Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BO6946

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-10-2010
Datum publicatie
10-12-2010
Zaaknummer
22-005663-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte is ter zake van feit 1, opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoord, vernielen; feit 2, mishandeling, begaan tegen zijn eigen kind en feit 3, wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmee gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft, veroordeeld tot een taaksstraf, in de vorm van een werksstraf, voor de duur van 120 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand. Het Hof heeft het beroep op noodweer(exces) en psychisch overmacht verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005663-09

Parketnummer: 10-662072-09

Datum uitspraak: 15 oktober 2010

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 20 oktober 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1964 te [geboorteplaats] (Suriname),

gba-adres: thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

adres volgens eigen opgave ter terechtzitting in hoger beroep: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 1 oktober 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 06 januari 2009 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk twee, althans een ruit(en) (zich bevindend in de (binnen)deur van perceel [adres]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en / of beschadigd en / of onbruikbaar gemaakt door (met zijn vuist(en)) in/op/tegen die ruit(en) te slaan;

2.

hij op of omstreeks 06 januari 2009 te Rotterdam opzettelijk mishandelend zijn kind, althans een persoon, te weten [aangever 2], in de borst en/of de (linker)wang, althans het lichaam heeft gebeten, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op of omstreeks 06 januari 2009 te Rotterdam [aangever 3], hoofdagent van politie, werkzaam bij de politie Rotterdam-Rijnmond heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend (met kracht) die [aangever 3] op/tegen de/een ballustrade/balkon geduwd en/of gegooid, waardoor die [aangever 3] (met zijn voeten) los kwam van de grond en/of met zijn (boven)lichaam over de/een ballustrade/balkon kwam te hangen, en/of (daarbij) dreigend de woorden toegevoegd: "ik gooi je van het balkon", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

4.

hij op of omstreeks 06 januari 2009 te Rotterdam toen de aldaar dienstdoende [aangever 4], hoofdagent van politie, werkzaam bij de politie Rotterdam-Rijnmond verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 287 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had aangehouden en vastgegrepen, althans vast had teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten het politiebureau te Capelle aan den IJssel, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner bediening, door opzettelijk gewelddadig die [aangever 4] in zijn (boven)been te bijten, tengevolge waarvan deze opsporingsambtenaar enig lichamelijk letsel (twee, althans een blauwe plek(ken)) bekwam.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 3 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Voorts is de verdachte in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, regio Rotterdam-Dordrecht, zolang deze instelling dat noodzakelijk acht. Aan de Reclassering is de opdracht verstrekt om aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij het naleven van de bijzondere voorwaarde. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, een en ander als nader in het vonnis omschreven.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg onder 3 gegeven vrijspraak.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 06 januari 2009 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een ruit zich bevindend in de (binnen)deur van perceel [adres] toebehorende aan [aangever 1 heeft vernield door met zijn vuist tegen die ruit te slaan;

2.

hij op 06 januari 2009 te Rotterdam opzettelijk mishandelend zijn kind te weten [aangever 2], in de borst en de wang, heeft gebeten, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

4.

hij op 06 januari 2009 te Rotterdam toen de aldaar dienstdoende [aangever 4], hoofdagent van politie, werkzaam bij de politie Rotterdam-Rijnmond verdachte op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had aangehouden en vastgegrepen, teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten het politiebureau te Capelle aan den IJssel, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner bediening, door opzettelijk gewelddadig die [aangever 4] in zijn (boven)been te bijten, tengevolge waarvan deze opsporingsambtenaar enig lichamelijk letsel,twee blauwe plekken, bekwam.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, nu de verdachte geen opzet heeft gehad op vernieling van de ruit van de binnendeur. Voorts heeft de verdediging betoogd dat de schade aan de ruit van de binnendeur reeds door de verdachte is vergoed.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt te dien aanzien als volgt.

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt - verkort en zakelijk weergegeven - dat de verdachte in de woning van de aangeefster met zijn tot vuist gebalde hand heeft uitgehaald naar de ruit van de binnendeur waardoor die ruit werd vernield. Deze gedraging kan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zijnde zozeer gericht op het vernielen van de desbetreffende ruit, dat het niet anders kan zijn dan het opzet van de verdachte daarop ook was gericht. Het enkele feit dat de verdachte de door zijn handelen ontstane schade heeft vergoed, maakt dat niet anders.

Door de verdediging gevoerde verweren

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ten aanzien van het onder 2 en 4 bewezenverklaarde een beroep op noodweer, noodweerexces toekomt.

De raadsvrouw heeft daartoe betoogd - verkort en zakelijk weergegeven - dat daar waar geweldshandelingen door de verdachte zijn begaan tegen [aangever 2], die geweldshandelingen door hem zijn verricht ter noodzakelijke verdediging van een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding van zijn eigen lijf door die [aangever 2].

