Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BO9074

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-09-2010
Datum publicatie
28-12-2010
Zaaknummer
200.030.600
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BQ0518, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ0518
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:328, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buitenlands recht, dat op de echtscheiding toepasselijk is. partneralimentatie en verdeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 8 september 2010

Zaaknummer : 200.030.600.01

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 08-2714

[verzoeker],

wonende te [woonplaats]

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. drs. D.H. Sterke te Rotterdam,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

VERDER PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar zijn tussenbeschikking van 28 april 2010, waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Bij die beschikking heeft het hof bepaald dat de vrouw het hof en de man uiterlijk op 4 juni 2010 dient te informeren over – kort gezegd – het recht dat volgens haar op de echtscheiding van toepassing is. Het hof heeft de zaak hiertoe aangehouden en heeft ook de beslissing op het verzoek tot echtscheiding aangehouden. Voorts is de vrouw in de gelegenheid gesteld om, voor het geval geoordeeld zal worden dat Armeens recht van toepassing is op het verzoek tot echtscheiding, de grondslag van haar verzoek tot een uitkering tot levensonderhoud naar Armeens recht nader aan te vullen en te onderbouwen. Het hof heeft ook de beslissing op dit verzoek aangehouden.

Voorts heeft het hof bepaald dat partijen zich uiterlijk op 4 juni 2010 zullen uitlaten over de datum waartegen de gemeenschap van aanwinsten zou moeten worden gewaardeerd, de zogenaamde peildatum en dat zij een – al dan niet geactualiseerde – opgave van de goederen, die zich in de gemeenschap van aanwinsten bevinden dienen over te leggen, alsmede zich dienen uit te laten over de waarde van elk van die goederen op de gestelde peildatum, zoveel als mogelijk te onderbouwen met verificatoire bescheiden. Daarnaast is partijen verzocht zich uit te laten over de gewenste voortgang van de procedure, waarna het hof daarover zou beslissen.

Nadien zijn bij het hof de volgende stukken ingekomen:

- op 3 juni 2010 van de zijde van de man een brief met als bijlagen:

- een bankafschrift van 15 september 2008 van de [naam bank], rekeningnummer [nummer], productie 1;

- een afschrift (tweede pagina van drie pagina’s) van een Financial Summary van de [naam bank] met nummer [nummer] (personal account), productie 2;

- een uitdraai van de ANWB autogids (internetsite), productie 3;

- een brief van 31 mei 2010 van [naam], productie 4;

- op 7 juni 2010 van de zijde van de vrouw een brief (verzoek om aanhouding procedure) met als bijlagen:

- een brief van de rechtbank Rotterdam van 1 juni 2010 met daarachter een verzoekschrift tot een voorlopig getuigenverhoor, productie 7;

- op 24 juni 2010 van de zijde van de man een brief met als bijlagen:

- een taxatierapport van [naam] van 17 juni 2010;

- op 25 juni 2010 van de zijde van de man een volledig exemplaar van de brief van 24 juni 2010.

Het hof heeft partijen op 16 juli 2010 laten weten dat het hof voornemens is om een beschikking te geven op 8 september 2010.

VERDERE BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN INCIDENTELE HOGER BEROEP

Principaal appel

Het verzoek tot echtscheiding

Toepasselijk recht

1. Ingevolge de tussenbeschikking van 28 april 2010 is de vrouw in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het op de echtscheiding toepasselijke recht. De vrouw heeft betoogd dat artikel 1 lid 2 WCE van toepassing is en dat voor haar een werkelijke maatschappelijke band met Armenië ontbreekt. Zij stelt dat zij al sinds 1994 als ware zij van Nederlandse nationaliteit leeft en de werkelijke maatschappelijke banden met Armenië heeft verbroken. Ook stelt zij een sterke maatschappelijke band met Nederland te hebben. De man meent dat Armeens recht dient te worden toegepast op de echtscheiding. Hij stelt dat de vrouw slechts uit winstbejag onder het Nederlandse recht wenst te scheiden en betoogt dat artikel 1 lid 1 WCE van toepassing is.

2. Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat partijen in 1994 van Armenië naar Nederland zijn verhuisd, zonder enige bedoeling om nog terug te keren naar Armenië. Daarbij hebben de kinderen van partijen hun schoolopleiding grotendeels in Nederland gevolgd. Gelet op het voorgaande, alsmede nu de man de stelling van de vrouw dat zij alle werkelijke maatschappelijke banden met Armenië heeft verbroken, niet heeft weersproken, is het hof van oordeel dat, in elk geval voor de vrouw, een werkelijke maatschappelijke band met Armenië kennelijk ontbreekt. Daaruit volgt dat een gemeenschappelijk nationaal recht wordt geacht te ontbreken. Op grond van artikel 1 lid 2 WCE jo artikel 1 lid 1 sub b WCE is dan het recht van het land waarin partijen hun gewone verblijfplaats hebben, zijnde Nederlands recht, van toepassing op de echtscheiding.

Echtscheiding

3. De vrouw heeft als grondslag voor de echtscheiding gesteld dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. De man heeft dit in zijn beroepschrift gemotiveerd betwist.

4. Nu partijen sinds februari 2009 ieder apart wonen, de vrouw ter terechtzitting te kennen heeft gegeven dat zij niet wenst terug te keren naar de man in de voormalige echtelijke woning en zij persisteert bij haar stelling dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, moet zulks naar het oordeel van het hof tussen partijen als vaststaand worden aangenomen. Het hof zal dan ook de bestreden beschikking bekrachtigen voor zover deze de echtscheiding betreft.

De uitkering tot levensonderhoud ten behoeve van de vrouw

Principaal en incidenteel appel

5. Het hof ziet aanleiding om het principaal appel van de man en het incidenteel appel van de vrouw ten aanzien van de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw gezamenlijk te behandelen.

Toepasselijke recht

6. Zoals reeds is overwogen in de tussenbeschikking van 28 april 2010 is ingevolge artikel 3 juncto artikel 8 van het Haags Alimentatie verdrag 1973 op een verzoek terzake een onderhoudsverplichting na echtscheiding de wet die op de echtscheiding is toegepast, eveneens van toepassing op de onderhoudsverplichting tussen de gescheiden echtgenoten. Uit hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 2 is overwogen vloeit voort dat Nederlands recht van toepassing is op de uitkering tot levensonderhoud ten behoeve van de vrouw.

Behoefte vrouw

7. De vrouw heeft in eerste aanleg gesteld dat zij behoefte heeft aan een uitkering tot haar levensonderhoud van € 15.000,- per maand. De rechtbank heeft een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw vastgesteld ter hoogte van voornoemd bedrag. De man heeft de behoefte van de vrouw gemotiveerd betwist. Hij heeft – onder meer – gesteld dat de vrouw enige verdiencapaciteit heeft die op de door haar gestelde behoefte drukt.

8. Het hof overweegt als volgt. Zowel de man als de vrouw heeft nagelaten om voldoende concreet te onderbouwen welke de welstand was waarin partijen ten tijde van hun huwelijk hebben geleefd. Ook is niet komen vast te staan wat het inkomsten- en uitgavenpatroon tijdens de laatste jaren van het huwelijk is geweest. Wel heeft de vrouw in haar verweerschrift in hoger beroep een behoeftelijst overgelegd, welke lijst het hof als uitgangspunt zal nemen. Het hof zal – mede gelet op de betwisting van de man – enkele posten van de behoeftelijst in redelijkheid naar beneden bijstellen, zodat deze zal zijn als volgt:

Behoefte vrouw per maand:

- huur € 1.035,-

- inrichtingskosten € 50,- in plaats van € 2.000,-

- gebruikerslasten € 300,-

- verzekeringen € 100,-

- diners, restaurants e.d. € 300,- in plaats van € 3.500,-

- kleding en schoenen € 300,- in plaats van € 3.000,-

- cosmetica € 100,- in plaats van € 1.000,-

- schoonheidsspecialist e.d. € 50,- in plaats van € 600,-

- musea, bioscoop e.d. € 75,- in plaats van € 400,-

- hobby’s, boeken € 50,- in plaats van € 500,-

- vakanties € 150,- in plaats van € 750,-

- keukengerei+beddengoed e.d. € 25,- in plaats van € 100,-

- taxi’s, trein, OV € 100,- in plaats van € 500,-

- ziektekostenverzekering € 100,-

- oudedagsvoorziening € 150,- in plaats van € 1.500,-

Totaal € 2.885,- per maand netto.

