Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BO5225

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-11-2010
Datum publicatie
29-11-2010
Zaaknummer
MHV 200.074.734
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beslag op handelsvoorraad na voorlopige voorziening (LJN BN9816)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch

Sector civiel recht

Uitspraak: 23 november 2010

Zaaknummer: MHV 200.074.734

Zaaknummer eerste aanleg: 75011 / KG RK 10-365

in de zaak in hoger beroep van:

de vennootschap naar Chileens recht Chilean Lumber Company S.A.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats], Chili,

appellante, hierna te noemen: CLC,

advocaat: mr. P.H.N. van Spanje,

tegen

de vennootschap naar Engels recht Arkans limited,

kantoorhoudende te [kantoorplaats],

geïntimeerde, hierna te noemen: Arkans,

advocaat: mr. M.H.G. Plieger.

1. Het procesverloop in eerste aanleg en in hoger beroep

1.1. Bij inleidend verzoekschrift d.d. 15 september 2010 heeft CLC de voorzieningenrechter te Middelburg verlof gevraagd tot het leggen van conservatoir beslag op roerende zaken, te weten een partij houten vloerdelen Jatoba, ter grootte van 1.541 m², die zich bevinden op een opslagterrein van [X.] Zeeland Terminals B.V. te [vestigingsplaats].

1.2. Diezelfde dag heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank voorlopig verlof verleend tot het leggen van het verzochte beslag.

1.3. Na een mondelinge behandeling waarbij beide partijen zijn gehoord, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank bij beschikking van 29 september 2010 het verzoek van CLC afgewezen en CLC in de proceskosten veroordeeld.

1.4. Van laatstgenoemde beschikking is CLC in hoger beroep gekomen bij beroepschrift dat ter griffie van het hof is binnengekomen op 6 oktober 2010. In haar beroepschrift heeft CLC verzocht om de beschikking van de voorzieningenrechter van de rechtbank d.d. 29 september 2010 te vernietigen en opnieuw rechtdoende het gevraagde verlof tot het leggen van conservatoir beslag alsnog toe te wijzen en bij wijze van voorlopige voorziening dat beslag terstond voorlopig te verlenen totdat partijen zijn gehoord op een nader door het hof te bepalen zitting.

1.5. Bij beschikking van het hof d.d. 7 oktober 2010 (LJN BN9816) heeft het hof voorlopig verlof verleend tot het leggen van het verzochte beslag, namelijk totdat het hof definitief op het hoger beroep zal hebben beslist. Tevens is de gerechtelijke bewaring bevolen van de in beslag genomen zaken met benoeming van [X.] Zeeland Terminals B.V. tot gerechtelijke bewaarder.

1.6. De mondelinge behandeling van het beroepschrift, die was voorzien op 11 oktober 2010, heeft geen doorgang gevonden omdat de raadsman van Arkans zich op het standpunt stelde dat de leden van de kamer van het hof die de beschikking d.d. 7 oktober 2010 hebben gegeven, geen deel mogen uitmaken van de kamer die het definitief oordeel zal geven over het hoger beroep, aangezien die leden reeds blijk hebben gegeven van een oordeel over de onderhavige zaak.

1.7. De mondelinge behandeling van het beroepschrift bij het hof - in een nieuwe samenstelling - heeft plaatsgevonden op 5 november 2010. CLC is verschenen in de persoon van haar directeur [Y.], bijgestaan door mr. Van Spanje voornoemd en Arkans in de persoon van haar directeur [Z.], bijgestaan door mr. Plieger voornoemd.

De advocaten hebben het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen die bij de gedingstukken zijn gevoegd.

1.8. Na afloop van de mondelinge behandeling is de uitspraak bepaald op heden.

1.9. Tot de gedingstukken behoren, naast de stukken van de eerste aanleg, het beroepschrift, de beschikking van het hof d.d. 7 oktober 2010 en de voormelde pleitaantekeningen:

- brieven van mr. Plieger aan het hof d.d. 8 oktober 2010 respectievelijk 28 oktober 2010,

beide met producties;

- brieven van mr. Van Spanje van 8 oktober 2010, 25 oktober 2010 respectievelijk 29

oktober 2010, de laatste twee brieven met producties.

2. De beoordeling van het hoger beroep

2.1. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling bij het hof zijn door Arkans meerdere bezwaren aangevoerd tegen de beschikking van het hof d.d. 7 oktober 2010 waarbij voorlopig verlof is verleend tot het leggen van het verzochte beslag. Arkans meent dat ten onrechte is beslist zonder dat hoor en wederhoor is toegepast; verder meent zij dat er sprake is van schending van de wapengelijkheid tussen partijen omdat, met de voorlopige verlening van het verlof, de positie van CLC in "de hoofdzaak" is versterkt ten opzichte van haar eigen positie. Arkans heeft daarnaast inhoudelijke bezwaren tegen de beschikking van 7 oktober 2010 aangevoerd.

