Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BO7115

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-11-2010
Datum publicatie
13-12-2010
Zaaknummer
22-005334-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het veroordeelt de verdachte voor diefstal tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005334-09

Parketnummers: 10-701230-09, 10-641024-09 (TUL),

10-641189-07 (TUL) en 10-641266-06 (TUL)

Datum uitspraak: 1 november 2010

VERSTEK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 september 2009 en de van dat vonnis deeluitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting voor Vrouwen te Breda.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 18 oktober 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 12 augustus 2009 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (winkel)pand (gelegen op/aan [straatnaam]) heeft weggenomen twee, althans één of meer stuk(s) Priorin, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [drogisterij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, met aftrek van voorarrest. Voorts is een beslissing genomen ten aanzien van de vorderingen tenuitvoerlegging, zoals nader in het vonnis waarvan beroep omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.

Door het hof op basis van wettige bewijsmiddelen vastgestelde feiten en omstandigheden

Op 12 augustus 2009 is verdachte door een bedrijfsbeveiligingsbeambte in Rotterdam aangehouden op verdenking van overtreding van een winkelontzegging (huisvredebreuk). De politieagenten die ter plaatse kwamen om verdachte over te nemen werden aangesproken door de bedrijfsbeveiliger die verklaarde dat hij die dag de verdachte uit [drogisterij] zag komen lopen. Hij heeft haar aangehouden en gevraagd of hij in haar tas mocht kijken. Nadat verdachte had verklaard daartegen geen bezwaar te hebben heeft hij in de tas van de verdachte twee doosjes Priorin aangetroffen. De verdachte kon geen kassabon laten zien.1

Op 13 augustus 2009 is door een opsporingsambtenaar in [drogisterij], gelegen [straatnaam] te Rotterdam, gekeken naar camerabeelden. Het volgende heeft hij gezien: Verdachte loopt op 12 augustus 2009 [drogisterij] in en pakt een winkelmandje. Verdachte pakt een wit doosje uit het schap waar de doosjes Priorin zijn uitgestald en legt het doosje al weglopend in het winkelmandje. Waargenomen wordt dat even daarop twee vermoedelijk gelijke doosjes in het winkelmandje van verdachte liggen. Verdachte brengt haar schoudertas al wandelend richting haar buik. Verdachte maakt diverse armbewegingen richting het mandje. Vervolgens wordt gezien dat het winkelmandje van de verdachte leeg is. Verdachte legt het winkelmandje weg en verlaat [drogisterij].2 Namens [drogisterij] is aangifte gedaan van winkeldiefstal.3

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 12 augustus 2009 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een winkelpand gelegen aan [straatnaam] heeft weggenomen twee, stuks Priorin, toebehorende aan [drogisterij].

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hiervoor weergegeven - in de voetnoten 1 en 2 aangeduide - bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal en heeft aldus overlast en financiële schade veroorzaakt.

Blijkens een haar betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 4 oktober 2010, is de verdachte meermalen onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten. Dat heeft haar er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tenuitvoerlegging (10-641024-09)

Bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam van 11 mei 2009 onder parketnummer 10-641024-09 is de verdachte veroordeeld tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders, met bevel dat die maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep, in afwijking van de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde maatregel, gevorderd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

Met betrekking tot zijn bevoegdheid om kennis te nemen een vordering in de zin van artikel 38r van het Wetboek van Strafrecht, overweegt het hof als volgt.

In de onderhavige zaak is de ISD-maatregel op 11 mei 2009 voorwaardelijk opgelegd door de rechtbank Rotterdam. Op 30 september 2009 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam in samenhang met de behandeling en beslissing op de onderhavige strafzaak bij afzonderlijke beslissing de tenuitvoerlegging van voornoemde maatregel gelast. Namens de verdachte is kennelijk tegen beide beslissingen hoger beroep ingesteld.

Artikel 509ff lid 1 van het Wetboek van Strafvordering luidt:

"Tegen de beslissing van de rechtbank inzake de toepassing van de artikel 38r en 38s (hof: van het Wetboek van Strafrecht) kan [...] de veroordeelde binnen veertien dagen na betekening daarvan beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem."

Het hof acht zich op grond van het bovenstaande niet bevoegd tot kennisneming van het tegen de beslissing van de rechtbank op voornoemde vordering ingestelde hoger beroep.

Vordering tenuitvoerlegging (10-641189-07)

Bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter te Rotterdam van 22 januari 2008 onder parketnummer 10-641189-07 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep in afwijking op de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf gevorderd dat die vordering wordt afgewezen.

In hoger beroep is komen vast te staan, dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.

Gelet op het feit dat een vordering tot tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijk opgelegde straf reeds bij op 11 mei 2009 onder parketnummer 10-641024-09 uitgesproken vonnis door de rechtbank Rotterdam gedeeltelijk - te weten tot drie maanden - is toegewezen, zal het hof slechts de tenuitvoerlegging van het resterende gedeelte, groot één maand, van de niet-tenuitvoergelegde straf gelasten.

Vordering tenuitvoerlegging (10-641266-06)

Bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter te Rotterdam van 22 januari 2007 onder parketnummer 10-641266-06 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met bevel dat die gevangenisstraf voor een gedeelte groot 2 maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep in afwijking op de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf gevorderd dat die vordering wordt afgewezen.

In hoger beroep is komen vast te staan, dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.

Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14g en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Verklaart zich niet bevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam van 11 mei 2009 onder parketnummer 10-641024-09 opgelegde voorwaardelijke maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders.

Bepaalt dat na het onherroepelijk worden van dit arrest de stukken van het geding met het oog op de behandeling van vorenbedoeld hoger beroep zullen worden toegezonden aan het gerechtshof te Arnhem.

Wijst toe de vordering tot tenuitvoerlegging, in die zin dat van de bij vonnis van de politierechter te Rotterdam van 22 januari 2008 onder parketnummer 10-641189-07 opgelegde voorwaardelijke straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, in die zin dat een gedeeltelijke tenuitvoerlegging wordt gelast, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Wijst toe de vordering tot tenuitvoerlegging en gelast de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte van de bij vonnis van de politierechter te Rotterdam van 22 januari 2007 onder parketnummer 10-641266-06 opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Dit arrest is gewezen door mr. G.P.A. Aler, mr. D.J.C. van den Broek en mr. R.M. Bouritius, in bijzijn van de griffier mr. R. van den Bosch.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 1 november 2010.

1 Het proces-verbaal van bevindingen van politie Rotterdam-Rijnmond, nr. 2009279375-8, d.d. 12 augustus 2009, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Het proces-verbaal van bevindingen van politie Rotterdam-Rijnmond, nr. 2009279375-10, d.d. 13 augustus 2009, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar.

3 Een geschrift, zijnde een aangifteformulier winkeldiefstal, d.d. 12 augustus 2009, ondertekend door [beveiligingsbeamte], beveiligingsbeamte en politie Rotterdam-Rijnmond.