Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BP2247

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
27-01-2011
Zaaknummer
200.005.769-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMID:2008:BC7304, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Woningwet. Last onder dwangsom. Beroep op gelijikeheidsbeginsel verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer: 200.005.769/01

Zaak-rolnummer rechtbank: 54020/HA ZA 06-409

Arrest van de derde civiele kamer d.d. 30 november 2010

inzake

1. [appellant],

2. [appellante],

beiden wonende te [woonplaats], [land] ,

appellanten,

hierna te noemen: afzonderlijk [appellanten] en [appellante] en tezamen [appellanten],

advocaat: mr. L.M. Bruins te ’s-Gravenhage,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon gemeente Borsele,

zetelend te Heinkenszand ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Gemeente,

advocaat: mr. J.P. van Ginkel te ´s-Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van 6 maart 2008 zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 9 januari 2008 dat de rechtbank Middelburg tussen partijen heeft gewezen. Bij memorie van grieven hebben [appellanten] negen grieven tegen het vonnis aangevoerd, welke grieven de Gemeente bij memorie van antwoord heeft bestreden. Nadat partijen schriftelijk hadden gepleit hebben zij ten slotte hun stukken overgelegd voor arrest.

De beoordeling van het hoger beroep

1. De rechtbank heeft in rov. 2 (2.1 t.m. 2.11) een aantal feiten vastgesteld. Deze zijn niet bestreden zodat ook het hof van deze feiten zal uitgaan.

2 Aan [appellante] behoorde in eigendom toe een perceel grond aan de [adres] te

[plaats] (kadastraal gemeente Borsele, sectie X. nr. 882). In 1978 heeft de Gemeente aan de vorige eigenaar de bouw van een bedrijfsgebouw (een gesloten veldschuur) toegestaan, na eerder de bouw van een bedrijfswoning te hebben geweigerd. Op 15 mei 1990 heeft [appellante] de Gemeente gevraagd of zij op haar percelen een bedrijfswoning mocht bouwen, dan wel de bestaande veldschuur tot bedrijfswoning mocht ombouwen. Bij brief van 11 september 1990 heeft de Gemeente dat verzoek afgewezen, omdat ter plaatse niet al een agrarisch bedrijf aanwezig is, hetgeen ingevolge het voor het desbetreffende gebied geldende bestemmingsplan “Buitengebied” wel is vereist.

3 Op 11 februari 1991 is [appellante] met [appellant] getrouwd, na het maken van huwelijkse voorwaarden, inhoudende gemeenschap van inboedel en uitsluiting van iedere andere gemeenschap van goederen.

4 In 1993 heeft de Gemeente geconstateerd dat de veldschuur zonder vergunning was verbouwd. Zij heeft “de familie [familienaam appellante]” daarover aangeschreven. In 1995 heeft de Gemeente eenzelfde feit geconstateerd; zij heeft zich op het standpunt gesteld dat feitelijk een woning is gerealiseerd. [appellanten] bewonen dan daadwerkelijk de veldschuur. De Gemeente zegt [appellante] bestuursdwang dan wel oplegging van een dwangsom aan. Op 19 september 1995 wordt [appellante] een last onder dwangsom opgelegd; zij dient (onder meer) de feitelijk gerealiseerde woning te verwijderen. Op

30 juli 1998 wordt aan [appellanten] een gewijzigde last onder dwangsom opgelegd; zij dienen op straffe van verbeurte van een dwangsom van fl. 500,- per dag dat de overtreding voortduurt, met een maximum van fl. 100.000,-, uit de veldschuur te verwijderen “de natte cel, het toilet, de kamers op de verdieping, de tuimeldakvensters, de vaste trap, het keukenblok en de twee containers.” Deze last is – na een aantal bestuursrechtelijke procedures – onherroepelijk geworden.

