Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BO4912

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-11-2010
Datum publicatie
24-11-2010
Zaaknummer
200.045.633-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ6977, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BV3436, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BV3436
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Geschil naar aanleiding van 'Probo Koala'-affaire. Vraag of Staat onrechtmatig heeft gehandeld doordat openbaar ministerie stukken uit strafdossier heeft verstrekt aan slachtoffers van afvaldumping in Ivoorkust, met het oog op een civiele procedure waarin slachtoffers schadevergoeding vorderen. Art. 39f Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 200.045.633/01

Zaak- en rolnummer rechtbank : 341048 / KG ZA 09-830

Arrest van de eerste civiele kamer d.d. 23 november 2010

inzake

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie),

zetelende te 's-Gravenhage,

appellant,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: aanvankelijk mr. F.W. Bleichrodt te 's-Gravenhage, thans mr. C.M. Bitter te

's-Gravenhage,

tegen

de besloten vennootschap

TRAFIGURA BEHEER B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Trafigura,

advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt te 's-Gravenhage.

Het verloop van het geding

1. Bij exploot van 1 oktober 2009 is de Staat in hoger beroep gekomen van een vonnis van 4 september 2009 dat is gewezen door de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, sector civiel recht, tussen Trafigura als eiseres en de Staat als gedaagde. Bij memorie van grieven (met één productie) heeft de Staat drie grieven tegen dit vonnis aangevoerd. Trafigura heeft deze grieven bij memorie van antwoord (met twee producties) bestreden. Vervolgens hebben partijen op 20 september 2010 de zaak laten bepleiten aan de hand van overgelegde pleitnotities, de Staat door mr. Bitter voornoemd, en Trafigura door mr. M.A. de Kemp, advocaat te Amsterdam. Voorafgaand aan dit pleidooi heeft de Staat één aanvullende productie, en Trafigura vier aanvullende producties in het geding gebracht. Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

2. Het hof gaat van het volgende uit.

(i) Trafigura is een bedrijf dat handelt in grondstoffen en dat schepen en faciliteiten beschikbaar stelt om deze grondstoffen op te slaan en te transporteren.

(ii) Begin juli 2006 is het schip "Probo Koala" aangemeerd in de haven van Amsterdam, en heeft Trafigura de aan boord van de Probo Koala gecreëerde afvalstoffen ('slops'), waarvan zij eigenaar was, aangeboden aan het afvalverwerkingsbedrijf Amsterdam Port Services (hierna: APS).

(iii) Op 3 en 4 juli 2006 zijn door de toezichthoudende en politiële autoriteiten onder meer monsters genomen van de inhoud van de sloptank van de Probo Koala en is er een gasmeting aan boord van de Probo Koala uitgevoerd. De monsters zijn vervolgens voor onderzoek naar het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) gebracht.

(iv) De Probo Koala heeft vervolgens de haven van Amsterdam verlaten en heeft uiteindelijk Ivoorkust aangedaan, waar de slops zijn aangeboden aan een lokaal afvalverwerkingsbedrijf. Dit afvalverwerkingsbedrijf heeft de slops illegaal gedumpt in Ivoorkust.

(v) Op 7 november 2006 hebben circa 30.000 personen uit Ivoorkust (hierna: de slachtoffers) in het Verenigd Koninkrijk een groepsactie ingesteld tegen Trafigura (hierna: de civiele procedure). In deze civiele procedure stellen de slachtoffers schade te hebben geleden ten gevolge van de dumping van de slops in Ivoorkust. De slachtoffers worden in deze procedure bijgestaan door het Engelse advocatenkantoor Leigh Day & Co (hierna: Leigh Day).

(vi) Het NFI heeft de onder (iii) bedoelde monsters onderzocht en zijn bevindingen neergelegd in een rapport van 29 januari 2007 (hierna: het NFI-rapport).

(vii) Het in Nederland tegen Trafigura ingestelde strafrechtelijk onderzoek heeft geleid tot een strafzaak tegen haar (hierna: de strafzaak). Trafigura werd - kort gezegd - ten laste gelegd (a) handelen in strijd met de in- en uitvoerregels voor afvalstoffen, (b) het opzettelijk niet vermelden van de schadelijkheid van een stof bij het afgeven van deze stof aan APS en (c) het (medeplegen van het) opmaken van een vals geschrift .

