Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BO7063

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-11-2010
Datum publicatie
13-12-2010
Zaaknummer
22-003342-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het hof kan het geschonden belang van de verdachte in zoverre derhalve niet worden geacht voldoende te zijn gecompenseerd door oplegging van een straf die beperkt blijft tot het bedrag van de in aanmerking komende transactie. De verdachte kan derhalve slechts in het geschonden belang worden gecompenseerd door het niet ontvankelijk verklaren van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte. Het hof wijst daarbij op het als gevolg van een dergelijke uitspraak herleven van de mogelijkheid dat het Openbaar Ministerie de verdachte alsnog voorstelt de zaak door middel van transactie af te doen, opdat het belang van de strafvordering niet onevenredig wordt getroffen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 348
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2011/340
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003342-09

Parketnummer: 10-507582-08

Datum uitspraak: 11 november 2010

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 16 juni 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Duitse Democratische Republiek) op [geboortedatum] 1981,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 25 februari 2010 en 28 oktober 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het hem tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van 480 euro, subsidiair negen dagen hechtenis.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 oktober 2008 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 535 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem/haar voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het hem tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete van 480 euro, subsidiair negen dagen hechtenis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte, mede overeenkomstig zijn aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitnota, betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte dient te worden verklaard.

De raadsman heeft ter adstructie van zijn betoog

-zakelijk weergegeven- aangevoerd;

- dat conform het Beslissing ondersteunend systeem van de Polaris Richtlijnen ter zake de bepaling van artikel 8 van de Wegenverkeerswet aan de verdachte een transactie had moeten worden aangeboden in plaats van hem te dagvaarden, en dat de omstandigheid dat zulks niet is gebeurd, in strijd is met het vertrouwensbeginsel en een verzuim oplevert dat in beginsel tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dient te leiden;

- dat de verdachte een rechtmatig belang heeft bij het behoud van de mogelijkheid om een Verklaring Omtrent het Gedrag te verkrijgen en dat hij door oplegging van een geldboete overeenkomstig de eis van de advocaat-generaal niet kan worden geacht in het geschonden belang te zijn gecompenseerd, zodat in zijn geval het Openbaar Ministerie ook daadwerkelijk niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt voorop dat het gaat om de toepassing van de Richtlijn rijden onder invloed, artikel 8 leden 2 tot en met 4, 162 en 165 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Richtlijn). Deze Richtlijn is een op artikel 130, vierde lid van de Wet op de Rechterlijke Organisatie (hierna Wet R.O.) gebaseerde algemene aanwijzing betreffende de uitoefening van taken en bevoegdheden van het Openbaar Ministerie, in casu de vervolging, welke zich ertoe leent jegens derden als recht te worden toegepast. Genoemde richtlijn is gepubliceerd en vormt geldend recht in de zin van artikel 99 van de Wet R.O.(oud).

Het hof stelt, met de advocaat-generaal, vast dat gelet op de Richtlijn de onderhavige zaak zich in beginsel leende voor afdoening bij door het Openbaar Ministerie aan te bieden transactie, bestaande in betaling van een geldbedrag van € 480,- en dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden om in zoverre van de Richtlijn af te wijken. De verdachte is echter gedagvaard zonder dat hem eerst overeenkomstig artikel 74 van het Wetboek van Strafvordering door het Openbaar Ministerie een voorstel is gedaan.

Volgens de geldende jurisprudentie hoeft het geval dat een verdachte rauwelijks is gedagvaard, terwijl hem op grond van genoemde richtlijn eerst een transactie had moeten worden aangeboden, echter niet zonder meer te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging, omdat in voorkomend geval het geschonden belang voldoende kan worden gecompenseerd doordat ter terechtzitting door het Openbaar Ministerie een straf wordt gevorderd die feitelijk in overeenstemming is met het transactieaanbod dat aan de verdachte overeenkomstig de Richtlijn zou hebben moeten zijn gedaan en de rechter bij zijn beslissing omtrent de strafoplegging ervan doet blijken vorenbedoeld verzuim in zijn beoordeling te hebben betrokken (HR 8 oktober 2002, NJ 2003, 65).

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep, met het oog op de genoemde compensatiemogelijkheid, gevorderd dat de verdachte een geldboete zal worden opgelegd overeenkomstig het in aanmerking komende transactiebedrag, te weten € 480,-.

Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep als deskundige gehoord de heer N. Koorn, medewerker juridische zaken bij de Dienst Justis (Justitiële uitvoeringsdienst Toetsing, Integriteit en Screening). Deze deskundige heeft verklaard dat voor de toepassing van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2008 bij de behandeling van aanvragen inzake een verklaring omtrent het gedrag alle op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens gedocumenteerde gegevens, derhalve zowel gegevens betreffende afdoening door middel van een transactie als afdoening door middel van een rechterlijk vonnis, worden aangemerkt als justitiële gegevens, zij het dat ten nadele van de aanvrager minder gewicht wordt toegekend aan getransigeerde feiten dan aan bij rechterlijk vonnis afgedane feiten, op grond dat aan laatstbedoelde afdoening een oordeel ten grondslag ligt over de schuld van de verdachte aan het desbetreffende feit. Desgevraagd of dit beleid, waarvan de deskundige heeft verklaard dat dit geen deel uitmaakt van de gepubliceerde beleidsregels, door de bestuursrechter reeds is getoetst, heeft de deskundige verklaard dat dit niet zo is, doch dat hij er op grond van zijn kennis als jurist en ervaring (onder meer gelegen op het gebied van de verlening van verklaringen omtrent het gedrag en bezwaar- en beroepsprocedures in verband met de onthouding daarvan) van uitgaat dat dit beleid stand zal houden.

Het hof is van oordeel dat het er op grond van de verklaring van de deskundige derhalve voor moet worden gehouden dat een verdachte die als gevolg van een verzuim bij het naleven van de Richtlijn door het Openbaar Ministerie rauwelijks is gedagvaard, de gerede kans loopt dat hem een verklaring omtrent het gedrag wordt onthouden, terwijl deze verklaring hem zou zijn verleend indien de zaak door middel van een transactie zou zijn afgedaan. Naar het oordeel van het hof doet daaraan niet af dat de deskundige ter terechtzitting de verwachting heeft uitgesproken dat de verdachte ook bij veroordeling door de rechter wegens het onderhavige feit tot een geldboete beneden de € 500,- een verklaring omtrent het gedrag tegemoet zal kunnen blijven zien, zulks desnoods na een bezwaarprocedure waarin tijdens de hoorzitting alle relevante stukken kunnen worden overgelegd, nu aan deze verklaring geen waarborg kan worden ontleend. Een bestuursorgaan disponeert krachtens de Algemene wet bestuursrecht over de aan haar toevertrouwde taken immers uitsluitend door middel van een besluit.

Naar het oordeel van het hof kan het geschonden belang van de verdachte in zoverre derhalve niet worden geacht voldoende te zijn gecompenseerd door oplegging van een straf die beperkt blijft tot het bedrag van de in aanmerking komende transactie. De verdachte kan derhalve slechts in het geschonden belang worden gecompenseerd door het niet ontvankelijk verklaren van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte. Het hof wijst daarbij op het als gevolg van een dergelijke uitspraak herleven van de mogelijkheid dat het Openbaar Ministerie de verdachte alsnog voorstelt de zaak door middel van transactie af te doen, opdat het belang van de strafvordering niet onevenredig wordt getroffen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door mr. J.C.F. van Gelder, mr. R.M. Bouritius en mr. C.J. van der Wilt, in bijzijn van de griffier mr. M. ter Riet.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 november 2010.