5 [appellanten]., althans [appellante], voldoen niet aan de last. Op 2 maart 1999 wordt voor een bedrag van fl. 25.520,- aan verbeurde dwangsommen en kosten een dwangbevel betekend aan [appellant]. Op 18 maart 1999 is ten laste van “[appellant], echtgenoot van [appellante]” executoriaal beslag gelegd op de schuur met erf en weiland (hierna: de onroerende zaak). Bij brief van 8 april 1999 meldt de Gemeente aan [appellant] dat de maximale dwangsom van fl. 100.000,- is verbeurd.

6 Vanaf 1998 zijn [appellanten] niet meer in staat hun financiële verplichtingen na te komen. Voor een schuld van fl. 24.500,- legt ook de belastingdienst executoriaal beslag op de onroerende zaak, terwijl voorts conservatoir beslag is gelegd door een aannemer. Wegens achterstand in de rentebetalingen op schulden, waarvoor op de onroerende zaak ten gunste van de Rabobank een recht van hypotheek is gevestigd, zegt de Rabobank begin 1999 de financiering van [appellanten] op. Bij exploot van 21 april 1999 zegt de Rabobank de Gemeente aan dat zij voornemens is tot executie over te gaan en daarvoor zonodig de executie van de Gemeente overneemt.

7 Op 8 september 1999 maakt de Gemeente een aantal afspraken met Warijsse B.V. (hierna: Warijsse) waarin Warijsse als (toekomstige) koper van de onroerende zaak toezegt de illegale situatie te zullen beëindigen en aan de Gemeente (voorwaardelijk) een bedrag van fl. 30.000,- beschikbaar te zullen stellen als compensatie voor de kosten die de Gemeente heeft gemaakt voor het voeren van diverse procedures tot beëindiging van de illegale situatie. Warijsse en de gemeente spreken voorts af dat de verbeurde dwangsommen door geen van beide bij [appellanten] zullen worden opgeëist.

8 Op 15 september 1999 verzoekt de Rabobank aan de president van de rechtbank Middelburg om toestemming te verlenen voor onderhandse executie van de onroerende zaak door middel van verkoop aan [X] voor een koopsom van fl. 367.500,-. De Gemeente maakt hiertegen bezwaar op de grond dat bij gunning aan deze koper beëindiging van de illegale situatie bemoeilijkt wordt. De Gemeente wijst erop dat zij daarover wel afspraken heeft met Warijsse, welke afspraken (waaronder kwijtschelding van de verbeurde dwangsommen) ook in het voordeel zijn van [appellanten]. Bij beschikking van 14 oktober 1999 heeft de president de door de Rabobank gevraagde toestemming geweigerd en bepaald dat de onroerende zaak wordt verkocht aan Warijsse voor de koopsom van fl. 350.000,-. Op 9 december 1999 is de onroerende zaak aan Warijsse in eigendom overgedragen. In maart 2000 zijn [appellanten] verhuisd naar [land]. Op 7 juli 2000 is [Y] eigenaar van de onroerende zaak geworden.

9 Bij brief van 29 juni 2005 heeft de Gemeente [Y] in verband met handelen in strijd met art. 40 Woningwet aangeschreven; in strijd met de in 1999 gemaakte afspraken waren niet verwijderd de natte cel, de vaste trap, het toilet, het dakraam aan de voorzijde en de verdiepingsvloer boven het woongedeelte, terwijl waren aangebracht een plavuizen vloer, scheidingswanden op de zolderverdieping, een cv, een keukenblok en een plafond met spotjes. [Y] is een last onder dwangsom in het vooruitzicht gesteld. Vervolgens zijn er tussen de Gemeente en [Y] gesprekken geweest over herbestemming van de onroerende zaak met een kleinschalige kantoorfunctie, zulks in het kader van de nota “Nieuwe Economische Dragers.”

10 Bij de dit geding inleidende dagvaarding hebben [appellanten] gevorderd – na wijziging van eis – om de Gemeente te veroordelen primair tot betaling van een bedrag van € 1.190.935,- + p.m., met de wettelijke rente, subsidiair om schade te vergoeden op te maken bij staat en, voorwaardelijk, dat de rechtbank zal herroepen haar beschikking van 14 oktober 1999.

