Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BO5133

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
26-11-2010
Zaaknummer
09-00616
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Boete. Het Hof sluit zich aan bij het eenparig oordeel van partijen dat de aanslag niet te hoog is vastgesteld. Er bestaat, anders dan belanghebbende meent, geen verplichting voor de Inspecteur om de aanslag exact op het juiste bedrag vast te stellen. Belanghebbende is niet benadeeld door de handelwijze van de Inspecteur en ook heeft de Inspecteur belanghebbende niet bewust bevoordeeld of een gunst verleend. Zij heeft naar beste vermogen de aanslag vastgesteld op het krachtens de wet verschuldigde bedrag. Het volgen van het standpunt van belanghebbende, zou niet leiden tot verlaging van de aanslag en belanghebbende heeft daarom geen belang bij het hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 2785
V-N 2011/10.2.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-09/00616

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 17 november 2010

op het hoger beroep van [belanghebbende] te [Z] tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 22 juli 2009, nr. AWB 08/8447 IB/PVV, betreffende na te noemen aan belanghebbende opgelegde aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is door de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Rijnmond (hierna: de Inspecteur), voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd met dagtekening 6 september 2005 naar een belastbaar inkomen in box 1 van € 768.440 en een belastbaar inkomen in box 3 van € 17.188. Tevens is een verzuimboete opgelegd van € 567.

1.2. Bij uitspraak op bezwaar van 7 november 2006 heeft de Inspecteur het bezwaar afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 25 juli 2007, AWB 06/10197 IB/PVV, het beroep gegrond verklaard, omdat de Inspecteur belanghebbende niet in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord. Het bestreden besluit is daarbij tevens vernietigd, de Inspecteur is opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak en de Staat der Nederlanden is gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 38 te vergoeden.

1.4. Bij uitspraak op bezwaar van 2 januari 2009 heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar gegrond verklaard en het belastbaar inkomen in box 1 verminderd tot € 739.195 en het inkomen uit sparen en beleggen gehandhaafd op € 17.188. De verzuimboete is vernietigd.

1.5. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep met betrekking tot de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2002 ongegrond verklaard en het beroep voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.

Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof en heeft een griffierecht voldaan van € 110. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft daarop een conclusie van repliek ingediend waarop door de Inspecteur door middel van een conclusie van dupliek is gereageerd. Voorafgaand aan de zitting heeft belanghebbende nadere stukken ingediend met dagtekening 1 mei 2010, 7 mei 2010, 27 mei 2010 en 25 juni 2010. Een kopie van deze stukken is naar de Inspecteur gezonden.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 30 juni 2010, gehouden te Den Haag. Partijen zijn aldaar verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2.3. Op 28 juni 2010 is door belanghebbende bij de centrale balie van het Gerechtshof een nader stuk ingediend. Dit nadere stuk heeft de leden van de belastingkamer pas na afloop van de zitting bereikt. Bij brief van 16 juli 2010 heeft het Gerechtshof het onderzoek heropend en een kopie van dit nadere stuk naar de Inspecteur gestuurd.

Vervolgens heeft het Gerechtshof voorafgaand aan de tweede zitting de volgende stukken ontvangen:

van de zijde van belanghebbende:

- een nader stuk met dagtekening 20 juli 2010;

- een nader stuk met dagtekening 13 augustus 2010;

- een nader stuk met dagtekening 19 augustus 2010;

- een nader stuk met dagtekening 28 augustus 2010;

- een nader stuk met dagtekening 17 september 2010;

van de zijde van de Inspecteur:

- een nader stuk met dagtekening 3 augustus 2010;

- een nader stuk met dagtekening 27 september 2010.

Een kopie van deze nadere stukken is doorgestuurd naar de wederpartij.

2.4. De tweede mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 6 oktober 2010, gehouden te Den Haag. Partijen zijn aldaar verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1. In de aangifte van belanghebbende met dagtekening 2 december 2004, is bij de waarde in box 3 per 1 januari 2002 in de rubriek 'vorderingen volgens de aangifte IB 2001' een bedrag van € 206.016 opgenomen en per 31 december 2002 in de rubriek 'Vorderingen van de gestaakte onderneming' een bedrag van € 91.678.

Ook is als waarde van drie percelen grond te Curaçao per 1 januari 2002 en per 31 december 2002 een bedrag van € 28.563 vermeld.

3.2. De Inspecteur heeft in een brief van 4 september 2009 de opstelling van belanghebbende en de opstelling volgens de uitspraak op bezwaar van 2 januari 2009 onder elkaar gezet.

Hij heeft - voor zover hier van belang - het volgende in deze brief opgenomen:

berekening uitspraak op uw berekening

bezwaar van 2 januari 2009

Belastbaar inkomen box 1 € 739.195 € 819.683

Belastbaar inkomen box 3 € 17.188 € 19.700

Verschuldigde inkomstenbelasting/ € 376.044 € 418.994

premie volksverzekeringen

Af: ingehouden loonheffing € 51.968 € 51.968

€ 324.076 € 376.026 (Hof: moet zijn € 367.026)

Af: Eerdere voorlopige aanslagen € 337.449

Af: eerder vastgesteld € 2.577

Af: vergoede heffingsrente € 3.389

Te ontvangen € 19.339

3.3. Op de balans van apotheek [A] te [P] is per 31-12-2001 bij vlottende activa het volgende opgenomen:

Voorraden: € 74.434

Debiteuren: € 82.797

Belastingen en sociale verzekeringen € 21.979

€179.210

Per 31-12-2002 is op de balans bij vlottende activa het volgende opgenomen:

Debiteuren: € 27.087

Belastingen en sociale verzekeringen € 38.235

Overige vorderingen en overlopende activa € 26.356

€ 91.678

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. In geschil is of de aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2002 (hierna: de aanslag) op het juiste bedrag is vastgesteld.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken en het verhandelde ter zitting.

Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbendes hoger beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de aanslag, en vaststelling van de aanslag op het juiste, dat wil zeggen: een hoger, bedrag.

5.2. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Overwegingen omtrent het geschil

6.1. Ter zitting van 30 juni 2010 heeft belanghebbende expliciet gesteld dat de aanslag te laag is vastgesteld. Ook heeft hij daarbij opgemerkt, in afwijking van hetgeen hij eerder heeft gesteld in de gedingstukken, dat reeds aftrek ter voorkoming van dubbele belasting is verleend in verband met grond die hij op Curaçao bezit. Voorts stelt belanghebbende dat hij recht heeft op een te vorderen bedrag aan omzetbelasting, omdat omzetbelasting is berekend over een fictieve omzet in 2001. Hij stelt dat dit bedrag direct aan hem had moeten worden uitbetaald en dat de Inspecteur onjuist heeft gehandeld door dit bedrag niet uit te betalen, maar in mindering te brengen op zijn box 1 inkomen. Als gevolg van deze handelwijze van de Inspecteur is de aanslag te laag vastgesteld, aldus belanghebbende.

6.2. Uit nader door belanghebbende ingediende stukken volgt dat hij van mening is uit hoofde van andere aanslagen/teruggaafbeschikkingen nog bedragen van de Belastingdienst te vorderen te hebben. Het Hof leidt uit de stukken van het geding en het betoog van belanghebbende op beide zittingen af dat de grieven van belanghebbende zich vooral richten tegen de werkwijze van de Belastingdienst. Hij is van mening dat de aanslag exact op het juiste bedrag en dus hoger had moeten worden vastgesteld en dat onder meer het box 3 vermogen niet juist is vastgesteld vanwege het feit dat daarin een bedrag aan belastingen en sociale verzekeringen is opgenomen. In het kader van dit betoog heeft belanghebbende het in de gedingstukken meerdere malen over een van de Belastingdienst te vorderen bedrag ter hoogte van € 91.678.

6.3. De Inspecteur heeft zich beroepen op interne compensatie en gesteld dat zo de aanslag op één of enkele punten al te hoog is vastgesteld, de aanslag als geheel niet te hoog is vastgesteld.

6.4. Het Hof constateert dat op de balans van apotheek [A] onder 'vlottende activa' per 31 december 2002 een bedrag van € 91.678 is opgenomen. Deze post is onderverdeeld in de post 'debiteuren' ter hoogte van € 27.087, 'Belastingen en sociale verzekeringen' ter hoogte van € 38.235 en 'Overige vorderingen en overlopende activa' ter hoogte van € 26.356.

Het Hof gaat ervan uit dat belanghebbende doelt op deze balanspost, die onderdeel uitmaakt van het box 3 vermogen volgens de door hem ingediende aangifte. Anders dan belanghebbende kennelijk meent, bestaat derhalve niet het volledige bedrag van € 91.678 uit belastingen en sociale verzekeringen.

6.5. Of het box 3 vermogen exact op het juiste bedrag is vastgesteld, is niet van belang nu partijen het erover eens zijn dat de aanslag als geheel niet te hoog is vastgesteld. Er bestaat, in dit geval anders dan belanghebbende meent, geen verplichting voor de Inspecteur om de aanslag exact op het juiste bedrag vast te stellen. Belanghebbende is niet benadeeld door de handelwijze van de Inspecteur en ook heeft de Inspecteur belanghebbende niet bewust bevoordeeld of een gunst verleend. Zij heeft naar beste vermogen de aanslag vastgesteld op het krachtens de wet verschuldigde bedrag.

6.6. Het Hof moet in de onderhavige procedure beoordelen of de aanslag 2002 niet te hoog is vastgesteld. Het Hof sluit zich aan bij het eenparig oordeel van partijen dat deze aanslag niet te hoog is vastgesteld.

Het volgen van het standpunt van belanghebbende, zou niet leiden tot verlaging van de aanslag en belanghebbende heeft daarom geen belang bij het hoger beroep.

6.7. Voor zover belanghebbende het niet eens is met de hoogte van andere aanslagen of teruggaafbeschikkingen, zal hij zelfstandig tegen deze aanslagen bezwaar moeten maken. Indien belanghebbende bedoelt te betogen dat hij uit hoofde van andere aanslagen bedragen heeft terug te vorderen die niet zijn uitbetaald, dan zal hij met de ontvanger hierover contact moeten opnemen. Beroep staat in dat geval open bij de civiele rechter.

6.8. Met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen komt het Hof tot de conclusie dat het hoger beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk is. Beslist dient te worden als volgt.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, Th. Groeneveld en J.J.J. Engel, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.H.R. Massmann. De beslissing is op 17 november 2010 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.