Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BP2716

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-10-2010
Datum publicatie
03-02-2011
Zaaknummer
200.069.231.01 en 200.069.232.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing van het gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 13 oktober 2010

Zaaknummer : 200.069.231.01 en 200.069.232.01

Rekestnr. rechtbank : F1 RK 10-367

In de zaak met zaaknummer: 200.069.231.01:

[verzoekster],

wonende op een geheim adres,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. P. Vermeulen, kantoorhoudende te Hoogvliet Rotterdam,

tegen

Raad voor de kinderbescherming,

regio Rotterdam-Rijnmond,

locatie Rotterdam

verweerder in hoger beroep,

hierna re noemen: de raad.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. J.C. Heijmann, kantoorhoudende te Rotterdam,

2. William Schrikker Stichting Jeugdbescherming,

(namens Stichting Bureau Jeugdzorg stadsregio Rotterdam),

gevestigd te Diemen,

hierna te noemen: de WSS.

In de zaak onder zaaknummer: 200.069.232.01

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. J.C. Heijmann, kantoorhoudende te Rotterdam,

tegen

Raad voor de kinderbescherming,

regio Rotterdam-Rijnmond,

locatie Rotterdam

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [belanghebbende],

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. P. Vermeulen, kantoorhoudende te Hoogvliet Rotterdam,

2. William Schrikker Stichting Jeugdbescherming,

(namens de stichting Bureau Jeugdzorg stadsregio Rotterdam),

gevestigd te Diemen,

hierna te noemen: de WSS.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

In de zaak onder zaaknummer: 200.069.231.01:

De moeder is op 25 juni 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 25 maart 2010 van de rechtbank Rotterdam.

De WSS heeft op 13 augustus 2010 een verweerschrift ingediend.

In de zaak onder zaaknummer: 200.069.232.01:

De vader is op 25 juni 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 25 maart 2010 van de rechtbank Rotterdam.

De WSS heeft op 6 augustus 2010 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 16 juli 2010, 22 september 2010 en 24 september 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vader is bij het hof op 21 september 2010 het ondertekende beroepschrift nogmaals ingekomen.

Op 29 september 2010 zijn de zaken gezamenlijk mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, de vader, bijgestaan door zijn advocaat, namens de raad is verschenen: de heer F. Dekkers en namens Jeugdzorg zijn verschenen mevrouw M. Apfel, teammanager, en mevrouw A. Slooven, gezinsvoogd. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking zijn de vader en de moeder van het gezag over de nader te noemen minderjarige ontheven en is Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam tot voogdes over de minderjarige benoemd. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is het gezag over [naam minderjarige], geboren [in 2006] te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [de minderjarige]).

In de zaak onder zaaknummer: 200.069.231.01:

2. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat het verzoek tot ontheffing van de moeder van het ouderlijk gezag over [de minderjarige] wordt afgewezen, dan wel een zodanige beschikking te geven als het hof vermeent te behoren.

3. De WSS bestrijdt het beroep en verzoekt het hof het door de moeder ingestelde beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen

In de zaak onder zaaknummer: 200.069.232.01:

4. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat het verzoek tot ontheffing van de ouders van het ouderlijk gezag over [de minderjarige] dient te worden afgewezen, zolang geen degelijk onderzoek is gedaan naar de persoonlijkheid van de vader en de huidige thuissituatie van de ouders.

5. De WSS bestrijdt het beroep en verzoekt het hof het door de vader ingestelde beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

6. De moeder stelt dat de rechtbank is uitgegaan van verkeerde aannames en dat haar oordeel niet is gebaseerd op feiten. Volgens de moeder heeft de rechtbank ten onrechte getolereerd dat de WSS haar eigen agenda volgde in plaats van te voldoen aan hetgeen de rechtbank bij haar beschikking van 11 juni 2009 heeft aangegeven. De rechtbank heeft in haar oordeelsvorming op geen enkele wijze oog voor de belangen van [de minderjarige]. Ten onrechte is niet in de beoordeling betrokken dat de vader bij de moeder weg is. Voorts stelt de moeder dat zij ten onrechte niet geplaatst is in het “moeder-kindproject”.

7. De vader stelt het volgende.

De rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vader met agressieproblematiek kampt en dat zijn gedrag in de periode sinds de uithuisplaatsing van [de minderjarige] niet lijkt te zijn veranderd. Uit het onderzoek in het kader van het Pedagogisch SignaleringsInstrumentarium blijkt dat het beeld van agressie en huiselijk geweld enkel wordt bevestigd door (een aanname van) de pleegmoeder bij wie [de minderjarige] aanvankelijk werd geplaatst. Deze aanname is nooit met feiten of argumenten onderbouwd. Voorts is er nauwelijks onderzoek naar de thuissituatie van de vader gedaan. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat niet valt in te zien dat alsnog een gedegen onderzoek zou dienen te worden uitgevoerd nu ter zitting is gebleken dat de ouders uit elkaar gaan en voornemens zijn van echt te scheiden zodat niet langer sprake zal zijn van een thuissituatie waarin de ouders tezamen een opvoedersrol zouden kunnen vervullen. De rechtbank miskent hiermee dat ook gescheiden ouders de rol van opvoeder kunnen hebben en dat het onderzoek zich zou dienen te richten op de individuele mogelijkheden van beide ouders. Ten slotte heeft de rechtbank ten onrechte bepaald dat de ouders tijdens de bezoeken zonder videocamera het geleerde achter zich laten en [de minderjarige] niet de ruimte gunnen om zelf initiatief te ontplooien. De vader wil wel leren, maar heeft daartoe de kans niet gekregen.