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis [appellanten] in hun voorwaardelijke vordering niet-ontvankelijk verklaard en de vorderingen voor het overige afgewezen, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten.

11 De eerste grief van [appellanten] richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de door [appellanten] in hun conclusie van repliek opgesomde gevallen niet vergelijkbaar zijn met het geval van [appellanten], zodat niet kan worden gezegd dat de Gemeente [appellanten] in strijd met het gelijkheidsbeginsel anders hebben behandeld dan vergelijkbare gevallen, laat staan dat die ‘andere behandeling’ zodanig was dat van onrechtmatig handelen jegens [appellanten] moet worden gesproken. In hun toelichting op die grief gaan [appellanten] vervolgens in op de door hen bij conclusie van repliek genoemde gevallen. Het hof zal deze voorbeelden achtereenvolgens bespreken.

12 Familie [Z]

[appellanten] stellen dat de Gemeente op 5 februari 1998 het bestemmingsplan Landelijk gebied heeft vastgesteld, waarbij het perceel van de familie [Z] de bestemming ‘bedrijfsdoeleinden’ heeft gekregen. Krachtens dit bestemmingsplan behoort, naast bedrijfsgebouw, een bedrijfswoning tot de toelaatbare bebouwing. De illegaal bewoonde bedrijfswoning is toen gelegaliseerd. Volgens [appellanten] hebben zij een agrarisch bedrijf zodat hun woning in de veldschuur eveneens had kunnen worden gelegaliseerd.

Zoals de Gemeente terecht opmerkt (mva 6) is het uitgangspunt van [appellanten], dat zij een agrarisch bedrijf hadden, bestuursrechtelijk getoetst en verworpen (prod. 15 cva). In hun schriftelijk pleidooi (sub 4 e.v. en 14 e.v.) betogen [appellanten] nogmaals dat in hun geval wel degelijk sprake was van een agrarisch bedrijf, doch dit bestuursrechtelijk getoetst en verworpen standpunt kan thans niet meer met succes in een civiele procedure aan de orde worden gesteld. Omdat hier dus moet worden aangenomen dat [appellanten] geen agrarisch bedrijf hadden, kan niet worden aangenomen dat [appellanten] in een situatie hebben verkeerd die vergelijkbaar is met die van de familie [Z].

13 Familie [A]

Het bedrijf van deze familie – een paardenfokkerij – ligt volgens [appellanten] in hetzelfde landelijk gebied als waar zij gevestigd waren en die familie heeft wel een vergunning verkregen voor het neerzetten van een woning, zonder dat daarvoor advies aan het ministerie van Landbouw is gevraagd, zoals bij hen wel is gebeurd.

De Gemeente heeft hiertegenover gesteld (mva 7), voor zover van belang, dat de familie [A] – anders dan [appellanten]. - een grondgebonden agrarisch bedrijf exploiteert.

Aangezien te dezen hetzelfde geldt als hiervóór met betrekking tot de familie [Z] is overwogen gaat de vergelijking met de familie [A] niet op.

14 [B]

[B] gebruikt sinds mei 1978 een schuur voor bewoning, aldus [appellanten] welke bewoning eerst door de Gemeente is gedoogd en later gelegaliseerd. Volgens de Gemeente kon [B] een beroep doen op het overgangsrecht zodat de situatie vanaf 1985 moest worden gedoogd, waarmee deze is gelegaliseerd. Aangezien [appellanten] deze uitleg in hun schriftelijk pleidooi niet hebben betwist moet het standpunt van de Gemeente, dat geen sprake is van een vergelijkbaar geval, als juist worden aanvaard.

15 [C]

[C] heeft op zijn terrein naast zijn woonhuis zeven zeecontainers staan die hij gebruikt voor het repareren van auto’s en tractoren, hetgeen volgens het vigerende bestemmingsplan Landelijk gebied is verboden. De Gemeente is naar haar zeggen niet bekend met de door [appellanten] geschetste situatie. Aangezien [appellanten] van deze bestreden situatie geen bewijs hebben bijgebracht respectievelijk aangeboden, moet reeds hierom hun beroep op handelen van de Gemeente in strijd met het gelijkheidsbeginsel worden verworpen.

