Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BP0444

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-11-2010
Datum publicatie
11-01-2011
Zaaknummer
22-005524-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte is wegens gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs vrijgesproken van moord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005524-09

Parketnummer: 09-752516-08

Datum uitspraak: 25 november 2010

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 19 oktober 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1972,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 11 november 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis van de rechtbank zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het impliciet primair tenlastegelegde (moord) zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren, met aftrek van het voorarrest.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het impliciet primair tenlastegelegde (moord) en impliciet subsidiair tenlastegelegde (doodslag) vrijgesproken. Voorts is beslist omtrent het beslag als in het vonnis waarvan beroep omschreven.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 december 2008 te Gouda tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen (van nabij) een of meer kogels afgevuurd op, althans in de richting van die [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Het vonnis waarvan beroep

Het promisvonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Overwegingen

1. De advocaat-generaal heeft zich - aan de hand van

het gestelde in zijn ter zitting overgelegde pleitaantekeningen - op het standpunt gesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord, zoals impliciet primair is tenlastegelegd.

2. De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig haar overgelegde pleitnotities, bepleit - zakelijk weergegeven - dat primair de verdachte behoort te worden vrijgesproken van al het aan hem tenlastegelegde op grond van de afwezigheid van genoegzaam wettig en overtuigend bewijs. Subsidiair heeft zij de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, althans de uitsluiting van alle materiaal van het bewijs en vrijspraak van de verdachte van al het aan hem tenlastegelegde op deze grond bepleit.

3. In hoger beroep is geen nader bewijs bijgebracht; er moet worden geoordeeld en beslist op basis van het bewijs dat in eerste aanleg voorhanden was.

4. Feiten

Bij de 112-alarmcentrale kwam op 24 december 2008 om 23.45 uur een melding binnen betreffende vuurwerk-overlast. Uit onderzoek bleek deze melding afkomstig te zijn van [betrokkene 1], woonachtig op de [straat] in Gouda. Op 24 december 2008 te 23.51 uur kreeg de centrale meldkamer van de politie Hollands-Midden in Gouda de melding dat op de [straat] een man op straat lag. De man was onwel, niet aanspreekbaar en hij zag grauw. Een paar minuten later arriveerde de ambulancedienst. Het ambulancepersoneel startte direct de reanimatie. Tijdens het reanimeren bleek echter dat het slachtoffer reeds was overleden en een bloedende wond in de borst had. Aan de hand van bescheiden die het slachtoffer in zijn jaszak had, alsmede de opvallende tatoeages in de nek van het slachtoffer, kon de identiteit van het slachtoffer vastgesteld worden als zijnde: [slachtoffer], geboren op [geboortedag] 1960 te [geboorteplaats]. Op 27 december 2008 werd dit door middel van een confrontatie met de familie van het slachtoffer bevestigd.

Tijdens het forensisch technisch onderzoek werden geen hulzen of bloedsporen aangetroffen op of rond de plaats delict. Op 27 december 2008 werd een kogelpunt met een doorsnede van ongeveer 9 mm aangetroffen op de Vest te Gouda. De kogel paste bij een patroon van het kaliber .38 Special en .357 Magnum.

Uit het sectieverslag bleek dat het slachtoffer is overleden als gevolg van een schotverwonding door de borstkas waarbij onder andere het hart is geraakt.

Het overlijden kan worden verklaard door het optreden van bloed- en functieverlies van het hart als gevolg van belemmering van de hartfunctie ten gevolge van bloed in het hartzakje. Uit een schotrestenonderzoek kan worden afgeleid dat het slachtoffer van achteren is neergeschoten.

5. Ten aanzien van technisch en forensisch bewijs

Het hof stelt allereerst vast dat het dossier van het onderhavige opsporingsonderzoek, behoudens het aantreffen van het overleden slachtoffer en de bevindingen van de op hem verrichte sectie, geen (technisch en/of ander forensisch) bewijsmateriaal bevat dat rechtstreeks verband houdt met de dood van het slachtoffer. Zo is het wapen waarmee is geschoten niet gevonden en is voorts niet komen vast te staan dat er een verband bestaat tussen de dood van het slachtoffer en de op enige afstand van de plaats delict, namelijk de Vest, later aangetroffen kogel.

Het dossier bevat evenmin enig direct bewijs in voornoemde zin ten aanzien van het tenlastegelegde, daadwerkelijke daderschap van de verdachte bij de dood van [slachtoffer]. Voor zover het dossier aan de hand van camerabeelden en/of telefoongegevens de verdachte enige minuten voorafgaand aan het overlijden van [slachtoffer] in de directe omgeving van de plaats delict situeert, kan dit naar het oordeel van het hof niet redengevend worden geacht voor direct bewijs van verdachtes tenlastegelegde daderschap. Immers, de verdachte woont in de directe nabijheid van de plaats delict.

