Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BO4035

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-11-2010
Datum publicatie
16-11-2010
Zaaknummer
22-000564-09
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BW9966, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BW9966
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan smaadschrift jegens minister-president Balkenende door bewerkte foto’s op internet te plaatsen, waarop de minister-president onder meer met hitlersnorren en hakenkruizen werd afgebeeld. Tevens heeft de verdachte een bijbehorende tekst op internet geplaatst, waarin de minister-president met Adolf Hitler werd vergeleken.

Overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Werkstraf voor de duur van 50 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 week.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000564-09

Parketnummer: 09-665556-05

Datum uitspraak: 16 november 2010

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van

26 februari 2007 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1943,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 2 maart 2010 en 2 november 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 02 juli 2004 te 's-Gravenhage, en/of Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk, door middel van het openlijk tentoonstellen en/of aanslaan van (een) geschrift(en) en/of (een) afbeelding(en), de eer en/of de goede naam van minister-president Balkenende heeft aangerand door telastlegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft verdachte met voormeld doel (een) geschrift(en) en/of afbeelding(en), zoals aan deze telastelegging gehecht en daarvan deel uitmakende, tentoongesteld of aangeslagen (via Internet).

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week met een proeftijd van 2 jaren.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Geldigheid van de inleidende dagvaarding

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte bepleit, verkort en zakelijk weergegeven, dat de inleidende dagvaarding nietig behoort te worden verklaard vanwege betekeningsgebreken. De geschriften als vermeld in de zevende regel van de oorspronkelijke tenlastelegging waren niet aan de inleidende dagvaarding gehecht en er had niet mogen worden volstaan met aanvulling daarvan middels de ter terechtzitting van 25 augustus 2006 toegewezen vordering wijziging tenlastelegging.

Het hof begrijpt het verweer van de raadsman aldus, dat de inleidende dagvaarding noch voldeed aan de betekeningsvereisten als bedoeld in artikel 585 en verder van het Wetboek van Strafvordering, noch voldeed aan de vereisten van artikel 261 Wetboek van Strafvordering.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt hiertoe als volgt.

De inleidende dagvaarding is op 2 mei 2006 aan de verdachte in persoon uitgereikt. De verdachte heeft toen kennis kunnen nemen van zowel de dag waarop de behandeling van de zaak op de zitting van de politierechter in de rechtbank ‘s-Gravenhage zou plaatsvinden als van het strafbare feit dat aan de verdachte is ten laste gelegd.

De stelling van de raadsman, dat de tenlastelegging toen als onvolledig was aan te merken nu de daarin vermelde geschriften ontbraken, rechtvaardigt naar ’s hofs oordeel geenszins de conclusie dat daarom sprake is geweest van enig gebrek in de betekening van de inleidende dagvaarding. Een dergelijk rechtsgevolg volgt, anders dan de raadsman kennelijk meent – niet uit de wet en de wet biedt daar overigens ook geen steun voor.

Artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering geeft het openbaar ministerie de mogelijkheid om te vorderen dat een tenlastelegging wordt gewijzigd. In eerste aanleg is van die mogelijkheid gebruik gemaakt door de officier van justitie en de politierechter heeft de gevorderde wijziging ter terechtzitting van 25 augustus 2006 bevolen na de verdachte en zijn raadsman ter zake te hebben gehoord. Daarmee zijn de geschriften waarnaar in de tenlastelegging is verwezen op de terechtzitting van 25 augustus 2006 rechtsgeldig deel gaan uitmaken van de tenlastelegging.

Naar het oordeel van het hof voldeed ook de oorspronkelijke tenlastelegging aan de eisen gesteld in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. Die tenlastelegging was voldoende feitelijk, terwijl uit de behandeling van de zaak ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte ten tijde van de eerste behandeling van zijn zaak ter zitting van de politierechter in de rechtbank ’s-Gravenhage met die tenlastelegging geïnformeerd was over het voorval waarvoor hij diende terecht te staan en ook wist waartegen hij zich te verdedigen had. In dit verband is naar het oordeel van het hof van belang dat op grond van het proces-verbaal ter terechtzitting van voormelde zitting kan worden aangenomen, dat toen door de verdediging van de verdachte tegen de gevorderde wijziging geen bezwaar is gemaakt.