16 Zwinweg te Ellewoutsdijk

Voor zover aan [appellanten] bekend heeft de Gemeente destijds een bouwvergunning verleend voor het oprichten van een dierenpension en is de bedrijfswoning die illegaal was gebouwd nadien gelegaliseerd. De Gemeente verwijst ter zake naar het in haar conclusie van dupliek gestelde (blz 6), te weten dat de locatie een bestemming heeft ‘semi-agrarisch bedrijf’ en dat de bouwvergunning voor een dierenpension met bedrijfswoning dateert van 1979. Van een met [appellanten] vergelijkbaar geval is geen sprake, aldus de Gemeente. [appellanten] hadden in hun memorie van grieven nader dienen aan te tonen waarom wel sprake is van een vergelijkbaar geval. Nu zij dit hebben nagelaten kan hiervan niet worden uitgegaan.

17 [D]

De locatie van [D] is in het bestemmingsplan Landelijk Gebied aangemerkt als ‘grondgebonden bedrijf’ en aan [D] is een bouwvergunning verleend voor een bedrijfswoning. Die mogelijkheid had hun ook moeten worden geboden, aldus [appellanten]. Volgens de Gemeente (mva 12) is voor bedoelde bedrijfswoning op 29 september 1998 een bouwvergunning verleend, waarin expliciet is aangegeven dat het bouwplan overeenstemt met het geldende bestemmingsplan ‘Facetherziening Buitengebied’ en met het in procedure zijnde bestemmingsplan Landelijk gebied, zodat deze situatie niet vergelijkbaar is met die van [appellanten]. Waar [appellanten] in hun schriftelijk pleidooi hierop niet zijn teruggekomen moet het standpunt van de Gemeente als juist worden aanvaard.

18 Loods achter woonhuis huisarts [E], alsmede illegale woonsituatie in een schuur achter een woning aan de Oudelandse Polderdijk tussen Driewege en Oudelande. Aangezien de Gemeente reeds in haar conclusie van dupliek had aangegeven (blz 6, respectievelijk blz 7 onderaan) niet van de gestelde situaties te weten had het op de weg van [appellanten] gelegen ter zake opheldering te geven. Nu zij dit hebben nagelaten kan niet van vergelijkbare gevallen worden uitgegaan.

19 Ten slotte verwijzen [appellanten] naar de situatie van [Y]. Volgens [appellanten] kent het bestemmingsplan Landelijk Gebied voor de locatie [locatie] wel degelijk een bouwblok, namelijk ter plaatse van de veldschuur. Voorts zijn volgens [appellanten] tot op de dag van vandaag de voorzieningen die zij in 1999 moesten verwijderen intact. De Gemeente bestrijdt dat op genoemde locatie sprake is van een grondgebonden agrarische onderneming in planologische zin; het desbetreffende bestemmingsplan kent ter plaatse geen bouwblok. [appellanten] hebben ook geen zienswijzen tegen genoemd plan ingediend, noch zijn door hen rechtsmiddelen aangewend tegen het besluit van GS van Zeeland waarbij dat bestemmingsplan is goedgekeurd, aldus de Gemeente. Ook op dit verweer van de Gemeente zijn [appellanten] in hun schriftelijk pleidooi niet ingegaan. Het hof gaat dan ook, als niet weersproken, van de juistheid van bedoeld verweer uit.