2.2. Het hof overweegt hieromtrent dat thans niet ter beoordeling staat of er al dan niet gebreken kleven aan de beschikking van 7 oktober 2010. Arkans wenst in feite een herbeoordeling van de voorlopige voorziening, maar de wet voorziet niet in een dergelijke (interne) appelmogelijkheid. Hier komt bij dat de provisionele beschikking haar werking verliest door de onderhavige beschikking (HR 6 februari 2009, LJN BG 5058) zodat Arkans ook geen belang heeft bij haar bezwaren.

Ten overvloede voegt het hof hieraan toe dat Arkans in ieder geval ten aanzien van de definitieve beoordeling van het beroepschrift in de gelegenheid is geweest verweer te voeren; voorts overweegt het hof dat de inhoud van de voorlopige voorziening d.d. 7 oktober 2010 géén invloed heeft op de definitieve beoordeling van het beroepschrift.

2.3. De twee grieven van CLC in het beroepschrift richten zich tegen de volgende overweging van de voorzieningenrechter van de rechtbank in de beschikking van 29 september 2010:

"overwegende dat verzoekster, in het licht van het ter zitting door verweerster gevoerde verweer, in onvoldoende mate aannemelijk heeft gemaakt dat zij een opeisbare vordering heeft op verweerster en dat zij evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat de onderhavige partij hout niet tot de handelsvoorraad van verweerster zou behoeven te worden gerekend"

CLC betoogt dat zij wel degelijk een opeisbare vordering heeft op Arkans (grief I). Zij wijst in dit verband op haar vordering wegens een rekening-courantschuld van Arkans aan haar, welke schuld op 15 oktober 2010 € 324.764,67 bedroeg (blijkens de inleidende dagvaarding in de bodemzaak, overgelegd als productie A bij de brief van mr. Van Spanje d.d. 25 oktober 2010), nog te vermeerderen met rente en kosten.

CLC meent verder dat conservatoir beslag op de partij hout in dit geval wél mogelijk is, ondanks het feit dat het om handelsvoorraad gaat (grief II). Ter onderbouwing van deze grief voert zij aan dat gebleken is dat de partij hout onverkoopbaar is. Bovendien verricht Arkans in feite geen activiteiten meer en zijn er aanwijzingen dat Arkans doende is de partij hout af te voeren uit de huidige opslag en daarmee het hout aan verhaal door CLC te onttrekken.

2.4. Met betrekking tot grief I overweegt het hof het volgende.

Voorop gesteld dient te worden dat in het kader van de beoordeling van het gevraagde beslagverlof, slechts plaats is voor een summier onderzoek naar de vraag of CLC al dan niet een vordering heeft op Arkans. Dit is aldus bepaald in de tweede zin van artikel 700 lid 2 Rv en dit uitgangspunt volgt tevens uit de aard van de onderhavige procedure. Of CLC daadwerkelijk een vordering op Arkans geldend kan maken, dient te worden beslist in de bodemzaak, die inmiddels door CLC aanhangig is gemaakt bij de rechtbank Utrecht.

In het kader van de onderhavige beslagprocedure kan in het midden blijven of de gepretendeerde vordering van CLC op Arkans moet worden beoordeeld naar Nederlands dan wel - zoals aangevoerd door Arkans bij gelegenheid van de mondelinge behandeling bij het hof - naar Engels recht. Immers: Door CLC is voldoende aangevoerd ter onderbouwing van haar stelling dat zij een vordering op Arkans heeft, zowel naar Nederlands als naar Engels recht. Zij heeft gewezen op de jaarrekening van Arkans over het jaar 2008 waarin een (rekening-courant)schuld aan CLC wordt vermeld van

€ 119.842,- per 31 december 2007 en van € 266.306,- per 31 december 2008 (bijlage 6 bij het inleidend verzoek). Volgens CLC is de schuld aan haar nadien verder opgelopen en bedraagt deze per 15 oktober 2010 € 324.764,67. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling bij het hof heeft zij verwezen naar de Engelse versie van de jaarrekening (productie D bij de brief van mr. Van Spanje d.d. 29 oktober 2010) waarin de voormelde (rekening-courant)schuld is opgenomen en naar de

- door de directeur van Arkans ondertekende - opgave d.d. 7 oktober 2009 aan de Companies House in Engeland waarin de belangrijkste gegevens uit de jaarrekening zijn opgenomen.

Naar het oordeel van het hof heeft CLC met de voormelde gegevens het bestaan van de gepretendeerde vordering op Arkans voldoende aannemelijk gemaakt.

Het hof acht verder in voldoende mate aannemelijk gemaakt dat CLC gerechtigd was de gepretendeerde vordering op te eisen, zoals zij heeft gedaan bij brieven van haar advocaat d.d. 24 september 2010 en 30 september 2010 (bijlage 6 bij het verzoekschrift eerste aanleg).

Een en ander betekent dat de eerste grief van CLC gegrond is.

