inzicht verkregen in de gronden die destijds tot de onder bewindstelling van de rechthebbende hebben geleid - het hof acht de enkele ter terechtzitting gedane verklaring daartoe onvoldoende - en kan dientengevolge niet vaststellen of díe gronden thans nog aanwezig zijn. Ook overigens ziet het hof geen aanleiding om tot opheffing van de onderbewindstelling over te gaan. Daartoe neemt het hof in aanmerking dat op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de rechthebbende in het verleden impulsieve aankopen heeft gedaan waardoor schulden zijn ontstaan en de rechthebbende als gevolg van een huurachterstand haar huis is uitgezet. Ter zitting in hoger beroep heeft de rechthebbende, naar het oordeel van het hof, onvoldoende blijk gegeven de vermogensrechtelijke gevolgen van haar handelen thans wel te overzien. De enkele stelling van de rechthebbende dat haar schulden volledig zijn afgelost acht het hof onvoldoende om het tegendeel aan te nemen, nu niet rechthebbende maar de bewindvoerder er zorg voor heeft gedragen dat de schulden zijn afgelost en de rechthebbende op geen enkele andere wijze aannemelijk heeft gemaakt dat zij in staat is haar vermogensrechtelijke belangen ten volle te behartigen. Daarnaast heeft de rechthebbende recent zich nog een ‘gratis’ GSM laten aanprijzen en heeft daarvoor haar handtekening gezet zonder dat zij heeft begrepen dat daaraan een langjaren abonnement verbonden is met maandelijkse vaste en variabele kosten. Nu de vermogensrechtelijke gevolgen van haar handelen met het geringe inkomen dat zij heeft zeer ingrijpend kunnen zijn, acht het hof het van belang dat de rechthebbende daartegen wordt beschermd. Het hof acht hiermee de gronden voor een onderbewindstelling nog steeds aanwezig, zodat de bestreden beschikking - onder aanvulling van gronden - dient te worden bekrachtigd.

6. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet het hof geen aanleiding het subsidiaire verzoek toe te wijzen.

7. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mos-Verstraten, Kamminga en Hulsebosch, bijgestaan door mr. Willems als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 oktober 2010.