Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BP1264

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-11-2010
Datum publicatie
01-02-2011
Zaaknummer
200.065.470-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing. Gelijktijdige terugplaatsing van de twee minderjarigen in dit geval te risicovol.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 24 november 2010

Zaaknummer : 200.065.470/01

Rekestnr. rechtbank : J2 RK 09-1857

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. V.M.A. Saris te Dordrecht,

tegen

de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam,

gevestigd te Rotterdam,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

regio Rotterdam-Rijnmond,

locatie Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. D.H. van den Elzen.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 10 mei 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 11 februari 2010 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam.

Jeugdzorg heeft op 24 juni 2010 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 23 augustus 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 25 augustus 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en Jeugdzorg, en de moeder. De raad is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De hierna te noemen minderjarige [de minderjarige 1] is in raadkamer gehoord. De aanwezigen hebben het woord gevoerd. Ter terechtzitting is de mondelinge behandeling tot de terechtzitting van 3 november 2010 aangehouden om reden dat het hof heeft zich vooralsnog niet in staat achtte om een eindbeslissing te geven in de zaak. Het hof heeft daarbij aangegeven voor de volgende mondelinge behandeling van Jeugdzorg te verwachten: een onderbouwing en een stappenplan van het kamertrainingstraject van [de minderjarige 1] alsmede een omschrijving van het beleid van terugplaatsing dat ten aanzien van [minderjarige 2] zal worden gevoerd, waaronder ook wat er van de moeder verlangd wordt teneinde weer voor [minderjarige 2] te kunnen zorgen. Van het verhandelde ter terechtzitting is een proces-verbaal opgemaakt dat naar partijen en belanghebbenden is verzonden.

Nadien zijn van de zijde van Jeugdzorg bij het hof op 25 oktober 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 3 november 2010 is mondelinge behandeling voortgezet. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, [en Jeugdzorg] (gezinsvoogd), en de moeder, bijgestaan door haar advocaat. De vader is bijgestaan door mevrouw M.V.C. van Oosterom, tolk in het Papiaments. Zij is ter terechtzitting beëdigd. De raad is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking zijn, uitvoerbaar bij voorraad, de duur van de ondertoezichtstelling en de duur van de machtiging tot plaatsing van de hierna te noemen [de minderjarige 1] in een residentiële instelling verlengd tot 27 februari 2011. Voorts is, uitvoerbaar bij voorraad, de duur van de ondertoezichtstelling en de duur van de machtiging tot plaatsing van de hierna te noemen [minderjarige 2] in een pleeggezin verlengd tot 27 februari 2011.

Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn:

- de verlenging van de duur van de ondertoezichtstelling en van de duur van de uithuisplaatsing van [de minderjarige 1], geboren in 1993 (hierna: [de minderjarige 1]) in een residentiële instelling tot 27 februari 2011, en

- de verlenging van de duur van de ondertoezichtstelling en van de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2], geboren in 1999 (hierna: [minderjarige 2]) in een pleeggezin tot 27 februari 2011. [de minderjarige 1] en [minderjarige 2] tezamen worden hierna ook genoemd: de minderjarigen. Hoewel anders vermeld in de bestreden beschikking gaat het hof er op basis van de door Jeugdzorg verstrekte gegevens van uit dat beide ouders met het gezag over de minderjarigen zijn belast.

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de verzoeken van Jeugdzorg tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de verlenging van de duur van de machtiging tot plaatsing van [de minderjarige 1] in een residentiele instelling en van [minderjarige 2] in een pleeggezin, worden afgewezen, en de minderjarigen terug bij de moeder worden geplaatst.

3. Jeugdzorg bestrijdt het beroep en vraagt de bestreden beschikking te bekrachtigen en het verzoek van de vader in hoger beroep af te wijzen.

4. De vader stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat de kinderrechter ten onrechte de duur van de ondertoezichtstelling en de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen heeft verlengd. Ter onderbouwing van dit standpunt voert de vader twee grieven aan. In zijn eerste grief betoogt de vader dat de rechtbank ten onrechte haar oordeel heeft gebaseerd op een incident dat onlangs zou hebben plaatsgevonden in de woning van de moeder. De vader ontkent dat er een incident heeft plaatsgevonden waarbij sprake zou zijn geweest van agressief of ander incorrect gedrag van zijn kant. Verder betwist de vader dat sprake is van een onveilige thuissituatie voor de minderjarigen. In zijn tweede grief stelt de vader dat de moeder voldoende in staat is om de nodige aandacht en begeleiding aan de minderjarigen te verschaffen vanuit de thuissituatie.