Behoeftigheid vrouw

9. Het hof zal vervolgens beoordelen of de vrouw in staat is om (gedeeltelijk) zelf in haar behoefte te voorzien.

Gebleken is dat de vrouw al zestien jaar in Nederland verblijft. Partijen zijn feitelijk al meer dan een jaar uit elkaar. Vaststaat dat de vrouw tot op heden geen andere activiteit heeft verricht om zelf in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien dan zich, zo heeft zij ter terechtzitting medegedeeld, in te schrijven bij een uitzendbureau. Gezien de leeftijd van de vrouw, de tijd die is verstreken sinds het feitelijk uiteengaan van partijen en het feit dat zij geen zorg hoeft te dragen voor (minderjarige) kinderen, had van de vrouw mogen worden verlangd dat zij zich actief/actiever had opgesteld in het kader van het vinden van een betaalde baan. Het hof acht het dan ook redelijk en billijk om aan de vrouw enige verdiencapaciteit toe te rekenen en begroot deze in redelijkheid op € 600,- per maand netto.

10. Uit het vorenstaande volgt dat de behoefte van de vrouw aan een uitkering tot haar levensonderhoud (€ 2.285 - € 600,-=) € 2.285,- netto per maand, zijnde afgerond € 3.400,- bruto per maand, bedraagt.

Draagkracht van de man

11. Het hof zal vervolgens beoordelen of de draagkracht van de man betaling van voornoemde bijdrage toelaat. Het hof merkt hierover het volgende op. Gelet op hetgeen de vrouw in eerste aanleg en in hoger beroep heeft gesteld omtrent de draagkracht van de man, had het op de weg van de man gelegen om zijn draagkracht te onderbouwen en een overzicht van zijn inkomsten en lasten gespecificeerd aan het hof voor te leggen, onderbouwd met verificatoire bescheiden. De man heeft dit nagelaten. Het hof beschikt, op enkele stukken na, niet over (recente) financiële gegevens van de man, noch wat betreft zijn inkomsten noch wat betreft zijn lasten. Uit het vorenstaande volgt naar het oordeel van het hof dat niet is komen vast te staan dat hij de draagkracht mist om een bijdrage aan de vrouw te voldoen. Het hof gaat er dan ook van uit dat de man in staat is om aan de vrouw een uitkering tot haar levensonderhoud te betalen van € 3.400,- per maand. Gelet hierop zal het hof de bestreden beschikking vernietigen voorzover deze de uitkering tot levensonderhoud betreft en de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw bepalen op € 3.400,- per maand met ingang van de dag dat de beschikking waarbij de rechtbank de echtscheiding heeft uitgesproken zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Deze ingangsdatum kan niet op een eerdere dag zijn gelegen, zodat het dienaangaande (meer subsidiair) door de man verzochte zal worden afgewezen.

Incidenteel appel

Verdeling

Peildatum omvang gemeenschap van aanwinsten

12. In zijn brief van 3 juni 2010 heeft de man gesteld dat als peildatum voor de omvang van de gemeenschap heeft te gelden februari 2009, zijnde de datum waarop partijen feitelijk uiteen zijn gegaan en de vrouw de echtelijke woning heeft verlaten.

Nu de vrouw de door de man gestelde peildatum voor wat betreft de omvang van de gemeenschap niet heeft betwist, zal het hof als peildatum voor de te verdelen boedelbestanddelen uitgaan van 1 februari 2009.

Peildatum waarde van de gemeenschap van aanwinsten

13. In zijn brief van 3 juni 2010 heeft de man betoogd dat uitgegaan moet worden van de meest recente waarde van de goederen, tenzij hij een andere waarde heeft vermeld. Voor alle te verdelen zaken, met uitzondering van de auto en de inboedel, heeft de man een waarde vermeld op een datum die is gelegen voor 1 februari 2009.

