Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BP1437

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-11-2010
Datum publicatie
01-02-2011
Zaaknummer
200.068.299-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Draagkracht, verdeling tussen beide ouders, positie 21 jarige, ander kind in het gezin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 24 november 2010

Zaaknummer : 200.068.299.01

Rekestnr. rechtbank : F1 RK 08-2148

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. A.W.M. Roozeboom te Schiedam,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. A.K.J. Plaisier te Rotterdam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 8 juni 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 10 maart 2010 van de rechtbank Rotterdam.

De vader heeft op 27 juli 2010 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 14 juni 2010 (een aangepaste versie van het beroepschrift), 26 juli 2010, 11 oktober 2010 en 12 oktober 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 5 oktober 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 15 oktober 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en de vader, bijgestaan door zijn advocaat. Partijen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de moeder onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de vader aan de moeder met ingang van 1 januari 2010 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind X], geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats], hierna verder: de minderjarige, voor wat betreft de na die beschikking te verschijnen termijnen telkens bij vooruitbetaling, zal uitkeren € 145,-- per maand.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. De minderjarige is geboren uit de moeder en door de vader erkend. De minderjarige verblijft bij de moeder.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) ten behoeve van de minderjarige.

2. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de vader vanaf datum indiening verzoekschrift een bedrag van minimaal € 300,-- per maand, althans op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum te stellen als het hof vermeent te behoren, rekening houdend met hetgeen door de moeder is aangevoerd.

3. De vader bestrijdt het beroep en verzoekt het hof, voor zover de wet zulks toelaat uitvoerbaar bij voorraad, het appel van de moeder tegen de bestreden beschikking af te wijzen, althans een beslissing te nemen die het hof vermeent te behoren.

Behoefte (kosten) van de minderjarige

Hieronder zal het hof zonodig op hele bedragen afronden.

4. De moeder stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat de behoefte van de minderjarige € 300,-- per maand bedraagt en dat partijen daaromtrent overeenstemming hebben. De moeder stelt dat de behoefte ten tijde van het uiteengaan van partijen in 2006 hoger ligt, namelijk, op basis van een netto gezinsinkomen van € 4.426,-- per maand in 2006, op een bedrag van € 710,-- per maand.

5. De vader betwist de stelling van de moeder en stelt dat de moeder door het doen van een verzoek om een bijdrage van € 300,-- daarmee de behoefte heeft vastgesteld. De vader betwist dat hij nimmer heeft zorg gedragen in de kosten van de minderjarige en stelt dat hij ook een deel van de zorg voor de minderjarige op zich heeft genomen. De vader stelt dat hij niet onwillig is om te betalen, maar dat zijn draagkracht geen hogere kinderalimentatie toelaat dan € 200,-- per maand.

6. Het hof overweegt als volgt. Ter bepaling van de behoefte van een minderjarige is in beginsel het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van de samenleving bepalend. Het bedrag dat de moeder verzoekt als kinderalimentatie hoeft niet samen te vallen met de behoefte van de minderjarige. Een in de eerste aanleg ontstane onduidelijkheid kan in hoger beroep worden hersteld. Wat betreft de hoogte van het netto gezinsinkomen ten tijde van de samenwoning verschillen partijen van mening. De moeder heeft gesteld dat dit tenminste € 4.000,-- netto per maand bedroeg. De vader betwist dat en stelt dat partijen als een normaal gezin leefden en ongeveer € 2.000,-- per maand besteedden. Ter terechtzitting heeft de moeder verklaard dat het bedrag van ruim € 4.000,-- per maand bestond uit het inkomen van de vader van ruim € 2.000,-- per maand en een bedrag van € 2.000,-- per maand dat zij destijds privé aan haar eigen onderneming onttrok. Hoewel de moeder er destijds van uitging dat een dergelijke onttrekking bedrijfseconomisch haalbaar was, heeft zij ter terechtzitting erkend dat voormelde onttrekking achteraf gezien, gelet op de restschuld van € 185.000,-- die zij heeft overgehouden na het staken van haar onderneming, niet realistisch was. Voorts heeft de vader ter terechtzitting onweersproken gesteld dat partijen bij hun – overigens overgelegde – aangifte Inkomstenbelasting hebben opgegeven dat de moeder geen eigen inkomen had en hebben zij ook de heffingskorting niet-verdienende partner ontvangen. Onder deze omstandigheden en de overige omstandigheden zoals die uit de (financiële) stukken en het verhandelde ter terechtzitting blijken, acht het hof het in dit geval redelijk en in overeenstemming met de kennelijke feitelijke levensstandaard van partijen ten tijde van de samenleving, om uit te gaan van een netto gezinsinkomen van € 2.500,-- per maand. Gelet op de leeftijd van de minderjarige ten tijde van het uiteengaan van partijen gaat het hof uit van een bedrag van € 455,-- per maand als behoefte (kosten) van de minderjarige.