Met betrekking tot het tenlastegelegde verzet heeft de raadsvrouw betoogd - verkort en zakelijk weergegeven - dat de verdachte zich voorover van de trap heeft laten vallen omdat hij het benauwd had doordat er met een wapenstok op zijn keel werd gedrukt en hij als gevolg daarvan geen adem kon halen.

Het hof verwerpt de gevoerde verweren en overweegt in dat verband als volgt.

Uit het verhandelde ter terechtzitting en de voorhanden zijnde processtukken is het volgende gebleken.

De verdachte kwam op 6 januari 2009 aan de deur bij de woning van zijn vriendin [aangever 1]. In de woning heeft hij met zijn vuist een ruit van de tussendeur vernield. Zijn zoon, [aangever 2], wilde de verdachte vervolgens de woning uitzetten. Hierop is [aangever 2] op de verdachte afgelopen. Hij heeft de verdachte vervolgens vastgepakt door zijn arm in een greep om zijn nek te houden. Terwijl [aangever 2] de verdachte vast had, beet deze hem in zijn borst.

Verder is het hof gebleken dat de verbalisant [aangever 4] op 6 januari 2009 in zijn been is gebeten door de verdachte nadat [aangever 4] naar voren was gestapt om de val van de verdachte te breken.

Naar het oordeel van het hof kunnen de beroepen niet worden aanvaard omdat de gedragingen van de verdachte, zoals die naar het oordeel van het hof vast zijn komen te staan zoals hiervoor overwogen, noch op grond van de bedoeling van de verdachte noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedragingen kunnen worden aangemerkt als verdedigend, maar - naar de kern bezien- als aanvallend.

Onder deze omstandigheden kan het bewezenverklaarde niet kan worden aangemerkt als een feit, geboden door de noodzakelijke verdediging tegen een aanranding.

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep voorts betoogd dat de verdachte ten aanzien van de onder 2 en 4 tenlastegelegde feiten dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu in deze sprake is geweest van psychische overmacht.

Ook deze verweren worden door het hof verworpen, nu niet aannemelijk is geworden dat er toen sprake was een van buiten komende kracht, drang of dwang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand heeft kunnen dan wel heeft hoeven bieden.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

mishandeling, begaan tegen zijn kind.

Ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde:

wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmee gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft in de woning van de moeder van zijn zoon een ruit van een tussendeur vernield. Met zijn handelen heeft hij geen respect voor andermans eigendommen getoond en heeft hij bij de betrokkene overlast en financiële schade veroorzaakt. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling door zijn zoon te bijten. De verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op de persoonlijke en fysieke integriteit van het slachtoffer, zeker nu dit plaatshad in zijn eigen woning, een plaats waar men zich bij uitstek veilig moet kunnen voelen. Ook heeft de verdachte zich bij zijn aanhouding schuldig gemaakt aan wederspannigheid ten gevolge waarvan een opsporingsambtenaar letsel heeft opgelopen. Aldus heeft de verdachte blijk gegeven van een onaanvaardbaar gebrek aan respect voor het openbare gezag.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 september 2010, is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen. Het hof houdt rekening met de ouderdom van het feit.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Vordering tot schadevergoeding [aangever 4]

In het onderhavige strafproces heeft mr. B.S. van der Klauw namens [aangever 4] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 200,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag van € 200,00.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat hij de vordering van de benadeelde partij niet wenst te voldoen daar de opsporingsambtenaren zich ook niet onbetuigd hebben gelaten nadat de verdachte was overgebracht naar het politiebureau.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde immateriële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 4 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Naar het oordeel van het hof is aannemelijk geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 4 bewezenverklaarde. Ten overvloede overweegt het hof dat -voor zover er na zijn aanhouding geweld is gebruikt tegen de verdachte- een en ander los staat van het feit zoals dat onder 4 is bewezenverklaard. Van enige medeschuld van de benadeelde partij ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde is het hof niet gebleken. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 200,00.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [aangever 4]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 200,00 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 4 bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [aangever 4].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 181, 300, 304 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, te vervangen door hechtenis voor de tijd van 60 (zestig) dagen voor het geval die taakstraf niet naar behoren wordt verricht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Beveelt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij mr. B.S. van der Klauw namens [aangever 4] tot het gevorderde bedrag van € 200,00 (tweehonderd euro), en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met de vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak vooralsnog zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op om ten behoeve van mr. B.S. van der Klauw namens [aangever 4] aan de Staat een bedrag te betalen van € 200,00 (tweehonderd euro) bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 4 (vier) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis deze betalingsverplichting niet opheft.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Dit arrest is gewezen door mr. I.E. de Vries, mr. G. Knobbout en mr. T.J.P. van Os van den Abeelen,

in bijzijn van de griffier mr. S.S. Mangal.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 15 oktober 2010.

Mr. G. Knobbout is buiten staat dit arrest te ondertekenen.