Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BO6583

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-11-2010
Datum publicatie
08-12-2010
Zaaknummer
105.007.142-02
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDOR:2007:BB5570, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Scheuren in huis geen gevolg van gebrek aan naastgelegen weg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer: 105.007.142/02

Zaak-rolnummer rechtbank: 52243 HA ZA 04-2026

Arrest van de derde civiele kamer d.d. 2 november 2010

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats], gemeente Giessenlanden,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens te ´s-Gravenhage,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon gemeente Giessenlanden ,

zetelend te Hornaar, gemeente Giessenlanden,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de gemeente,

advocaat: mr. K. Teuben te ´s-Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van 9 oktober 2007 is [appellant] in hoger beroep gekomen van de vonnissen van

14 april 2004, 6 april 2005, 22 februari 2006, 14 juni 2006 en 1 augustus 2007 die de rechtbank Dordrecht tussen partijen heeft gewezen. Bij memorie van grieven heeft [appellant] vier grieven aangevoerd. De gemeente heeft de grieven bij memorie van antwoord bestreden. Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor arrest.

De beoordeling van het hoger beroep

1. In hoger beroep kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [appellant] is eigenaar van het pand, plaatselijk bekend [straat] [nummer] te [plaats], gemeente Giessenlanden. Het pand is gebouwd in 1877 en op staal gefundeerd. In of omstreeks 1977 is in een groot gedeelte van het pand een vloer van gewapend beton aangebracht.

(ii) De gemeente is beheerder van de [straat]. Deze weg is verhard en had tot 1 januari 2000 de status van B-weg. Op genoemde datum is, overal in Nederland, de status van B-wegen komen te vervallen.

(iii) Aan de [straat], die dood loopt, zijn enkele bedrijven gevestigd, waardoor onder meer vrachtverkeer van de weg gebruik maakt.

(iv) In het aan [appellant] toebehorende pand is scheurvorming opgetreden.

2. [appellant] vordert in deze zaak de gemeente te veroordelen tot vergoeding van bij staat op te maken schade die hij ten gevolge van de scheurvorming lijdt. De rechtbank heeft, na het wijzen van enkele tussenvonnissen, de vorderingen van [appellant] bij haar eindvonnis d.d. 1 augustus 2007 afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.

3. Geen grief is gericht tegen de vonnissen van 14 april 2004, 22 februari 2006 en 14 juni 2006 zodat [appellant] in zijn beroep daartegen niet kan worden ontvangen.

4. Het hof zal eerst de vierde grief behandelen. Daarin komt [appellant], kort gezegd, op tegen het oordeel van de rechtbank dat de oorzaak van de schade primair is gelegen in de verzakking van de gehele constructie van de woning tengevolge het hogere gewicht van het beton dat is gebruikt voor de vloeren die rond 1977 in de woning zijn aangebracht en dat niet aannemelijk is geworden dat de schade ook zou zijn opgetreden indien het pand niet ten gevolge van het aanbrengen van die vloeren zou zijn gezakt en gescheurd.

5. De rechtbank heeft het zojuist weergegeven oordeel goeddeels gebaseerd op het in haar opdracht door E. Spier uitgebrachte deskundigenbericht d.d. 9 januari 2007. Aan de deskundige was door de rechtbank de vraag gesteld:”Veroorzaken trillingen, die het verkeer op de [straat] teweegbrengt, de door [appellant] gestelde schade aan zijn pand aan de [straat] nr. [nummer] te Giessenlanden?”

De deskundige beantwoordt deze vraag als volgt: “Nee, de oorzaak van de schade aan de woning van [appellant] is primair gelegen in het verzakken van de gehele constructie. De verzakking blijkt uit de lintvoegwaterpassing, het scheurpatroon en de scheefstand van de voorgevel; deze aspecten bevestigen elkaar. De verkeerstrillingen dragen wel in enige mate bij aan de schade, maar veroorzaken de verzakking niet. Het verschil in scheefstand tussen de oostgevel van de woning en de oostwand van de serre geeft het volgende aan. De woninggevel stond rond 1977 al in enige mate scheef. De serrewand is daar tegenaan gemonteerd en het is aannemelijk dat de serrewand toen te lood heeft gestaan. Sindsdien is de gevel verder scheef gezakt en heeft het aansluitende deel van de serrewand met zich meegenomen. De hoofdoorzaak van de voortgaande verzakking is naar verwachting gelegen in de extra belasting op de ondergrond die voortkomt uit het hogere gewicht van het beton dat is gebruikt voor de fundering en de vloeren die rond 1977 in het pand zijn aangebracht. Een algemene eigenschap van de betreffende fundering op staal op een veenachtige ondergrond is dat een geringe belastingtoename leidt tot een onevenredig grote zakking. Het is een geheel zonder enige vorm van reserve.

(…)”

Ook heeft de rechtbank nog de algemene vraag gesteld: “Heeft u nog opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang kunnen zijn?” Op deze vraag heeft de deskundige geantwoord:

“De gemeten pieken in de trillingen (die ter plaatse in de bodem door langsrijdend verkeer optreden –hof) liggen in de orde van 3 à 6 mm/s in het frequentiegebied van 1 tot 10 Hz. Deze waarnemingen liggen ruim aan de veilige kant van de grenslijn (…). (…) Op grond hiervan wordt door mij gesteld dat het zeer onwaarschijnlijk is dat waargenomen verkeerstrillingen de oorzaak zijn van het verzakken van de woning.

Een tweede mechanisme is dat trillingen vanuit de ondergrond een bouwwerk meenemen en zodanig heftig in beweging brengen dat daardoor schade (of hinder) aan het bouwwerk ontstaat. Het draagvermogen van de ondergrond speelt hierbij geen rol.