(viii) Bij brief van 23 maart 2007 heeft Leigh Day het openbaar ministerie verzocht om informatie uit het strafdossier, zulks ten behoeve van de civiele procedure.

(ix) Het openbaar ministerie heeft aan dit verzoek gevolg gegeven. Volgens een brief van de officier van justitie […] van 10 september 2009 is in mei 2007 het tweede deel van het NFI-rapport met daarin de analyseresultaten van de slops uit de Probo Koala verstrekt aan Leigh Day, en zijn een jaar later aan Leigh Day op diens verzoek de processen-verbaal van monsterneming verstrekt, alsook het eerste deel van het NFI-rapport. Deze stukken worden hierna tezamen aangeduid als: de documenten.

(x) Bij brief van 18 augustus 2009 aan het openbaar ministerie heeft Leigh Day meegedeeld dat de documenten cruciaal waren met het oog op de civiele procedure en dat de slachtoffers een spoedeisend belang hadden bij het ontvangen van de documenten teneinde hun rechten in deze procedure te kunnen uitoefenen.

(xi) In september 2009 hebben Trafigura en de slachtoffers een schikking getroffen.

(xii) In de strafzaak is Trafigura bij vonnis van 23 juli 2010 van de rechtbank Amsterdam (LJN: BN2149) onder meer schuldig bevonden aan de uitvoer van afvalstoffen naar Ivoorkust in strijd met art. 18 Verordening (EEG) nr. 259/93, PbEG 1993, L30/1 inzake de overbrenging van afvalstoffen, alsmede aan het medeplegen van het afleveren van waren aan APS, wetende dat zij voor het leven of de gezondheid schadelijk zijn en dat schadelijke karakter verzwijgende. De rechtbank heeft Trafigura veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 1.000.000,-. Trafigura heeft tegen het (straf)vonnis hoger beroep ingesteld.

3. Stellende dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens Trafigura door de documenten te verstrekken aan Leigh Day, heeft Trafigura bij de voorzieningenrechter gevorderd, samengevat, (a) dat de Staat wordt verboden om documenten uit de strafzaak aan de wederpartij van Trafigura in de civiele procedure te verstrekken en/of toe te lichten, (b) dat de Staat wordt geboden om Leigh Day te berichten dat de verstrekking van de documenten onrechtmatig is geschied en dat er geen toestemming van de Staat (meer) bestaat om deze documenten te gebruiken in enige procedure tegen Trafigura, alsmede (c) dat de Staat wordt geboden om Leigh Day te verzoeken de verstrekte documenten te vernietigen.

De voorzieningenrechter heeft de vorderingen vrijwel geheel toegewezen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de Staat onrechtmatig jegens Trafigura gehandeld door de documenten aan Leigh Day te verstrekken omdat een rechtsgrond voor deze verstrekking ontbrak.

4.1 Grief 1 is gericht tegen rechtsoverweging 3.7 van het bestreden vonnis, waarin de voorzieningenrechter oordeelde dat art. 39f Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) geen rechtsgrond vormt voor de verstrekking van de documenten.

De voorzieningenrechter onderzocht daartoe de 'Aanwijzing verstrekking van strafvorderlijke gegevens voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden', Staatscourant 28 januari 2008, nr. 19, in welke Aanwijzing de verstrekking van strafvorderlijke gegevens ingevolge de Wjsg nader is uitgewerkt. Art. 39f Wjsg is uitgewerkt in hoofdstuk IV, § 4, sub f, van de Aanwijzing. Daarin wordt onder f.2) sub I bepaald dat ten behoeve van de vergoeding aan het slachtoffer van de schade, die is ontstaan als gevolg van een strafbaar feit, de daarvoor benodigde strafvorderlijke gegevens kunnen worden verstrekt aan "degenen die rechtstreeks schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit, voor zover geen sprake is van een geval waarop artikel 51d Sv betrekking heeft".