6. Ten aanzien van de getuigenverklaringen

Het hof stelt voorts vast dat het dossier voor een groot deel bestaat uit verklaringen van getuigen die elkaar veelal kennen en die net als het slachtoffer en de verdachte veelal afkomstig zijn uit een (gebruikers)milieu, waarin direct na de dood van [slachtoffer] veel is gespeculeerd over de potentiële dader. In een aantal van die verklaringen wordt de naam van de verdachte genoemd als degene die betrokken zou zijn bij de dood van [slachtoffer]; in andere verklaringen worden door getuigen ook namen genoemd van andere personen die verantwoordelijk zouden kunnen zijn voor de dood van [slachtoffer] en die daartoe ook motieven zouden kunnen hebben.

Uit deze hoeveelheid getuigenverklaringen blijkt niet van enig direct bewijs voor het tenlastegelegde. Geen enkele getuige is feitelijk aanwezig geweest op de [straat] te Gouda ten tijde van het schietincident waardoor [slachtoffer] is overleden en geen enkele getuige heeft verklaard te hebben gezien dat het de verdachte is geweest, die [slachtoffer] heeft neergeschoten.

De beantwoording van de vraag of wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, kan uitsluitend worden gebaseerd op verklaringen van getuigen uit voornoemd milieu, die niet rechtstreeks en niet uit eigen waarneming of bevindingen specifiek over het tenlastegelegde hebben kunnen verklaren.

Dat uit getuigenverklaringen naar voren komt dat de verdachte op enig moment ruzie heeft gehad met [slachtoffer], dat er daarbij dreigende woorden zijn geuit en dat de verdachte in de dagen voorafgaande aan 24 december 2008 een wapen in zijn bezit zou hebben gehad, is naar het oordeel van het hof onvoldoende voor de conclusie dat het de verdachte is geweest die op 24 december 2008 [slachtoffer] heeft doodgeschoten.

De verklaringen van [getuige 1] en verklaringen van anderen over de uitlatingen die de verdachte aan hen zou hebben gedaan over zijn betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] houden verband met het tenlastegelegde en zijn belastend voor de verdachte. In deze verklaringen wordt gesproken over wat de getuigen van de verdachte hebben gehoord over het schietincident op 24 december 2008 rond 23.45 uur. In deze verk1aringen wordt door getuigen weergegeven wat zij één en dezelfde persoon, te weten verdachte, hebben horen zeggen over het tenlastegelegde. Sprake is van de-auditu verklaringen, afkomstig uit één bron. Nu deze verklaringen bovendien afkomstig zijn uit voornoemd (gebruikers)milieu, is meer dan behoedzaamheid geboden bij de waardering van deze verklaringen en het bezigen van die verklaringen als bewijsmiddel voor het tenlastegelegde.

Met betrekking tot vorenbedoelde verklaringen van getuigen die verklaren dat de verdachte tegen hen heeft gezegd dat hij verantwoordelijk is voor de dood van [slachtoffer], overweegt het hof dat de verdachte hieromtrent ter terechtzitting in eerste aanleg een verklaring heeft afgelegd. De verdachte heeft hier feiten en omstandigheden aangevoerd die passen bij de genoemde getuigenverklaringen. De verdachte heeft verklaard inderdaad met verschillende personen te hebben gesproken over het gerucht dat hij verantwoordelijk zou zijn voor de dood van [slachtoffer] waardoor die personen ten onrechte de indruk hebben gekregen dat hij daarvoor verantwoordelijk zou zijn.

Het hof is van oordeel dat de uit één bron - namelijk de verdachte - afkomstige de-auditu verklaringen, afgelegd door mensen die afkomstig zijn uit het milieu waarin veel is gespeculeerd over de dood van [slachtoffer], zowel op zichzelf als in onderling verband en samenhang bezien niet voldoende zijn om tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit te komen.

Hetgeen de getuige [getuige 1] overigens heeft verklaard, daarbij ook gelet op hetgeen de verdachte dienaangaande heeft opgegeven, over de gang van zaken over de avond van 24 december 2008 en de daarop volgende nacht, levert naar het oordeel van het hof geen rechtens relevant strafrechtelijk wettig en overtuigend bewijs op voor het tenlastegelegde, dat het juist deze verdachte is geweest, die kort voor die middernacht op de [straat] te Gouda [slachtoffer] heeft doodgeschoten.

Al het voorgaande, bezien in onderling verband en samenhang, kan niet voldoende wettig en overtuigend bewijs opleveren voor al het aan de verdachte tenlastegelegde. Het hof zal de verdachte dan ook van het impliciet primair tenlastegelegde (moord) en impliciet subsidiair tenlastegelegde (doodslag) vrijspreken.

Vordering gevangenneming

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal de gevangenneming van de verdachte bij de uitspraak gevorderd.

Gelet op de hierna te nemen beslissing wijst het hof deze vordering af.

Beslag

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een kogelpunt, wordt onttrokken aan het verkeer.

Het hof zal het op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder 1 genoemde voorwerp, te weten een kogelpunt, onttrekken aan het verkeer.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het impliciet primair en impliciet subsidiair tenlastegelegde (respectievelijk moord en doodslag) heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart onttrokken aan het verkeer: een kogelpunt.

Dit arrest is gewezen door mr. A.S.M. Horstink, mr. M.J.J. van den Honert en dr. G.J. Fleers, in bijzijn van de griffier mr. S. Hartog-Zamani.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 25 november 2010.

Dr. G.J. Fleers is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.