20 Met betrekking tot het beweerdelijk verschil in behandeling tussen [Y] en [appellanten] geldt het volgende. De Gemeente erkent (mva 16) dat een deel van de door [appellanten] begane overtredingen niet ongedaan is gemaakt door [Y], maar stelt (mva 14) dat, ondanks verschillende bezoeken, bij [Y] geen bewoning is geconstateerd. Zo is steeds vastgesteld dat de ruimte die door [appellanten] werd gebruikt als woonkamer, bij [Y] in gebruik is als opslagruimte, terwijl bij [Y] nooit bedden zijn aangetroffen. Voorts doet [Y] vanwege de huidige kantoorfunctie een beroep op het beleid Nieuwe Economische Dragers, hetgeen voor [appellanten] niet mogelijk was. Daarbij komt dat de Gemeente [Y] bij brief van 29 juni 2005 (prod. 38 cva) heeft bericht dat [Y] door zonder bouwvergunning nader in die brief vermelde activiteiten uit te voeren, in strijd heeft gehandeld met art. 40 Woningwet en dat de Gemeente voornemens is gebruik te maken van haar bevoegdheid tot het toepassen van bestuursdwang.

21 [Y] heeft bij brief van 9 juli 2005 (prod. 39 cva) zeer uitgebreid op voornoemde brief van de Gemeente gereageerd. In deze brief stelt [Y] zich op het standpunt dat de door de Gemeente vermelde werkzaamheden nodig waren als gevolg van de door [appellanten] verrichte sloopwerkzaamheden, c.q. vernielingen en dat er voldaan is aan de afspraken zoals vastgelegd in de overeenkomst tussen de Gemeente en Warijsse. Op deze brief van [Y] hebben [appellanten] noch in hun conclusie van repliek noch in hun memorie van grieven gereageerd; evenmin zijn zij ingegaan op de in het geding gebrachte (prod. 41 cva) ‘Verkenning bestemmingswijziging van een veldschuur aan de [locatie]’, waarin [Y] zijn plannen met die schuur uiteenzet “binnen het kader van de nota Nieuwe Economische Dragers in het buitengebied”. De stelling van [appellanten] c.s. inhoudende “de situatie waarin [Y] thans verkeert is vergelijkbaar met de situatie van [appellanten]”, mist dan ook grond.

22 Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat niet kan worden aangenomen dat de Gemeente in gevallen die met het geval [appellanten] te vergelijken zijn, anders heeft gehandeld dan in het geval van [appellanten] zodat niet kan worden gezegd dat de Gemeente in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel. De eerste grief faalt.

23 Door middel van de tweede grief komen [appellanten] op tegen de overweging van de rechtbank dat [appellanten] hun stelling dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld omdat zij [appellanten] c.s. ten onrechte niet heeft gelegaliseerd, volstrekt onvoldoende hebben gemotiveerd. Ter toelichting op deze grief stellen [appellanten] c.s. (mvg 22) dat de toetsing door de bestuursrechter de eigen verantwoordelijkheid van de Gemeente in dezen onverlet laat, aangezien de Gemeente

had kunnen en moeten onderzoeken of en zo ja, in hoeverre de bedrijvigheid van [appellante] ook daadwerkelijk als agrarisch bedrijf kon, c.q. moest worden aangemerkt

.

24 [appellanten] draaien hier de zaak om; het is aan hen om de Gemeente duidelijk te maken dat zij een agrarisch bedrijf uitoefenen en om, indien de Gemeente hen niet volgt in dit standpunt, daartegen bij de bestuursrechter in beroep te gaan. Dat [appellanten] uiteindelijk bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State niet- ontvankelijk zijn verklaard komt in hun relatie tot de Gemeente voor hun rekening enrisico. [appellanten] voeren weliswaar aan (mvg 28) dat de overweging van de rechtbank dat gekeken moet worden naar de situatie per 4 mei 1994 – de datum van de totstandkoming van het bestemmingsplan Landelijk Gebied – onbegrijpelijk is, maar stellen niet dat zij de kwestie van het door hen uitoefenen van een agrarisch bedrijf opnieuw formeel bij de Gemeente aan de orde hebben gesteld. Het aanvragen van een milieuvergunning door [appellante] op 28 januari 1999 (prod. 25 cvr) is in dit verband onvoldoende. Ook de tweede grief moet worden verworpen.