Draagkracht van de vader

7. De moeder stelt zich op het standpunt dat de draagkracht van de vader een kinderalimentatie toelaat van € 300,-- per maand. De moeder voert daartoe aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de door de vader opgevoerde hypotheeklasten niet bovenmatig zijn; de moeder meent dat dit wel het geval is, zodat sprake is van een deel onredelijke woonlast die (zo begrijpt het hof) gecorrigeerd zou moeten worden bij het bepalen van de draagkracht van de vader. Daarnaast stelt de moeder dat de vader een luxueuze levensstijl hanteert, zodat hij in staat moet worden geacht om de verzochte bijdrage van € 300,-- per maand te voldoen, dan wel in ieder geval de door hem zelf aangeboden € 200,-- per maand waaraan de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan.

8. De vader heeft de stellingen van de moeder gemotiveerd betwist, behoudens voor zover het zijn aanbod in eerste aanleg betreft om € 200,-- per maand te betalen.

9. Het hof overweegt als volgt. De vader woont in de voormalig gezamenlijke woning van partijen. Zijn woonlasten bestaan anno 2010 uit een bedrag van € 860,-- per maand aan hypotheekrente en € 78,-- per maand aan premie levensverzekering welke gekoppeld is aan de hypotheek. Gelet op het netto besteedbaar inkomen van de vader – tussen partijen niet ter discussie – zijn de door de vader opgevoerde woonlasten in verhouding tot zijn inkomen niet onredelijk hoog. Overige omstandigheden op grond waarvan de woonlasten van de vader bovenmatig zouden zijn en welk deel onredelijk is, zijn door de moeder onvoldoende onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbij gaat en aldus rekening houdt met de woonlasten zoals door de vader zijn opgevoerd..

De stelling van de moeder dat de vader geacht moet worden voldoende draagkracht te hebben, omdat hij een luxe levensstijl hanteert, acht het hof, gelet op de gemotiveerde betwisting van de vader, onvoldoende onderbouwd, zodat het hof de grief van de moeder dienaangaande passeert.

Ter terechtzitting hebben partijen overeenstemming bereikt in die zin dat ten aanzien van de omgangskosten een bedrag van € 90,-- per maand dient te worden betrokken bij het bepalen van de draagkracht van de vader. Verder is - onweersproken – door de vader aangevoerd dat hij nog onderhoudsplichtig is voor een jongmeerderjarige zoon, uit een eerdere relatie, die bij hem verblijft. Vanaf 1 mei 2011 zal daarmee geen rekening worden gehouden, aangezien de jongmeerderjarige op 29 april 2011 een en twintig jaren wordt en de minderjarige op grond van de wet als dan voorrang geniet. Hieruit volgt dat de draagkracht van de vader ten behoeve van de minderjarige vanaf 1 mei 2011 hoger is, waardoor een draagkrachtvergelijking van de ouders een andere uitkomst zal geven dan die over de voorgaande periode.

10. Het hof gaat uit van een jaarinkomen van de vader in 2010 van € 48.426,--. Als grondslag daarvoor heeft het hof de cumulatieve loongegevens op de salarisspecificatie van juni 2010 omgerekend naar een jaarinkomen. Rekeninghoudend met de overige financiële omstandigheden van partijen zoals door de rechtbank vastgesteld en waartegen geen van partijen bezwaar heeft gemaakt, stelt het hof vast dat de draagkracht van de vader tot 1 mei 2011 zodanig is, dat zijn aandeel in de kosten van de minderjarige, na een draagkrachtvergelijking van de ouders, komt op een bedrag van € 203,-- per maand. De vader heeft tevens voldoende draagkracht om deze bijdrage te betalen. Per 1 mei 2011 is de draagkracht van de vader hoger. Hieruit volgt dat, na draagkrachtvergelijking van de ouders, het eigen aandeel van de vader in de kosten van de minderjarige € 280,-- per maand bedraagt en voorts dat de draagkracht van de vader toereikend is laatstgenoemd bedrag te voldoen.

Ingangsdatum

11. De moeder heeft verzocht, anders dan de rechtbank heeft gedaan, de kinderalimentatie met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift vast te stellen. Gelet op de omstandigheden van het geval, waaronder de gemotiveerde stelling van de vader dat hij voor de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie ook heeft bijgedragen in de kosten van de minderjarige en het feit dat de moeder haar verzoek niet nader heeft onderbouwd, ziet het hof geen aanleiding om de ingangsdatum te wijzigen.

Conclusie

12. Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beschikking wat betreft de hoogte van de kinderalimentatie dient te worden vernietigd.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige met ingang van 1 januari 2010 op € 203,-- per maand;

bepaalt de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige met ingang van 1 mei 2011 op € 280,-- per maand;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mos-Verstraten, Van de Poll en Van Wijk, bijgestaan door mr. Wijkstra als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 november 2010.