2.5. Grief II van CLC betreft de overweging van de rechtbank dat CLC niet aannemelijk heeft gemaakt dat de onderhavige partij hout niet tot de handelsvoorraad van Arkans zou behoeven te worden gerekend.

Het hof overweegt hieromtrent allereerst dat partijen het erover eens zijn dat de onderhavige partij hout, met een handelswaarde van ongeveer € 40.000,-, tot de handelsvoorraad van Arkans moet worden gerekend. Dit brengt echter niet zonder meer mee dat conservatoir beslag op de partij hout niet mogelijk zou zijn. Wel dient bij de beoordeling van het beslagverzoek terughoudendheid te worden betracht, omdat in zijn algemeenheid beslag op handelsvoorraad verstrekkende gevolgen kan hebben voor de beslagdebiteur.

In het onderhavige geval acht het hof echter aannemelijk dat de gevolgen van een beslag gering zullen zijn. Het hof acht voldoende aannemelijk dat de partij hout niet of moeilijk verkoopbaar is, dit gelet op het feit dat Arkans al sinds juli 2009 - vruchteloos - heeft getracht afnemers voor de partij te vinden.

Hierbij komt dat de directeur van Arkans tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft verklaard dat Arkans thans niet meer over financiële middelen beschikt en (om die reden) geen activiteiten meer verricht. De onderhavige partij hout is het enige actief waarover Arkans beschikt.

Van belang is voorts dat CLC met de overlegging van de e-mail van de directeur van Arkans aan [X.] Zeeland Terminals B.V. d.d. 5 oktober 2010 (bijlage 13 bij het inleidend verzoek) voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Arkans voornemens is de partij hout af te voeren uit de huidige opslag en daarmee het hout aan verhaal door CLC te onttrekken.

Naar het oordeel van het hof dienen, gelet op het voorgaande, de belangen van CLC in dit geval zwaarder te wegen en staat de omstandigheid dat de partij hout als handelsvoorraad van Arkans moet worden aangemerkt, niet in de weg aan toewijzing van het beslagverzoek.

Dit betekent dat ook de tweede grief van CLC slaagt.

2.6. Het voorgaande brengt mee dat de beschikking waarvan beroep niet in stand kan blijven. Het hof zal die beschikking vernietigen en opnieuw rechtdoende het gevraagde verlof verlenen en bepalen dat het beslag dat is gelegd op basis van het voorlopig verleende verlof (bij beschikking van het hof d.d. 7 oktober 2010) wordt voortgezet, zodat niet opnieuw beslag hoeft te worden gelegd.

2.7. Voor zekerheidstelling zoals door Arkans is verzocht bestaat naar het oordeel van het hof onvoldoende aanleiding. Het gaat in casu om beslag op een houtvoorraad waarvan aannemelijk is dat deze thans onverkoopbaar is, terwijl, zoals reeds is overwogen, thans geen activiteiten meer door Arkans worden verricht, zodat verwacht mag worden dat van substantiële schade in de bedrijfsvoering van Arkans als gevolg van het beslag, geen sprake zal zijn.

2.8. Ook voor wijziging in de benoeming van de gerechtelijk bewaarder ziet het hof onvoldoende aanleiding, temeer omdat aan een dergelijke wijziging extra kosten zouden zijn verbonden.

2.9. Het stellen van de voorwaarde dat binnen een bepaalde termijn de eis in de hoofdzaak moet worden ingesteld, is niet nodig, omdat die eis in hoofdzaak inmiddels is ingesteld bij de rechtbank Utrecht, dit bij dagvaarding d.d. 19 oktober 2010.

2.10. Arkans zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van beide instanties, als hierna te vermelden.

3. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de voorzieningenrechter van de rechtbank Middelburg d.d. 29 september 2010 waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

verleent het gevraagde verlof en bepaalt dat het beslag op roerende zaken, te weten een partij houten vloerdelen Jatoba, ter grootte van 1.541 m², die zich bevinden op een opslagterrein van [X.] Zeeland Terminals B.V. te [vestigingsplaats], welk beslag is gelegd op basis van het voorlopig verleende verlof (bij beschikking van het hof d.d. 7 oktober 2010) wordt voortgezet;

begroot de vordering waarvoor het beslagverlof wordt verleend, met inbegrip van rente en kosten op € 500.000,-;

beveelt dat de gerechtelijke bewaring en de benoeming van [X.] Zeeland Terminals B.V. te [vestigingsplaats] als gerechtelijk bewaarder, worden voortgezet;

wijst af het meer of anders verzochte;

veroordeelt Arkans in de kosten van beide instanties en begroot die kosten aan de zijde van CLC als volgt:

- wat betreft de eerste aanleg op € 103,- voor verschotten en op € 452,- voor salaris advocaat,

- wat betreft het hoger beroep op € 640,- voor verschotten en op € 1.788,- voor salaris advocaat;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Etten, Feddes en Autar en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2010.