5. Jeugdzorg heeft in haar verweerschrift de grieven van de vader gemotiveerd bestreden en - onder meer – het volgende gesteld. De ouders zijn vooralsnog niet in staat geweest om de contacten met elkaar langdurig zonder geweldsincidenten te onderhouden. Gelet op het verleden zijn er ernstige zorgen over de minderjarigen. [de minderjarige 1] heeft professionele hulp nodig om haar ontwikkeling tot volwassenheid op alle vlakken in goede banen te leiden. [minderjarige 2] heeft een loyaliteitsconflict, vertoont teruggetrokken gedrag en dient gestimuleerd te worden. De uithuisplaatsing van de minderjarigen is van groot belang voor hun ontwikkeling. [de minderjarige 1] kan zich zo op haar behandeling richten en voor [minderjarige 2] kan onderzocht worden wat voor hem de beste plek is.

6. Nadat het hof de mondelinge behandeling van de zaak heeft aangehouden, heeft Jeugdzorg het navolgende gesteld. Thuisplaatsing van [de minderjarige 1] is niet in haar belang. Zij dient haar behandeling bij Stichting Pameijer positief af te ronden. [de minderjarige 1] volgt een assertiviteitstraining en wordt begeleid in het vinden, en behouden, van een bijbaan. [de minderjarige 1] is zeer beïnvloedbaar en heeft weinig inzicht in de gevolgen van haar handelen. Jeugdzorg wenst [de minderjarige 1] nog zoveel mogelijk mee te geven in de vorm van cursussen, trainingen en begeleiding, voordat zij - eenmaal meerderjarig – op eigen benen zal moeten staan dan wel op dat moment terug zal keren naar huis om vooralsnog bij de moeder te wonen.

Ten aanzien van [minderjarige 2] merkt Jeugdzorg het volgende op. Jeugdzorg wil de huidige machtiging tot uithuisplaatsing inzetten om [minderjarige 2] geleidelijk terug naar huis te laten keren.

7. Het hof stelt voorop dat een ondertoezichtstelling zoals bedoeld in artikel 1:254, eerste lid, BW, slechts kan worden verlengd indien de wettelijke gronden daarvoor nog steeds aanwezig zijn. Een machtiging tot uithuisplaatsing zoals bedoeld in artikel 1:261, eerste lid, BW, mag slechts worden verlengd indien de wettelijke gronden daarvoor, zoals vermeld in de artikelen 1:254, eerste lid, en 1:261, eerste lid, BW, nog steeds bestaan. Het hof zal derhalve dienen te onderzoeken of de minderjarigen zodanig opgroeien dat hun zedelijke of geestelijke belangen of hun gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen en of de uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige 1] en [minderjarige 2] of tot onderzoek van hun geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

8. De vader heeft zijn grief ten aanzien van de verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen niet nader onderbouwd zodat het hof daaraan voorbij gaat.

9. Voor wat betreft de verlenging van de duur van de onderscheiden machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen overweegt het hof, op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting, als volgt. Het beleid van Jeugdzorg ten aanzien van [minderjarige 2] is gericht op terugkeer van de minderjarige naar huis. De moeder wordt in dit traject begeleid. De ouders onderschrijven het stappenplan van Jeugdzorg, zij zijn echter van mening dat terugkeer van [minderjarige 2] op kortere termijn dient plaats te vinden. Het hof acht het noodzakelijk dat de terugkeer geleidelijk en op zorgvuldige wijze plaatsvindt. Immers, [minderjarige 2] is in het verleden regelmatig getuige geweest van huiselijk geweld tussen de vader en de moeder. De moeder is meerdere malen niet in staat geweest de veiligheid van zichzelf en daarmee de minderjarigen te waarborgen doordat zij de vader toeliet in de thuissituatie. Met de door Jeugdzorg beoogde geleidelijke en zorgvuldige terugkeer van [minderjarige 2] kan hem de structuur, rust en stabiliteit geboden worden die hij nodig heeft.

10. Ten aanzien van [de minderjarige 1], verenigt het hof zich met het beleid van Jeugdzorg. Het hof acht het nog steeds noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige 1] dat zij haar assertiviteitstraining en cursussen succesvol bij de Stichting Pameijer afrondt teneinde haar te begeleiden naar haar meerderjarigheid. Een gelijktijdige terugkeer van [de minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het gezin bij de moeder acht het hof voor met name [de minderjarige 1] te zeer risicovol. De minderjarigen hebben een belast verleden en een eigen problematiek. Mogelijk kan [de minderjarige 1], nadat de terugkeer van [minderjarige 2] bij de moeder succesvol is afgerond, gefaseerd ook terugkeren in het gezin bij de moeder.

9. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de gronden voor de uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds aanwezig zijn. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, Mos-Verstraten en Bos, bijgestaan door mr. De Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 november 2010.