Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BO5253

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-11-2010
Datum publicatie
29-11-2010
Zaaknummer
22-004160-09
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ4797, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BV3442, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BV3442
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Moord. Gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren.

De verdachte, gefrustreerd doordat zijn huisgenoot het slot van de woning had veranderd, heeft zich schuldig gemaakt aan moord op zijn voormalige huisgenoot door deze 's nachts en in zijn woning met twee messen diepe steekwonden toe te brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004160-09

Parketnummer: 09-753618-08

Datum uitspraak: 26 november 2010

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 7 augustus 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970,

thans gedetineerd in P.I. Veenhuizen, gevangenis Norgerhaven te Veenhuizen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 15 januari 2010, 11 juni 2010 en 12 november 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is er een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij als nader in het vonnis waarvan beroep omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 02 juli 2008 te Alphen aan den Rijn opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [achternaam slachtoffer] met een of meer mes(sen), althans met een of meer scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en) (meermalen) in het lichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [achternaam slachtoffer] is overleden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 02 juli 2008 te Alphen aan den Rijn opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [achternaam slachtoffer] met messen meermalen in het lichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [achternaam slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 12 november 2010 is door de raadsman betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van moord. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de verdachte naar de woning is gegaan om zijn spullen op te halen in de wetenschap dat het slachtoffer niet thuis was; eenmaal binnen bleek dat hij de woning niet kon verlaten omdat de deur op slot zat, reden waarom hij zich genoodzaakt zag daar te wachten; toen het slachtoffer thuiskwam bleef het "angstvallig stil" beneden waardoor de verdachte het idee kreeg mogelijk in de val gelokt te worden; uit angst heeft hij de messen gepakt en is naar beneden gelopen, waar hij door het slachtoffer met een spijkertrekker werd aangevallen en in een tijdsbestek van enkele seconden het slachtoffer tweemaal met de messen heeft gestoken. Volgens de raadsman is er geen sprake van voorbedachte raad en kan moord derhalve niet worden bewezen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op grond van de zich in het dossier bevindende stukken alsmede uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 12 november 2010 stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

De verdachte is op 2 juli 2008 rond 21:00 uur naar de woning gegaan en via het balkon van de buren van nummer 77 binnengekomen. De verdachte heeft boven in de woning de komst van het slachtoffer afgewacht. Toen het slachtoffer thuis kwam, heeft de verdachte een tweetal messen gepakt en vervolgens minstens tien minuten boven aan de trap staan wachten. Daarna is hij met de twee messen in zijn linkerhand naar beneden gegaan; daar heeft een confrontatie met het slachtoffer plaatsgevonden, waarbij de verdachte het slachtoffer met die messen heeft gestoken.

Het hof acht de verklaring van de verdachte dat hij in de veronderstelling verkeerde dat het slachtoffer een aantal vrienden mee had genomen naar huis niet aannemelijk; dit alleen al aangezien de verdachte naar eigen zeggen na thuiskomst van het slachtoffer tenminste tien minuten heeft staan luisteren bovenaan de trap en gedurende al die tijd niets heeft gehoord. Gezien het nachtelijke tijdstip waarop het slachtoffer was thuisgekomen, gecombineerd met de stilte daarna, lag het veeleer voor de hand om aan te nemen dat het slachtoffer na thuiskomst naar bed was gegaan. Dat dit waarschijnlijk ook het geval is geweest, kan worden afgeleid uit het feit dat het slachtoffer later slechts in zijn onderbroek gekleed is aangetroffen.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard aanvankelijk rustig en vervolgens stampend de trap af te zijn gegaan, naar hij zegt om het slachtoffer af te schrikken. Het hof acht deze reden voor het stampen van de verdachte niet aannemelijk. Als de verdachte bang zou zijn geweest voor het slachtoffer zou het veeleer in de rede hebben gelegen dat hij zich zo stil mogelijk had gehouden om ongezien weg te kunnen komen via de voordeur. Hij had naar eigen zeggen bij het afdalen van de trap immers al gezien dat de sleutel inmiddels in het slot van de voordeur stak. Het stampen van de verdachte op de trap wijst er naar het oordeel van het hof op dat de verdachte bewust de confrontatie heeft opgezocht met het slachtoffer.

Hoewel het hof het zeer wel mogelijk acht dat het slachtoffer door het stampen van de verdachte op de trap gealarmeerd is geraakt en wellicht op dat moment een spijkertrekker heeft gepakt om zich tegen een eventuele aanval van een voor hem onverwachte bezoeker te kunnen verweren, acht het hof het, gelet op het ontbreken van (ernstige) verwondingen anders dan enkele schaafwondjes aan de hand van de verdachte waarmee hij - alweer naar eigen zeggen - een slag van de spijkertrekker tegen zijn hoofd heeft afgeweerd, niet aannemelijk dat het slachtoffer de verdachte heeft geslagen met de spijkertrekker.

Ook het feit dat de verdachte ervoor heeft gekozen om niet eens te proberen de woning te verlaten via dezelfde weg als waarlangs hij gekomen was, wijst erop dat hij een confrontatie met het slachtoffer niet uit de weg is gegaan.

