Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BP2571

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-11-2010
Datum publicatie
01-02-2011
Zaaknummer
200.066.650.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Met een nodeloos aangegane schuld wordt geen rekening gehouden; evenmin met beslag op uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 3 november 2010

Zaaknummer : 200.066.650.01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 09-1482

[de man],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. W.H.F.L. Rademakers te Dongen,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. F.L.I. de Vleesschauwer te Terneuzen.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 21 mei 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 24 februari 2010 van de rechtbank Middelburg, hierna: de bestreden beschikking.

De vrouw heeft op 7 juli 2010 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 20 september 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 16 september 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 1 oktober 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Partijen hebben het woord gevoerd, de raadsman van de vrouw onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding in het tussen partijen gesloten huwelijk uitgesproken en heeft de rechtbank voor het geval deze beschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, de man veroordeeld om ten titel van het levensonderhoud van de vrouw aan haar te betalen € 750,- per maand, maandelijks bij vooruitbetaling te voldoen, zulks met ingang van de dag waarop de beschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de wettelijke limitering ex artikel 1:157 lid 6 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

De echtscheiding is op [datum] ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover hij daarbij is veroordeeld om ten titel van haar levensonderhoud aan de vrouw te betalen € 750,- per maand, en, opnieuw rechtdoende, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar alimentatieverzoek, althans het alimentatieverzoek van de vrouw alsnog af te wijzen, althans een zodanig lager alimentatiebedrag vast te stellen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren, een en ander met compensatie van de proceskosten in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3. De vrouw bestrijdt zijn beroep en verzoekt om de vorderingen - het hof leest: verzoeken - van de man af te wijzen, niet-ontvankelijk te verklaren althans hem deze te ontzeggen, alles kosten rechtens.

Omvang geschil

4. Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de vrouw € 2.400,- per maand bedraagt. In geschil zijn de behoeftigheid van de vrouw en de draagkracht van de man.

Behoeftigheid van de vrouw

5. De man stelt dat de vrouw niet behoeftig is, althans geen behoefte heeft aan een alimentatiebedrag van € 750,- per maand, nu zij inkomen heeft uit haar dienstbetrekking bij [werkgever], alsmede inkomsten geniet uit haar werkzaamheden als huishoudelijke hulp en als zaterdagmedewerkster in een bloemenzaak. Met deze inkomsten tezamen kan van de vrouw worden verwacht dat zij in haar eigen levensonderhoud voorziet.

6. De vrouw stelt dat zij een netto inkomen heeft van € 875,- per maand, waardoor haar behoeftigheid € 1.500,- netto per maand of wel € 2.250,- bruto per maand bedraagt. De vrouw werkt 20 uur per week bij [werkgever] en doet al het mogelijke om het aantal te werken uren uit te breiden, doch is hier nog niet in geslaagd. De vrouw heeft gemotiveerd betwist dat zij werkzaamheden verricht als huishoudelijke hulp en als medewerkster in een bloemenwinkel.

7. Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw werkzaam is bij [werkgever] en daar een netto inkomen van € 875,- per maand geniet. Nu de vrouw gemotiveerd heeft betwist enig ander inkomen te hebben en de man zijn stelling hieromtrent op geen enkele wijze heeft onderbouwd, zal het hof aan deze stelling van de man voorbijgaan. De behoeftigheid van de vrouw dient aldus te worden vastgesteld op het door de vrouw verzochte bedrag van € 1.500,- per maand netto.

Draagkracht van de man

8. De man stelt dat hij geen draagkracht heeft om partneralimentatie te betalen. De man heeft in 2009 een hersenbloeding gehad en is nadien uitgevallen voor werk. In overleg met zijn werkgever is met ingang van 1 november 2009 zijn arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden beëindigd. Met ingang van 2 november 2009 ontvangt de man een WW-uitkering. Na een suïcidepoging in maart 2010 is de WW-uitkering van de man met ingang van 24 juni 2010 omgezet in een ZW-uitkering. De ZW-uitkering van de man bedraagt € 2.628,80 bruto per vier weken. De man krijgt echter slechts de beslagvrije voet uitgekeerd, aangezien er op 2 juni 2010 beslag is gelegd op zijn uitkering als gevolg van de problematische financiële situatie waarin de man verkeert en als gevolg waarvan hij niet langer aan zijn hypothecaire verplichtingen kan voldoen. De man is thans in afwachting van een behandeling in een psychiatrische kliniek en acht de kans groot dat hij nooit meer op zijn vroegere inkomensniveau zal terugkeren.

