Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BO7023

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-11-2010
Datum publicatie
13-12-2010
Zaaknummer
22-006246-08
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2008:BG5492, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof acht - evenals de rechtbank - uit het onderzoek en het verhandelde ter terechtzitting aannemelijk geworden dat de verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd ter verdediging van zijn dochter tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Voor zover de advocaat-generaal in hoger beroep nog een onderscheid heeft willen aanbrengen tussen de aanranding van de verdachte zelf en de aanranding van zijn dochter gaat het hof daaraan voorbij, nu aan dat onderscheid door het openbaar ministerie geen juridische consequenties zijn verbonden en het onderscheid overigens naar het oordeel van het hof (en dat van de rechtbank) onvoldoende steun vindt in de door de rechtbank vastgestelde - en door het hof overgenomen - feiten en omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-006246-08

Parketnummer: 10-660011-08

Datum uitspraak: 1 november 2010

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 24 november 2008 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1966 te [geboorteplaats] (Marokko),

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 18 oktober 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep, vrijspraak van de verdachte van het hem onder 1 impliciet primair, 2 primair impliciet primair en 3 primair impliciet primair tenlastegelegde en veroordeling van de verdachte ter zake van het hem onder 1 impliciet subsidiair, 2 primair impliciet subsidiair en 3 primair impliciet subsidiair tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest.

Tevens heeft het hof kennisgenomen van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 14 januari 2008 te Rotterdam opzettelijk en/of al dan niet met voorbedachten rade, een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk, al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer 1] meermalen met een mes in de borststreek en/of de rug, in elk geval in het bovenlichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

hij op of omstreeks 14 januari 2008 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade, een persoon genaamd [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet, al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer 2] (meermalen) met een mes in de rug, althans het bovenlichaam, heeft gestoken terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 januari 2008 te Rotterdam aan een persoon te weten [slachtoffer 2], opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel, te weten een ingeklapte long en/of (een) steekwond(en) in de rug, althans het bovenlichaam, heeft toegebracht, door die [slachtoffer 2] opzettelijk, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, (meermalen) met een mes in het bovenlichaam te steken;

meer subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 januari 2008 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer 2] (meermalen) met een mes in de rug, althans het bovenlichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 14 januari 2008 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade, een persoon genaamd [slachtoffer 3] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer 3] met een mes in de (rechter) schouder, althans het bovenlichaam, heeft gestoken,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 januari 2008 te Rotterdam, opzettelijk en met voorbedachten rade mishandelend, althans opzettelijk mishandelend, een persoon,

[slachtoffer 3], opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk met een mes in de (rechter)schouder, althans het bovenlichaam heeft gestoken, tengevolge waarvan die [slachtoffer 3] enig lichamelijk letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder

1 impliciet primair, 2 primair impliciet primair en

3 primair impliciet primair tenlastegelegde vrijgesproken. Ter zake van het onder 1 impliciet subsidiair, 2 primair impliciet subsidiair en 3 primair impliciet subsidiair tenlastegelegde is de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beslissingen dan die van de eerste rechter, met inachtneming van het navolgende.

a. Vrijspraak van de voorbedachte raad; de bewezenverklaring

De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van het hem onder 1 impliciet primair, 2 primair impliciet primair en 3 primair impliciet primair (kort gezegd: van de voorbedachte raad) en bewezen verklaard dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 1 impliciet subsidiair (doodslag), 2 primair impliciet subsidiair (poging doodslag) en 3 primair impliciet subsidiair (poging doodslag) tenlastegelegde.

De advocaat-generaal heeft in hoger beroep dat oordeel niet bestreden en het hof is te dien aanzien evenmin ambtshalve tot andere beschouwingen en beslissingen gekomen zodat het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de bewezenverklaring en de daarbij gegeven bewijsmotivering (zie: bestreden vonnis, pagina's 3 en 4) zal worden bevestigd.

b. De strafbaarheid van de verdachte

Het door het openbaar ministerie ingestelde hoger beroep richt zich in de kern, kort samengevat, tegen het oordeel van de rechtbank dat de verdachte niet strafbaar is, en derhalve tegen het ontslag van rechtsvervolging van de verdachte, aangezien naar het oordeel van de advocaat-generaal het handelen van de verdachte niet voldeed aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, zodat hem geen beroep op noodweer, noch op noodweerexces toekomt.

De verdediging heeft zich - ook in hoger beroep - op het standpunt gesteld, kort samengevat, dat de verdachte heeft gehandeld in een noodweersituatie, dan wel, indien hij daarbij de grenzen van het toelaatbare zou hebben overschreden, in een situatie van noodweerexces, zodat hij - overeenkomstig het oordeel van de rechtbank - dient te worden ontslagen van rechtsvervolging.

Het hof acht - evenals de rechtbank - uit het onderzoek en het verhandelde ter terechtzitting aannemelijk geworden dat de verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd ter verdediging van zijn dochter tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Voor zover de advocaat-generaal in hoger beroep nog een onderscheid heeft willen aanbrengen tussen de aanranding van de verdachte zelf door [slachtoffer 2] (feit 2) en de aanranding van zijn dochter door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] (feiten 1 en 3) gaat het hof daaraan voorbij, nu aan dat onderscheid door het openbaar ministerie geen juridische consequenties zijn verbonden en het onderscheid overigens naar het oordeel van het hof (en dat van de rechtbank) onvoldoende steun vindt in de door de rechtbank vastgestelde - en door het hof overgenomen - feiten en omstandigheden, zoals weergegeven in het bestreden vonnis op de pagina's 5 (geheel onderaan) tot en met 8 (bovenaan).

Al met al heeft de behandeling van de zaak in hoger beroep het hof met betrekking tot de bewezenverklaring, de strafbaarheid van de verdachte en de sanctie niet gebracht tot wezenlijk andere beschouwingen, noch tot andere beslissingen, dan de rechtbank in eerste aanleg.

Het bestreden vonnis zal dan ook worden bevestigd.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mr. S. van Dissel, mr. H.C. Wiersinga en mr. M. Kessler, in bijzijn van de griffier mr. L.E.G. van der Hut.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 1 november 2010.

Mr. M. Kessler en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.