Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BO8058

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-10-2010
Datum publicatie
20-12-2010
Zaaknummer
105.007.541/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hennepzaak; manipulatie van de meter; vervolg op tussenarrest van 16 februari 2010 (LJN BL5294).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer: 105.007.541/01

Rolnummer (oud): 08/131

Zaaknummer Rechtbank: 702240/07-22947

arrest van de vijfde civiele kamer d.d. 19 oktober 2010

inzake

[APPELLANT],

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. F.A.M. Engels te 's-Gravenhage,

tegen

STEDIN NETBEHEER B.V., voorheen geheten STEDIN B.V., respectievelijk

ENECO NETBEHEER B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Eneco,

advocaat: mr. L.M. Bruins te 's-Gravenhage.

Verder verloop van het geding

Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 16 februari 2010 en handhaaft hetgeen daarin is overwogen. Bij dat arrest zijn partijen in de gelegenheid gesteld een akte te nemen.

Daarop heeft [appellant] een akte met producties genomen, waarop door Eneco bij antwoordakte, tevens akte tot rectificatie (welke rectificatie kennelijk op haar naamswijziging ziet), is gereageerd.

Vervolgens hebben partijen, Eneco onder overlegging van haar procesdossier, arrest gevraagd.

Verdere beoordeling van het beroep

1. Bij genoemd tussenarrest is [appellant] in de gelegenheid gesteld:

(i) te reageren op het in r.o. 4 weergegeven betoog van Eneco betreffende de betrouwbaarheid van de meterstanden;

(ii) desgewenst te reageren op andere, door Eneco bij memorie van antwoord aangevoerde stellingen en overgelegde producties; en

(iii) de aantekeningen van het mondelinge vonnis van de politierechter over te leggen.

Eneco is verzocht te reageren op het betoog van [appellant] dat de ten behoeve van de hennepkwekerij gebruikte elektriciteit door de meter is geregistreerd, nu de kabel ten behoeve van de kwekerij boven de meter is geplaatst.

2. Eneco heeft aangegeven dat zij erkent dat de desbetreffende kabel aan de bovenzijde van de meter is geplaatst en dat de verbruikte elektriciteit door de meter is geregistreerd. Eneco betoogt evenwel (gelijk in haar memorie van antwoord) dat de meting is gemanipuleerd. Ter onderbouwing van die stelling wijst Eneco op de constatering van haar inspecteurs dat de originele verzegeling is verbroken en verwijderd en dat de aanwezige zegels niet van Eneco afkomstig zijn. Daardoor kon het telwerk verwijderd worden en op een andere stand worden gezet, aldus Eneco. Voorts verwijst zij naar hetgeen zij bij memorie van antwoord heeft gesteld, te weten dat niet van de betrouwbaarheid van de meterstanden kan worden uitgegaan omdat vergelijking van de stand van de meter op 11 september 2006 met die ten tijde van de laatste factuur, d.d. 8 april 2006, bij een verbruik van 153,6 kWh per dag zou meebrengen dat de kwekerij niet langer dan 66 dagen in werking zou zijn geweest, dit terwijl de aangetroffen omstandigheden (zoals de mate van vervuiling van de infrastructuur en de aanwezigheid van een vuilniszak met plantresten) wijzen op eerdere oogsten (het hiervoor in r.o. 1 onder (i) bedoelde betoog).

3. Op dit laatste betoog heeft [appellant] niet gereageerd. Wel betwist hij dat de verzegeling zou zijn verbroken. De op de foto’s zichtbare verzegeling was volgens [appellant] aanwezig en hij wijst erop dat bij controle door Stedin en het Waterleidingbedrijf nimmer is geconstateerd dat er iets met de betreffende verzegeling aan de hand zou zijn. Ter onderbouwing van zijn stellingen verwijst [appellant] naar een verklaring van de heer [S.A.], eigenaar van een elektrobedrijf in Rotterdam.

4. Het hof is van oordeel dat [appellant] aldus de stellingen van Eneco betreffende de manipulatie van de meterstand onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken.

De stelling dat de op de foto’s zichtbare verzegelingen de verzegelingen zijn zoals die “naar het oordeel van [appellant]” in de meterkast aanwezig waren is te algemeen: niet wordt aangegeven dat deze verzegeling al aanwezig was voordat de hennepkwekerij werd opgezet en evenmin dat en op welk moment [appellant] dat heeft gecontroleerd. De stelling dat door Stedin en het Waterleidingbedrijf niet is geconstateerd dat er met de verzegeling was geknoeid is evenmin nader gespecificeerd. Zo wordt niet aangegeven wanneer deze bedrijven zijn geweest. Bovendien sluit de gestelde omstandigheid, indien juist, niet uit dat de verzegeling wel degelijk is vervangen. De verklaring van de heer [S.A.] baat [appellant] evenmin, nu deze gaat over zekeringen. Ook indien ervan uit moet worden gegaan dat met “zekeringen” is bedoeld: “verzegelingen”, ontbreekt een stellige verklaring omtrent het moment waarop/vanaf wanneer de huidige verzegeling aanwezig moet zijn geweest en sluiten de door hem geplaatste vraagtekens geenszins uit dat de oorspronkelijke verzegeling door [appellant] is vervangen. Tot slot heeft [appellant] in het geheel niet gereageerd op het betoog van Eneco betreffende de stand van de meter in verhouding tot de berekende duur van het in bedrijf zijn van de kwekerij. In dat verband is ook het volgende van belang.