Op grond van het bovenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft gehandeld na kalm beraad en rustig overleg en dat dit handelen niet is ingegeven door een ogenblikkelijke gemoedsbeweging door een onverhoedse aanval van de zijde van het slachtoffer. Tenminste vanaf het moment dat de verdachte met twee messen in de hand luidruchtig van de trap naar beneden liep, terwijl hij van daaruit de sleutel in het slot kon zien zitten en het latere slachtoffer zich toen niet in het halletje bij de voordeur bevond, moet dat voornemen bij hem aanwezig zijn geweest. Hierbij heeft het hof tevens acht geslagen op hetgeen de verdachte vlak na zijn aanhouding uit eigen beweging tegen de verbalisanten die hem transporteerden, heeft gezegd: "Ik hoop dat hij doodgaat!" en "Als hij niet dood is, die [laatste deel achternaam slachtoffer], dan kom ik na zeven jaar terug, dan pak ik hem opnieuw, dan vermoord ik hem alsnog" (zie het proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 juli 2008, p.39). Hoewel uit deze uitlatingen alléén niet de voorbedachte raad kan worden afgeleid, passen zij eerder bij een zojuist ondernomen doelbewuste poging het slachtoffer om het leven te brengen dan bij het hebben gehandeld uit angst voor, dan wel ten verwere tegen, een aanval van het slachtoffer.

Naar het oordeel van het hof is vast komen te staan dat de verdachte tijd had zich te beraden op het genomen besluit, zodat hij gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.

Het hof acht alles in aanmerking genomen dan ook bewezen dat er bij de verdachte sprake was van opzet en voorbedachte raad om het slachtoffer van het leven te beroven.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Moord.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte, gefrustreerd doordat zijn huisgenoot het slot van de woning had veranderd, heeft zich schuldig gemaakt aan moord op zijn voormalige huisgenoot door deze 's nachts en in zijn woning met twee messen diepe steekwonden toe te brengen. Het slachtoffer is vervolgens op het balkon over het tussenschot naar het balkon van de buren geklommen, waar hij kort daarna is overleden.

Door zijn handelwijze heeft de verdachte het slachtoffer van zijn grootste rechtsgoed, het leven, beroofd. Dit is een zeer ernstig feit, waardoor de rechtsorde in ernstige mate is geschokt en aan de nabestaanden van het slachtoffer onherstelbaar leed is aangedaan.

Ten nadele van de verdachte wordt meegewogen dat hij, blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 28 oktober 2010, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van andersoortige strafbare feiten, waaronder geweldsdelicten.

Het hof heeft acht geslagen op een psychologisch onderzoek Pro Justitia betreffende de verdachte d.d.

29 juni 2010, waaruit naar voren komt dat de verdachte een zeer gecompliceerd persoonlijkheidsbeeld vertoont en dat er sprake is geweest van pedagogische en affectieve verwaarlozing. De verdachte kan zich door problemen volledig in beslag laten nemen en laat een gebrekkige 'coping' zien. Hij gaat impulsief te werk en er is sprake van een hoge mate van directe agressie. De verdachte heeft een borderline-stoornis met antisociale trekken en er is sprake van een alcoholafhankelijkheid.

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar zal worden verklaard voor het tenlastegelegde, waarvoor het rapport van de psycholoog zijns inziens voldoende aanknopingspunten biedt.

Ook al onthoudt het psychologisch rapport zich van een conclusie omtrent een eventueel causaal verband tussen de bij de verdachte geconstateerde psychische problematiek en het plegen van het tenlastegelegde feit, toch neemt het hof aan dat zijn door de psycholoog beschreven psychische stoornis, onder meer tot uiting komend in de impulsieve wijze waarop problemen worden aangepakt, het gebrek aan remmingen over intense gevoelens van woede en een hoge mate van directe agressie, voor een deel ten grondslag heeft kunnen liggen aan het plegen van het bewezenverklaarde, maar het hof gaat niet zo ver dat dat moet leiden tot enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Ten voordele van de verdachte heeft het hof meegewogen dat de verdachte er ter terechtzitting in hoger beroep uiteindelijk blijk van heeft gegeven het verwerpelijke van zijn handelen in te zien en verantwoordelijkheid wil nemen voor zijn daad.

Het hof is - al het bovenstaande in aanmerking genomen - van oordeel dat niet anders kan worden gereageerd dan met een gevangenisstraf van aanmerkelijke duur zoals hierna vermeld.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van EUR 5.267,37.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van EUR 5.267,37 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [benadeelde partij].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) jaren.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot het gevorderde bedrag van

EUR 5.267,37 (vijfduizend tweehonderdzevenenzestig euro en zevenendertig cent),

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met de vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak vooralsnog zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte de verplichting op om ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat een bedrag te betalen van

EUR 5.267,37 (vijfduizend tweehonderdzevenenzestig euro en zevenendertig cent)

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 61 (eenenzestig) dagen,

met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis deze betalingsverplichting niet opheft.

Dit arrest is gewezen door mr. C.P.E.M. Fonteijn-Van der Meulen, mr. G.J.W. van Oven en mr. M.C.R. Derkx, in bijzijn van de griffier mr. V.A.M. Willemsen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 26 november 2010.