25 De derde grief bestrijdt de overweging van de rechtbank dat de Gemeente weliswaar onjuist (en mogelijk ook onrechtmatig) heeft gehandeld, doch dat de daarbij overtreden norm – namelijk dat beslag dient te worden gelegd op de juiste naam- niet strekt tot bescherming van [appellanten] tegen de schade die zij thans stellen te hebben geleden, nu zij die schade ook zouden hebben geleden als de Gemeente juist had gehandeld. Ter motivering van deze grief beroepen [appellanten] zich erop dat vaststaat dat de Gemeente op grond van een dwangbevel dat op naam was gesteld van [appellant], beslag heeft gelegd op eigendommen van [appellante] en dat de Gemeente bij het leggen van executoriaal beslag en de daarop volgende executie, geen rechtsgeldige titel tegen [appellante] had, zodat de Gemeente onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. [appellanten] betwisten voorts (mvg 39) dat [appellanten] geen mogelijkheden had om een nieuwe financiering te krijgen om de overige schuldeisers te voldoen en dat daarom de executie onvermijdelijk zou zijn. De Rabobank, die de executie heeft overgenomen, werd volgens [appellanten] door de Gemeente gedwongen om de executie door te zetten. Ten slotte was de dwangsom op grond van art. 5:35 lid 1 Awb verjaard, immers na het proces-verbaal tot het leggen van executoriaal beslag van 18 maart 1999 is er door de Gemeente geen actie ondernomen tot het innen daarvan, aldus [appellanten].

26 De stelling van [appellanten] dat de Rabobank door de Gemeente werd gedwongen de executie door te zetten is door de Gemeente betwist (mva 31) en blijkt ook overigens niet uit de in het geding zijnde stukken. Wel is aannemelijk dat het door de Gemeente gelegde executoriale beslag de aanzet heeft gegeven tot het overnemen van de executie door de Rabobank (zie prod. 27 cva), doch niet blijkt van enige pressie daartoe van de zijde van de Gemeente. Overigens heeft [appellanten] bij gelegenheid van de pleidooien voor de rechtbank op 1 oktober 2007 – naar blijkt uit het proces-verbaal van de zitting - verklaard dat er eind 1998 achterstand was ontstaan in de betalingen van de maandelijkse hypotheekrente door hem en zijn echtgenote en dat deze achterstand ruim fl. 12.000,- bedroeg toen de bank in april 1999 de hypotheek opzegde.

27 Dat de Gemeente ten onrechte op naam van [appellanten] beslag heeft gelegd op de aan [appellante] in eigendom toebehorende zaak staat vast, maar [appellanten] betwisten niet dat de gewijzigde last onder dwangsom van 30 juli 1998 (prod. 16 cva), op grond waarvan executoriaal beslag is gelegd, ook aan [appellante] was gericht. Dat de gang van zaken anders zou zijn geweest en in het bijzonder dat [appellanten] geen of minder schade zouden hebben geleden indien de tenaamstelling van het dwangbevel juist was geweest, wordt door [appellanten] niet aannemelijk gemaakt. Hierop stuit de derde grief af, wat er verder zij van hun overige argumenten.

28 Door middel van hun vierde grief klagen [appellanten] dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist “dat de Gemeente niet onrechtmatig heeft gehandeld door in de gesprekken met potentiële kopers verstrekkende eisen te stellen aan de inrichting van de schuur”. Bij de beoordeling van deze grief is allereerst van belang dat de rechtbank in rov. 4.5 slechts spreekt van het door de Gemeente frustreren van de vrijwillige verkoop van de onroerende zaak, de rechtbank spreekt niet van “verstrekkende eisen”. [appellanten] stellen dat de Gemeente jegens potentiële kopers zou hebben aangegeven dat er aan de veldschuur niets veranderd mocht worden. Voorts zou de rechtbank ten onrechte zijn voorbij gegaan aan hun aanbod om een aantal van deze gegadigden op te roepen.