8. De WSS heeft zich tegen de stellingen van de ouders verweerd en daartoe het volgende aangevoerd.

Er is voldoende onderzoek gedaan naar de opvoedingsmogelijkheden van de ouders. De ouders zijn volgens de WSS ongeschikt en onmachtig om hun plicht tot verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te vervullen. Vanwege de persoonlijke problematiek van de ouders in de afgelopen periode is onvoldoende vooruitgang geboekt in de relatie tussen de ouders en [de minderjarige]. De ouders hebben gedurende de ondertoezichtstelling in onvoldoende mate meegewerkt aan de aangeboden hulpverlening en onderzoeken. Daarnaast bestond er bij de ouders veel weerstand tegen noodzakelijke onderzoeken. De moeder is niet in staat om passend te reageren op tegenslagen en stress. Zij ziet niet goed de signalen van [de minderjarige] en maakt zich weinig voorstelling van haar belevingswereld.. De kwaliteit van de moeder ligt in de praktische zorg, als ze zich niet gedwarsboomd voelt door [de minderjarige]. Reeds in oktober 2008 is in een onderzoek van de stichting geconcludeerd dat de vader niet als opvoeder in beeld kan zijn omdat hij dreigend is in de contacten zowel in aanwezigheid van [de minderjarige] als daarbuiten, gewelddadig is naar de moeder toe, grensoverschrijdend gedrag naar de pleegmoeder laat zien en geen aanwijzingen accepteert. De vader blijkt niet in staat in het belang van zijn dochter te handelen. [de minderjarige] is na de bezoeken van slag, luistert slecht en vertoont agressie.

In onderzoeken naar de ontwikkeling van [de minderjarige] is ontwikkelingsproblematiek geconstateerd die vraagt om een specialistische opvoedingsomgeving. De ouders hebben er moeite mee de ontwikkelingsproblematiek van [de minderjarige] te herkennen, te accepteren en hierop te reageren. Zij kunnen [de minderjarige] niet de rust, de stabiliteit, de adequate opvoeding en de veiligheid bieden die zij nodig heeft. Er wordt niet gewerkt aan een thuisplaatsing omdat het perspectief rond het wonen van [de minderjarige] niet bij de ouders ligt. De ontheffing van de ouders van het gezag over [de minderjarige] is noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige], omdat zij dan duidelijkheid over haar opvoedingssituatie zal krijgen. De situatie is nu onduidelijk voor haar.

9. De raad heeft ter terechtzitting gesteld dat de rode draad in deze zaak steeds is geweest dat [de minderjarige] een kwetsbaar meisje is dat veel verlangt van haar opvoeders. De onderzoeken die bij de moeder zijn verricht hebben duidelijk gemaakt dat de moeder niet over de pedagogische vaardigheden beschikt die nodig zijn om [de minderjarige] te verzorgen en op te voeden. Het gedrag van de vader is voldoende tekenend, zodat een onderzoek naar de pedagogische vaardigheden van de vader niet nodig is. De jaarlijkse verlengingen van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing geven aanleiding tot veel procedures en er is steeds strijd is tussen de vader en de moeder en Jeugdzorg over de vorm van de hulpverlening. De raad is van mening dat voor [de minderjarige] duidelijkheid omtrent haar opvoedingsperspectief van groot belang is.

10. Het hof stelt voorop dat de rechter ingevolge artikel 1: 266 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) een ouder van het gezag over één of meer van zijn kinderen kan ontheffen, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen en mits het belang van de kinderen zich er niet tegen verzet. Een ontheffing kan, ingevolge artikel 1:268, eerste lid, BW niet worden uitgesproken indien de ouder zich daartegen verzet. Ingevolge het tweede lid, aanhef en sub a, voor zover thans van belang, leidt deze regel uitzondering indien na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat dat deze maatregel – door ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen – onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden.

11. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat [de minderjarige] een kwetsbaar meisje is met ernstige gedragsproblemen die (mede) hun oorzaak vinden in een reactieve hechtingsstoornis, een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling en een verstoorde gedrag- en emotieregulatie. Zij heeft specialistische zorg nodig en haar verzorging en opvoeding vergen derhalve bovengemiddelde vaardigheden en inzicht in haar problematiek. Uit de onderzoeken die gedurende de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing hebben plaatsgevonden en uit observaties tijdens de uitvoering van de bezoekregelingen is naar voren gekomen dat de vader en de moeder [de minderjarige] deze zorg niet kunnen bieden. Het hof is van oordeel dat nader onderzoek naar de pedagogische vaardigheden van de vader niet nodig is, daar reeds voldoende informatie beschikbaar is om een beslissing te kunnen nemen. Bij beide ouders is de sterke wens aanwezig om zelf voor [de minderjarige] te gaan zorgen. Uit onderzoek is gebleken dat het van groot belang is dat [de minderjarige] duidelijkheid krijgt over haar opvoedingsperspectief en dat dit in ieder geval niet bij de ouders ligt, de hiervoor genoemde factoren in aanmerking nemende. Gelet hierop zijn de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing niet voldoende om de bedreiging in de ontwikkeling van [de minderjarige] af te wenden en is een ontheffing van het gezag over haar noodzakelijk. Het belang van [de minderjarige] verzet zich niet daartegen. De veranderingen die aan de kant van de vader en de moeder hebben plaatsgevonden, leiden niet tot een ander oordeel. Het hof zal de bestreden beschikking derhalve bekrachtigen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

In de zaak met zaaknummer: 200.069.231.01 en in de zaak met zaaknummer: 200.069.232.01:

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. De Haan-Boerdijk, Van Nievelt en Van Dijk, bijgestaan door mr. Rasmijn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 oktober 2010.