Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BO4741

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-11-2010
Datum publicatie
23-11-2010
Zaaknummer
22-000577-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van een medewerkster van de gemeente Hulst, omdat hij het kennelijk niet eens was met de beslissing van de betreffende medewerkster om de verdachte tijdelijk op zijn uitkering te korten. Gevangenisstraf van drie dagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000577-10

Parketnummers: 12-715018-10 en 12-705098-09 (TUL)

Datum uitspraak: 19 november 2010

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Middelburg van 26 januari 2010 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats]

(Kongo Kinshasa),

adres: [adres] te [woonplaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 5 november 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde – voor wat betreft bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van [aangeefster A] - veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van de aan de verdachte bij vonnis d.d. 13 maart 2009 van de politierechter in de rechtbank Middelburg (onder parketnummer 12-705098-09 ) opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 weken, in die zin dat in plaats daarvan het verrichten van een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, is gelast.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 07 januari 2010, te Hulst,

[aangeefster A] en/of [aangeefster B] en/of haar kinderen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde

- [aangeefster A] (tijdens haar werkzaamheden als [functie aangeefster A] bij de gemeente) dreigend de woorden toegevoegd: "Jij in je kist" en/of "Jij dood, ik naar gevangenis", en/of (vervolgens)

- [aangeefster B] (tijdens haar werkzaamheden als [functie aangeefster B] bij de gemeente) dreigend de woorden toegevoegd: "Jij kinderen, he?" en/of "Jij hebt ook kinderen. Die krijgen ook problemen",

althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Partiële vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is – overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal en evenals de rechtbank in eerste aanleg - niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling van [aangeefster B] en/of haar kinderen. In zoverre zal de verdachte van het hem tenlastegelegde worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 07 januari 2010, te Hulst, [aangeefster A] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde

- [aangeefster A] tijdens haar werkzaamheden als [functie aangeefster A] bij de gemeente dreigend de woorden toegevoegd: "Jij in je kist" en "Jij dood, ik naar gevangenis",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bespreking verweren

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, omdat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt. De raadsman heeft daartoe het navolgende aangevoerd - zakelijk weergegeven -:

I Verklaringen van aangeefsters en getuigen zijn inconsistent

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de verklaringen van [aangeefster A], alsmede van [aangeefster B] en [getuige X] betrouwbaar zijn en kunnen worden gebruikt voor het bewijs van de tenlastegelegde bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van [aangeefster A]. De verklaringen zijn - zeker op hoofdlijnen - consistent en gedetailleerd van aard en komen op essentiële punten overeen met de verklaring van [aangeefster A]. Het verweer wordt verworpen.

II Er is een misverstand ontstaan doordat de verdachte de Nederlandse taal niet goed machtig is.

De raadsman van de verdachte heeft in dit verband naar voren gebracht - zakelijk weergegeven - dat de woorden van de verdachte door zijn gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal verkeerd zijn geïnterpreteerd en dat hij tegen [aangeefster A] bedoeld heeft te zeggen:

“Je kan me toch niet eindeloos tegenwerken, je gaat ook een keer dood” en in verband met de armoede waar de verdachte met zijn gezin in leeft: “Ik moet gaan stelen en dan moet ik naar de gevangenis.” De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep voorts verklaard dat hij het Nederlandse woord “kist” niet kent.

Het hof overweegt als volgt.

Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep zijn naar het oordeel van het hof geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de door de raadsman getrokken conclusie rechtvaardigen. Zoals bovenoverwogen vindt de verklaring van [aangeefster A] over onder meer de woorden die de verdachte jegens haar heeft geuit bevestiging in de verklaringen van [aangeefster B] en [getuige X]. Ook hebben zowel de aangeefster als [aangeefster B] gehoord dat de verdachte het woord ‘kist’ gebruikte. Het hof heeft ter terechtzitting voorts zelf waargenomen dat de verdachte het Nederlands redelijk goed beheerst en de verdachte zelf heeft desgevraagd verklaard de Nederlandse woorden ‘dood’ en ‘gevangenis’ te kennen. Het hof verwerpt derhalve het verweer.

III Op grond van de in de tenlastelegging opgenomen woorden kon bij de bedreigde geen redelijke vrees ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen, terwijl die woorden bovendien niet wijzen op bedreiging met zware mishandeling

Het hof is van oordeel dat de verdachte door de bewezenverklaarde inhoud van de bedreiging en de wijze waarop die bedreiging is geschied zoals daarvan uit te bewijsmiddelen blijkt – te weten met verheven stem, terwijl de verdachte voorover over de balie gebogen was en met zijn vinger in de richting van [aangeefster A] wees - willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [aangeefster A] zich bedreigd zou voelen en heeft de verdachte – in voorwaardelijke zin – opzet gehad op de bewezenverklaarde bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte – overeenkomstig de bewezenverklaring van de rechtbank – ter zake van bedreiging met enig misdrijf van [aangeefster A] zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, zoals in eerste opgelegd.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van een medewerkster van de gemeente Hulst, omdat hij het kennelijk niet eens was met de beslissing van de betreffende medewerkster om de verdachte tijdelijk op zijn uitkering te korten. Uit de aangifte blijkt dat dit door de medewerkster van de gemeente als zeer bedreigend en beangstigend is ervaren. De gedragingen van de verdachte zijn tegenover haar volstrekt onacceptabel, temeer nu zij werd bedreigd tijdens de uitoefening van haar openbare functie. Bovendien brengen dergelijke feiten ook in meer algemene zin gevoelens van angst en onveiligheid met zich mee, zowel bij collega’s van de betreffende medewerkster als bij andere burgers die het gemeentehuis bezoeken.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 oktober 2010 is de verdachte voorts eerder een keer onherroepelijk veroordeeld voor mishandeling en heeft hij voor mishandeling een transactie betaald. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Bij het bepalen van de straf neemt het hof anderzijds tevens in aanmerking dat de beslissing van de gemeente om de verdachte op zijn uitkering te korten hevige emoties bij hem heeft opgeroepen gelet op de zeer krappe financiële situatie waarin de verdachte en zijn gezin verkeren, zoals daarvan onder meer blijkt uit het in een andere zaak van de verdachte opgemaakt rapport van de Reclassering Nederland d.d. 16 maart 2009. Ten slotte houdt het hof er rekening mee dat de verdachte voor het onderhavige feit reeds drie dagen in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Alles overwegende is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van de door de verdachte in voorarrest doorgebrachte tijd een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Middelburg van 13 maart 2009 (onder parketnummer

12-705098-09) is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie, inhoudende dat in plaats van de tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf, het verrichten van een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis.

In hoger beroep is komen vast te staan, dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken. De vordering is in beginsel gegrond.

Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, is het hof van oordeel dat de proeftijd met één jaar moet worden verlengd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 63 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

3 (drie) dagen.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verlengt de proeftijd als vermeld in het vonnis van de politierechter te Middelburg van 13 maart 2009 onder parketnummer 12-705098-09 met een termijn van

1 (één) jaar.

Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mr. A.L.J. van Strien,

mr. A.J.M. Kaptein en mr. I.M. Abels, in bijzijn van de griffier mr. S.N. Keuning.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 19 november 2010.

Mr. Abels is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.