Uit (…) blijkt voor deze soort trilling in combinatie met de betreffende constructie een maximum van 3,2 mm/s te worden gehanteerd. Uit de trillingsmeting blijkt dat er trillingen zijn vastgesteld in een ordegrootte die in dit mechanisme een rol kunnen spelen. (…) In het geval van de tweede soort trillingen is er niet noodzakelijkerwijs sprake van enige vervorming en/of verzakking. Wel is er sprake van een concentratie van schade hoog in de constructie; daar waar de bewegingen het meest heftig zijn. Vergelijkbaar met het zwaaien van de kruin van een boom in de wind. Dit resulteert vaak in dakpannen die niet meer strak in het patroon liggen en schade aan schoorstenen en topgevels. Hiervan is in dit geval geen sprake. Daarom wordt geoordeeld dat dit mechanisme in dit geval geen overwegende rol speelt, ondanks enkele waarnemingen in het kritische gebied.(…)”

6. In het kort komen de zojuist geciteerde bevindingen van de deskundige erop neer dat:

a. de schade niet zou zijn ontstaan als de woning niet was verzakt,

b. de in 1977 aangebrachte betonvloer als oorzaak van deze verzakking is aan te merken,

c. de ter plaatse gemeten trillingen ten gevolge van het voorbijrijdend verkeer te zwak waren om bij de verzakking een rol te spelen,

d. dezelfde trillingen – die in beginsel wel een rol zouden hebben kunnen spelen bij schade hoog in de constructie – daar niet tot schade hebben geleid.

7. [appellant] heeft de bevindingen van de deskundige bestreden, maar zijn kritiek is niet, althans onvoldoende, onderbouwd. Hij heeft (punt 15 van de memorie van grieven) aangekondigd een ander deskundigenrapport te zullen produceren, maar is daartoe niet overgegaan. Gelet op de omstandigheid dat het rapport van de deskundige Spier thans bijna vier jaar geleden is verschenen, heeft hij daarvoor inmiddels ruimschoots de gelegenheid gehad. Het hof heeft geen behoefte aan nadere deskundige voorlichting.

8. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid van de bevindingen van de deskundige te twijfelen en maakt die tot de zijne.

Op grond daarvan komt het hof evenals de rechtbank tot het oordeel dat dé oorzaak van de schade aan het huis van [appellant] moet worden gezocht in de verzakking daarvan ten gevolge van de renovatiewerkzaamheden rond 1977 en in het bijzonder door het daarin aanbrengen van (gewapend) beton voor de fundering van de vloeren. Niet is gebleken dat de schade zonder verzakking eveneens – in welke mate dan ook - zou zijn opgetreden. Voor zover al verkeerstrillingen de schade aan de woning hebben verergerd moet dit, gelet op het rapport van de deskundige, worden toegerekend aan de door verzakking verzwakte constructie van het huis

Het hof verwerpt de onderhavige grief.

9. Het hof zal aansluitend de derde grief behandelen. Daarin beklaagt [appellant] zich er op zichzelf terecht over dat de rechtbank geen acht heeft geslagen op de uitbreiding van de grondslag van de vordering, zoals te vinden in punt 10 van zijn conclusie na deskundigenbericht. De gemeente heeft zich tegen deze uitbreiding verzet, maar de rechtbank is op een en ander niet ingegaan.

Het hof begrijpt uit de toelichting op deze grief dat [appellant] “de elastische vervorming” ook in hoger beroep mede tot grondslag van zijn vordering wil maken. De gemeente heeft zich daartegen in hoger beroep niet verzet en het hof, ambtshalve oordelend, acht deze uitbreiding van de grondslag niet in strijd met de eisen van een goede procesorde.

Intussen helpt ook deze grondslag [appellant] niet verder. Weliswaar blijkt uit het rapport van de deskundige dat elke passage van een voertuig de grond onder de weg enigszins doet inveren en vervolgens weer doet terugkomen – de elastische vervorming – waardoor de constructie van de woning extra wordt belast, maar uit het rapport kan ook worden afgeleid dat deze belasting op zichzelf niet tot schade aan de woning kan hebben geleid, maar slechts bestaande schade (als gevolg van verzakking) kan hebben verergerd. De derde grief faalt eveneens.

10. Ook de grieven 1 en 2 slagen niet. Zij stuiten af op hetgeen hierboven is overwogen omtrent het ontbreken van causaal verband tussen enerzijds het aan de gemeente verweten handelen c.q. nalaten en anderzijds de aan de woning van [appellant] opgetreden schade. De door [appellant] in deze grieven genoemde rechtsgronden kunnen daarom, wat er overigens van zij, evenmin tot toewijzing van zijn vorderingen leiden. Dit betekent ook dat het hof niet toekomt aan het bewijsaanbod van [appellant].

11. Gelet op al het vorenstaande dient te worden beslist als hieronder aan te geven. [appellant] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het hoger beroep verwezen.

Beslissing

Het hof:

verklaart [appellant] in zijn beroep tegen de vonnissen van 14 april 2004, 22 februari 2006 en 14 juni 2006 niet-ontvankelijk,

bekrachtigt de overige door de rechtbank in deze zaak gewezen vonnissen,

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de gemeente tot aan deze uitspraak begroot op € 300,= aan vast recht en € 894,= (1 punt tarief II) aan salaris advocaat,

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad en bepaalt dat de daarin genoemde bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. van Sandick, M.C.M. van Dijk en H. Warnink en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 november 2010 in aanwezigheid van de griffier.