9. De vrouw stelt dat de man een verdiencapaciteit heeft van € 55.000,- tot € 60.000,- bruto per jaar en door eigen toedoen afhankelijk is geworden van een uitkering, nu zijn arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd. Voorts stelt de vrouw dat het op de uitkering gelegde beslag niet ten nadele van haar mag strekken, nu tussen partijen de afspraak bestond dat de man de rente van de op de voormalige echtelijke woning rustende hypothecaire geldlening zou voldoen. De man heeft echter kort na het feitelijk uiteengaan van partijen een kredietovereenkomst met ABN Amro afgesloten van € 25.000,- alsmede het saldo van de spaarrekening van partijen van € 12.000,- volledig opgenomen. Met ingang van januari 2010 is de man opgehouden aan de hypothecaire verplichtingen te voldoen. Het beslag dat op de uitkering van de man is gelegd alsmede op het inkomen van de vrouw is aldus volledig te wijten aan het door de man niet nakomen van zijn betalingsverplichting.

Inkomen

10. Het hof overweegt als volgt. Voorzover de vrouw met haar stelling omtrent de verdiencapaciteit van de man beoogt de inkomensvermindering van de man bij de bepaling van zijn draagkracht buiten beschouwing te laten, oordeelt het hof dat de vrouw de stellingen van de man, dat hij een hersenbloeding heeft gehad en hij wachtende is op een opname voor psychiatrische behandeling niet heeft betwist. Gelet hierop en op de omstandigheid dat de man een ziektewetuitkering ontvangt, oordeelt het hof dat is komen vast te staan dat de man vooralsnog niet redelijkerwijs in staat kan worden geacht opnieuw het oorspronkelijke inkomen te gaan verwerven. Het hof zal derhalve uitgaan van het inkomen dat de man ontvangt uit zijn ZW-uitkering, te weten € 2.628,80 bruto per vier weken.

Lasten

11. Ter zake van de door de man opgevoerde schulden overweegt het hof als volgt. Door de man is niet bestreden dat hij de tussen partijen bestaande afspraak ter zake van de maandelijkse aflossing op de hypothecaire geldlening niet is nagekomen. Voorts is door de man niet bestreden dat hij zonder medeweten van de vrouw een kredietovereenkomst is aangegaan en heeft de man de noodzaak van het aangaan van deze overeenkomst geenszins onderbouwd. Op grond hiervan komt het hof tot het oordeel dat de schuld aan ABN AMRO nodeloos is aangegaan.

12. Hoewel in beginsel alle schulden van invloed zijn op de draagkracht van de onderhoudsplichtige, ziet het hof in de in rechtsoverweging 11 beschreven gang van zaken aanleiding om bij het bepalen van de draagkracht van de man geen gewicht toe te kennen aan voornoemde schuld dan wel betalingsachterstand, zodat deze bij het bepalen van de draagkracht buiten beschouwing zal worden gelaten. Bij het bepalen van de draagkracht van de man zal het hof aldus geen rekening houden met het beslag dat op de uitkering is gelegd.

13. Het hof zal bij het berekenen van de draagkracht wel rekening houden met de volgende onbetwiste lasten:

-De helft van de woonlasten, nu de man samenwoont met een nieuwe partner, die in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, te weten:

-hypotheekrente voormalige echtelijke woning: € 474,-

-Aflossing van de hypotheek: € 65,-

-Forfait eigenaarslasten: € 48,-

-een premie ziektekostenverzekering van € 124,- per maand, te vermeerderen met de inkomensafhankelijke ZVW-bijdrage en een eigen risico van € 13,- verminderd met de gemiddelde nominale premie, welk deel wordt geacht te zijn inbegrepen in de voor de man toepasselijke bijstandsnorm.

14. Bij het berekenen van de draagkracht zal het hof rekening houden met de bijstandsnorm voor een alleenstaande, nu de man samenwoont met een nieuwe partner, die in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

15. Uit het vorenoverwogene volgt dat de draagkracht van de man met ingang 6 april 2010 € 828,- per maand bedraagt.

16. Uit dit alles volgt dat de draagkracht van de man slechts een alimentatie voor de vrouw toelaat van € 828,- per maand, welke alimentatie, gelet op haar behoefte en andere inkomsten in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven.

17. Het vorenoverwogene brengt met zich mee dat de bestreden beschikking zal worden vernietigd en dat zal worden beslist als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zo¬ver aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw met ingang van 6 april 2010 op € 828,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Dusamos, Mink en Van der Burght, bijgestaan door mr. Braat als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 november 2010.