De vrouw heeft in haar brief van 7 juni 2010 gesteld dat als uiterste peildatum voor de waardering van de gemeenschap van aanwinsten 29 april 2008 dient te worden gehanteerd, zijnde de datum waarop zij de roerende goederen in de woning heeft laten taxeren.

14. Het hof zal ten aanzien van de datum voor de waardering van de te verdelen zaken de beslissing aanhouden als na te melden.

Verdeling

15. De vrouw verzoekt om de procedure aan te houden in afwachting van het resultaat van de getuigenverhoren, waartoe zij bij de rechtbank Rotterdam een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor heeft ingediend.

16. Nu het hof in deze beschikking een beslissing zal nemen over de (hoogte van de) partneralimentatie, ziet het hof geen aanleiding om het getuigenverhoor bij de rechtbank af te wachten.

17. Het hof acht zich ten aanzien van de verdeling van de gemeenschap van aanwinsten van partijen onvoldoende in staat om een eindbeslissing te geven. Het hof zal dan ook een compartie van partijen gelasten teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich omtrent de waarde van de te verdelen zaken van de gemeenschap van aanwinsten uit te laten. Het hof gaat voor de omvang van de te verdelen gemeenschap uit van de door ieder van partijen verstrekte opgave van de zaken die daarvan deel uitmaken, door de vrouw in het inleidend verzoekschrift tot echtscheiding in eerste aanleg en door de man in zijn brief van 3 juni 2010. De vrouw zal tot 10 dagen voor de comparitie in de gelegenheid worden gesteld om van de door haar in het inleidende verzoekschrift (pagina 2 en 3) genoemde zaken de waarde/het saldo per 1 februari 2009 en de actuele waarde aan het hof en de wederpartij over te leggen. De man zal tot 10 dagen voor de comparitie in de gelegenheid worden gesteld om van de door hem in zijn brief van 3 juni 2010 genoemde zaken de waarde/het saldo per 1 februari 2009 en de actuele waarde aan het hof en de wederpartij over te leggen.

Daarnaast dienen beide partijen zich te beraden over de wenselijkheid van het waarderen van de onderneming van de man, met inbegrip van het patent dat op naam van de man staat, door een of meer deskundige(n) en over de persoon van de eventueel te benoemen deskundige. Ter comparitie kunnen partijen zich desgewenst over de inhoud van de eventuele stukken uit laten, alsmede over de benoeming en de (persoon van de) deskundige.

16. Het hof zal als navolgend beslissen.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover daarin de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op 17 april 1976 te [plaats] (voormalige Sovjet-Unie), is uitgesproken;

vernietigt de bestreden beschikking voor zover deze de vastgestelde uitkering tot levensonderhoud van de vrouw betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van de datum waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, op € 3.400,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking ten aanzien van de uitkering tot levensonderhoud uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep te dien aanzien meer of anders verzochte;

alvorens nader te beslissen ten aanzien van de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van aanwinsten:

gelast een comparitie van partijen op 11 oktober 2010 te 10.00 uur waarop partijen en hun raadslieden zullen verschijnen, te houden in een van de zalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te ’s-Gravenhage;

bepaalt dat partijen de stukken zoals genoemd in rechtsoverweging 16 uiterlijk 10 dagen voor de comparitie van partijen aan het hof en aan elkaar zullen overleggen;

benoemt uit zijn midden tot raadsheer-commissaris ten overstaan van wie de comparitie zal plaats hebben: mr. E.A. Mink en bij haar ontstentenis: mr. A.J. Dusamos;

voor het geval een der partijen uiterlijk binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking opgeeft verhinderd te zijn op bovengenoemde datum, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen voor de maanden oktober tot en met december 2010, zal de comparitie van partijen plaatsvinden op een door de raadsheer-commissaris nader te bepalen datum en tijdstip;

houdt iedere verdere beslissing inzake de verdeling van de gemeenschap van aanwinsten aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Dusamos, Van Veen, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 september 2010.