29 In eerste aanleg (cvr blz 14) spreken [appellanten] van een vijftal zeer serieuze gegadigden. De Gemeente heeft naar aanleiding hiervan (cvd 31) ontkend potentiële gegadigden te hebben bewerkt en aangevoerd dat zij het niet meer kan nagaan en het derhalve ontkent. Onder deze omstandigheden had het op de weg van [appellanten] gelegen nadere informatie te verschaffen over de door hen bedoelde gegadigden. Voor zover [appellanten]. hun bewijsaanbod ter zake hebben willen herhalen moet dit als onvoldoende geconcretiseerd worden gepasseerd. Van door de Gemeente gestelde “verstrekkende eisen” kan daarom niet worden uitgegaan. Hetgeen [appellanten] voor het overige aanvoeren gaat langs de grief heen. De vierde grief moet derhalve worden verworpen.

30 In de vijfde grief keren [appellanten] c.s. zich tegen de overweging van de rechtbank

dat de Gemeente op rechtmatige wijze de eigendom van [appellante] heeft beperkt en dat, nu [appellanten] voor hun beroep op art. 1 van het Eerste Protocol van het EVRM geen andere gronden aanvoeren, dat beroep geen zelfstandige betekenis heeft, zodat de rechtbank eraan voorbij gaat. Ter toelichting op deze grief herhalen [appellanten] dat de Gemeente op onjuiste titel executoriaal beslag heeft doen leggen op eigendommen van [appellante] en bij de Rabobank heeft aangedrongen op executie van de onroerende zaak. De Gemeente heeft hierdoor het eigendomsrecht van [appellante] beperkt, waartoe de Gemeente geen enkel recht had, zodat dit onrechtmatig handelen volgens [appellanten] niet wordt gerechtvaardigd door een beroep op het algemeen belang.

31 Deze grief faalt op de gronden als uiteengezet bij de behandeling van de derde grief.

32 De zesde grief houdt in dat de rechtbank ten onrechte dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft overwogen dat de gestelde schade niet in causaal verband staat met het gestelde onrechtmatige handelen van de Gemeente. In dit verband wijzen [appellanten] wederom op de omstandigheid dat de Gemeente aan [Y] heeft toegestaan hetgeen [appellanten] was verboden.

33 Anders dan [appellanten] stellen (mvg 64) duidt het feit dat de onroerende zaak is verkocht aan Warijsse, die op haar beurt de onroerende zaak heeft overgedragen aan [Y] zonder [Y] te binden aan het met de Gemeente overeengekomen kettingbeding, op zichzelf niet op een vooropgezet plan tussen [Y] enerzijds en de Gemeente anderzijds. Overigens heeft de Gemeente [Y] wegens handelen in strijd met art. 40 van de Woningwet aangeschreven (zie rov. 9) en is voorts in samenspraak met de inspectie VROM een handhavingstraject gestart (prod. 51 cvd). De zesde grief faalt.

34 In (de toelichting op) de zevende grief erkennen [appellanten] (mvg 69) dat de Gemeente een zekere vrijheid van handelen heeft; zij wijzen echter wederom op het verschil in behandeling tussen [Y] en hen, in het bijzonder op het feit dat [Y] gedurende vijf jaar in een zelfde situatie is gedoogd. [appellanten] verliezen hierbij echter uit het oog dat ten aanzien van [Y] niet is vastgesteld dat hij de veldschuur bewoont. Voor zover de argumenten van [appellanten] niet reeds zijn behandeld (en verworpen) stuiten zij hierop af. De zevende grief gaat niet op.

35 Aangezien de achtste en negende grief, mede gezien de toelichting, zelfstandige betekenis missen, falen alle grieven. Het vonnis waarvan beroep moet derhalve worden bekrachtigd voor zover de vorderingen van [appellanten] zijn afgewezen en zij in de proceskosten zijn veroordeeld. [appellanten] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor zover de vorderingen van [appellanten] zijn afgewezen en zij in de proceskosten zijn veroordeeld;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot op € 5.981,= aan vast recht en € 9.160,= aan salaris advocaat;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. van Sandick, A.C. van Schaick en R.F. Groos en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 november 2010 in aanwezigheid van de griffier.