Met "degenen die rechtstreeks schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit" wordt volgens de voorzieningenrechter gedoeld op dezelfde personen als bedoeld in art. 51a Sv, dus op personen die worden getroffen in een belang dat door de in de strafzaak ten laste gelegde strafbepalingen wordt beschermd. De slachtoffers kunnen niet als zodanige personen worden aangemerkt, aldus de voorzieningenrechter: zij worden immers niet getroffen in een belang dat wordt beschermd door de ten laste gelegde strafbepalingen (zie rechtsoverweging 2 onder (vii) hiervoor). De slachtoffers vallen dus niet onder hoofdstuk IV, § 4, onder f.2) sub I van de Aanwijzing. Art. 39f Wjsg bood dus geen rechtsgrond voor verstrekking van de documenten, aldus de voorzieningenrechter.

4.2 De grief klaagt primair dat de voorzieningenrechter (a) een te beperkte uitleg heeft gegeven aan het begrip "degenen die rechtstreeks schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit" als bedoeld in hoofdstuk IV, § 4, onder f.2) sub I van de Aanwijzing, en (b) ten onrechte aansluiting heeft gezocht bij art. 51a Sv e.v.

4.3 Het hof stelt voorop dat ten aanzien van de verstrekking van de documenten in mei 2007 niet de hiervoor genoemde Aanwijzing, maar de 'Aanwijzing verstrekking van strafvorderlijke gegevens voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden', zoals gepubliceerd in Staatscourant 18 november 2004, nr. 223, geldt. Voor de onderhavige zaak maakt dit inhoudelijk evenwel geen verschil, nu deze Aanwijzingen - voor zover te dezen van belang - gelijkluidend zijn. Art. 39f Wjsg is in de hier relevante periode ongewijzigd gebleven.

4.4 Naar het oordeel van het hof wordt met het begrip "strafbaar feit" als bedoeld in art. 39f Wjsg en in hoofdstuk IV, § 4, onder f van de Aanwijzingen, gedoeld op elk strafbaar feit dat besloten ligt in een strafdossier van het openbaar ministerie. Dit begrip kan, zoals de Staat terecht heeft aangevoerd, niet worden beperkt tot een strafbaar feit dat is ten laste gelegd. Het kan evenmin worden beperkt tot strafbare feiten die op Nederlandse bodem (zouden) zijn gepleegd.

4.5 In het onderhavige geval liggen in het strafdossier mede besloten - zo heeft de Staat gesteld en heeft Trafigura erkend althans niet (voldoende) weersproken - de strafbare feiten die op Ivoriaanse bodem (zouden) zijn gepleegd, waaronder het illegaal (doen) dumpen van afvalstoffen, ten gevolge waarvan de slachtoffers de door hen gestelde schade rechtstreeks hebben geleden. Dat het openbaar ministerie deze strafbare feiten uiteindelijk niet ten laste heeft gelegd - volgens de Staat omdat de Ivoriaanse autoriteiten geen medewerking wensten te verlenen - is, gelet op het bovenstaande, in dit verband niet van belang. In aanmerking nemende dat geen sprake is van een geval waarop art. 51d Sv betrekking heeft, vallen de slachtoffers dus wel onder hoofdstuk IV, § 4, onder f.2) sub I van de Aanwijzingen. De primaire klacht in grief 1 treft derhalve doel.

4.6 De documenten zijn verstrekt terwijl er op dat moment geen vonnis van de strafrechter was. In dat geval is volgens hoofdstuk IV, § 2 van de Aanwijzingen verstrekking alleen mogelijk als het openbaar ministerie is gebleken van spoedeisende belangen om eerder te verstrekken én de strafzaak (strafvorderlijk) is beoordeeld door het openbaar ministerie. Trafigura heeft de stelling van de Staat dat ten tijde van de verstrekking de zaak reeds door het openbaar ministerie was beoordeeld, niet betwist. Trafigura heeft wel betwist dat sprake was van spoedeisende belangen om eerder te verstrekken. Naar het oordeel van het hof snijdt dit verweer geen hout. De vraag is immers of het openbaar ministerie is gebleken van spoedeisende belangen om eerder te verstrekken. Gelet op de brief genoemd in rechtsoverweging 2 onder (x), moet die vraag bevestigend worden beantwoord. Tezamen genomen is dus voldaan aan voormelde voorwaarden in hoofdstuk IV, § 2 van de Aanwijzingen.