5. [appellant] stelt (subsidiair) dat de vordering beperkt moet worden tot de periode van 1 augustus tot 10 september 2006 en doet daartoe een beroep op de omstandigheid dat hij op 16 november 2007 door de politierechter te 's-Gravenhage is veroordeeld voor medeplichtigheid aan het drijven van een hennepplantage in verband met het ter beschikking stellen van zijn woning gedurende de periode van 1 augustus tot 10 september 2006. Thans heeft hij de aantekening van het mondeling vonnis overgelegd. Het hof maakt daaruit op dat [appellant] is veroordeeld wegens medeplichtigheid aan het - kort gezegd - in bedrijf hebben van een hennepkwekerij gedurende de periode van 1 augustus tot en met 10 september 2006. Niet blijkt van welke feiten [appellant] is vrijgesproken en evenmin waarom de bewezenverklaring niet verder teruggaat dan tot 1 augustus 2006. Bovendien blijkt, zoals Eneco aanvoert, niet uit het vonnis dat het ziet op de in deze procedure aan de orde zijnde hennepkwekerij. Gelet op de datum 10 september 2006 is dat echter wel aannemelijk. Het vonnis kan [appellant] om de volgende redenen evenwel niet baten.

6. Een in kracht van gewijsde gegaan, op tegenspraak gewezen vonnis waarbij bewezen is verklaard dat iemand een feit heeft begaan, levert volgens artikel 161 Rv. dwingend bewijs op van dat feit. Het omgekeerde geldt echter niet: de omstandigheid dat een feit niet bewezen is geacht levert in een civiele procedure geen bewijs op van de stelling dat het feit niet heeft plaatsgevonden. De omstandigheid dat de strafrechtelijke veroordeling van [appellant] betrekking heeft op de periode van 1 augustus tot en met 10 september 2006 noodzaakt het hof dus geenszins tot het oordeel dat in de periode voor 1 augustus 2006 geen sprake is geweest van betrokkenheid van [appellant] bij de hennepkwekerij en de daarmee samenhangende ontvreemding van elektriciteit.

7. Dat het een langere periode betreft acht het hof reeds aannemelijk op grond van de eigen verklaring van [appellant], verwoord in diens brief van 29 september 2006 (productie bij inleidende dagvaarding), dat in de woning pas vanaf juni 2006 een hennepkwekerij is opgezet omdat hij ([appellant]) in de financiële problemen was geraakt vanwege het stopzetten van zijn studiebeurs. Daaruit volgt immers dat de hennepkwekerij in elk geval vóór 1 augustus 2006 in bedrijf is geweest.

8. Het hof is van oordeel dat bovendien bij gebrek aan voldoende gemotiveerde betwisting is komen vast te staan dat de kwekerij in bedrijf is geweest gedurende de periode zoals berekend door Eneco. De stelling van [appellant] dat dit niet mogelijk is omdat hij zijn etage pas in juni 2006 heeft onderverhuurd snijdt geen hout: de omstandigheid dat [appellant] zijn etage vanaf juni 2006 heeft onderverhuurd (indien juist) sluit immers niet uit dat er voordien al sprake was van een hennepkwekerij. [appellant] betoogt voorts dat omstandigheden als stoflagen op assimilatielampen, vervuilde koolstoffilters en aangetroffen resten van hennepplanten nietszeggend zijn. Ter toelichting stelt [appellant] dat de ervaring leert dat in hennepkwekerijen doorgaans wordt gewerkt met zo goedkoop mogelijk, derhalve tweedehands, materiaal van eerdere oogsten. Nog daargelaten dat Eneco het door [appellant] gestelde ervaringsfeit betwist en een daarop gericht bewijsaanbod ontbreekt, stelt [appellant] niet dat de materialen in deze hennepkwekerij tweedehands zijn aangeschaft. Daarmee is de stelling niet terzake doende.

[appellant] heeft noch de duur van een oogst, noch de berekening van het dagelijkse verbruik van elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerij betwist. Zijn algemene stelling dat sprake is van onzorgvuldige schattingen is daartoe onvoldoende.

Aldus zijn de bevindingen van Eneco en de daarop gebaseerde berekening onvoldoende gemotiveerd betwist en dienen zij als vaststaand te worden aangemerkt.

Dat betekent tevens dat ook de stelling van Eneco, dat de op 11 september 2006 genoteerde meterstand niet juist kàn zijn en dus gemanipuleerd is, voor juist moet worden gehouden.

9. Op grond van het voorgaande falen de grieven en zal het vonnis waarvan beroep worden bekrachtigd. [appellant] zal worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Eneco begroot op € 251,- aan griffierechten en € 948,- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. T.H. Tanja-van den Broek, M.Y. Bonneur en G.J. Heevel en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 oktober 2010 in aanwezigheid van de griffier.