4.7 Uit het voorgaande volgt dat de verstrekking van de documenten, op de wijze als hier aan de orde, voldeed aan alle voorwaarden die de Aanwijzingen daaraan stellen.

4.8 Leigh Day heeft, als vertegenwoordiger van de slachtoffers, om verstrekking van de documenten verzocht met het oog op de civiele procedure, waarin de slachtoffers vergoeding vorderen van de schade die zij stellen te hebben geleden ten gevolge van de dumping van de slops. De gegevens zijn dus verstrekt voor een van de doeleinden genoemd in art. 39f, lid 1 Wjsg, te weten het verlenen van hulp aan slachtoffers en anderen die bij een strafbaar feit betrokken zijn (het doeleinde genoemd onder f). Deze gegevens waren - zo heeft de Staat onweersproken gesteld - voor hen noodzakelijk met het oog op de uitoefening van hun rechten in rechte, zoals bedoeld in art. 39f, lid 2 onder a Wjsg. Gelet op dit een en ander was sprake van een noodzaak met het oog op een zwaarwegend algemeen belang als bedoeld in art. 39f, lid 1, aanhef, Wjsg (Kamerstukken II, 2002/03, 28 886, nr. 3, p. 5 en 7). Tezamen genomen voldeed de verstrekking van de documenten dus ook aan de voorwaarden van art. 39f Wjsg.

4.9 Uit het voorgaande blijkt dat de primaire klacht in grief 1 doel treft, en dat de verstrekking van de documenten voldeed aan alle voorwaarden die art. 39f Wjsg en de Aanwijzingen daaraan stellen. Het antwoord op de vraag of de voorzieningenrechter ten onrechte aansluiting heeft gezocht bij de artikelen 51a tot en met 51d Sv, kan in het midden blijven. Overigens is het hof van oordeel dat de voorzieningenrechter ten onrechte bij deze bepalingen aansluiting heeft gezocht. Reeds blijkens haar slotzin ("voor zover geen sprake is van een geval waarop artikel 51d Sv betrekking heeft") ziet de bepaling in hoofdstuk IV, § 4, onder f.2) sub I immers op een andere situatie dan die bedoeld in voormelde bepalingen. Wat daar ook van zij, nu de primaire klacht in grief 1 doel treft, zal het hof het bestreden vonnis vernietigen en de vorderingen van Trafigura alsnog afwijzen. De subsidiaire klacht van grief 1, die klaagt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de door de slachtoffers in de civiele procedure gestelde schade niet kan worden beschouwd als een rechtstreeks gevolg van de strafbare feiten waarvoor Trafigura in de strafzaak wordt vervolgd, behoeft geen behandeling meer.

5. Grief 3 is gericht tegen de (concluderende) rechtsoverwegingen 3.9, 3.10 en 3.13 van het bestreden vonnis voor zover daarbij is geoordeeld dat de Staat zonder rechtsgrond documenten aan Leigh Day heeft verschaft en voor zover daarbij het gevorderde is toegewezen. Gelet op het hiervoor in rechtsoverweging 4 overwogene slaagt deze grief.

6. De slotsom is dat de primaire klacht in grief 1, alsmede grief 3 slagen. Grief 2 behoeft geen behandeling meer. Het hof zal beslissen als hiervoor overwogen in rechtsoverweging 4.9. Trafigura zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van beide instanties, vermeerderd met de wettelijke rente zoals gevorderd.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, sector civiel recht, van 4 september 2009,

en, opnieuw rechtdoende:

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt Trafigura in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van de Staat tot op 4 september 2009 begroot op € 1078,- waarvan € 262,- aan griffierecht en

€ 816,- aan salaris advocaat;

- veroordeelt Trafigura in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 3080,98, waarvan € 313,- aan griffierecht, € 2.682,- aan salaris advocaat en € 85,98 aan dagvaardingskosten;

- bepaalt dat de bedragen van de proceskosten binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen zijn te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.V. van den Berg, J. Kramer en S.J. Schaafsma, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 november 2010 in aanwezigheid van de griffier.