De inleidende dagvaarding is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dan ook geldig.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

De verdediging heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte behoort te worden verklaard op de hierna verkort en zakelijk weergegeven gronden.

De raadsman heeft allereerst betoogd dat, nu het in dezen blijkens de tenlastelegging gaat om de ongekwalificeerde vorm van smaadschrift ex artikel 261 van het Wetboek van Strafrecht, ten onrechte niet is voldaan aan het klachtvereiste van artikel 164 van het Wetboek van Strafvordering. Uit de aangifte blijkt niet dat het slachtoffer vervolging wenste, terwijl evenmin uit het procesdossier blijkt dat het slachtoffer een bijzondere volmacht heeft afgegeven om namens hem aangifte te doen. Voor zover de machtiging van [de secretaris- generaal van het departement Algemene Zaken] d.d. 31 augustus 2005 als volmacht zou moeten gelden, dan is deze volmacht buiten de ingevolge artikel 66 van het Wetboek van Strafrecht geldende termijn ingediend.

Verder heeft de raadsman betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte moet worden verklaard, nu een schriftelijke weergave van de beslissing op het wrakingsverzoek van de verdachte ter terechtzitting van 25 augustus 2006 in het dossier ontbreekt.

Voorts heeft de raadsman bepleit dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ernstig is geschonden, hetgeen tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte dient te leiden. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd. De redelijke termijn is aangevangen op de datum waarop een uitnodiging tot verhoor aan de verdachte werd verstuurd in maart 2005. Het verstekvonnis van de politierechter van 26 februari 2007 is eerst op 26 januari 2009, bijna twee jaar later, betekend aan de verdachte en in hoger beroep heeft het één jaar geduurd voordat de zaak opnieuw ter zitting van het hof is aangebracht na de afwijzingen van de respectieve wrakingsverzoeken.

Tot slot heeft de verdachte betoogd dat bij hem het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat hij niet zou worden vervolgd, aangezien de verdachte in het verleden soortgelijke foto’s van [de voormalig minister van Justitie] en [het voormalig lid van het College van Procureurs-Generaal] op internet heeft geplaatst en hij hiervoor niet is vervolgd.

Het hof overweegt te dien aanzien het volgende.

Aan de verdachte is ten laste gelegd – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – dat hij door opzettelijk te handelen als feitelijk in de tenlastelegging omschreven, de eer en goede naam van de minister-president Balkenende heeft aangerand. Naar het oordeel van het hof is gelet op de tekst van de tenlastelegging beoogd aan de verdachte het strafbare feit als bedoeld in artikel 267 van het Wetboek van Strafrecht ten laste te leggen. Voor het vervolgen ter zake van een dergelijk feit is gelet op artikel 269 van het Wetboek van Strafrecht een klacht niet vereist.

Het hof constateert met de raadsman dat de schriftelijke weergave van de beslissing op het wrakingsverzoek d.d. 25 augustus 2006 in het procesdossier ontbreekt. Het hof is echter van oordeel dat dit enkele feit niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte. Ook overigens zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden om die door de raadsman aangevoerde conclusie te rechtvaardigen. In dit verband is naar het oordeel van het hof van belang dat gesteld noch anderszins aannemelijk is geworden dat de verdachte daardoor in enig strafvorderlijk te beschermen belang is geschaad.

Ten aanzien van de redelijke termijn stelt het hof voorop dat schending hiervan, volgens vaste jurisprudentie, in beginsel niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging, doch – indien van een dergelijke schending sprake is – deze anderszins gecompenseerd dient te worden. In dit verband overweegt het hof dat de redelijke termijn aanvangt op het moment dat vanwege de overheid een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat strafvervolging zou worden ingesteld, waarbij de betekening van de inleidende dagvaarding zonder meer als een dergelijke handeling behoort te worden aangemerkt. Anders dan de verdediging kennelijk meent, kan in de onderhavige zaak de uitnodiging van de politie, verzonden aan de verdachte voor verhoor, niet als zodanig gelden. Het enkel versturen van een dergelijke brief is geen waarborg dat de geadresseerde van de inhoud van die brief kennisneemt. In dit verband is naar het oordeel van het hof van belang, dat gesteld noch anderszins aannemelijk is geworden dat de verdachte van de inhoud van die brief daadwerkelijk kennis heeft genomen. Ook in de behandeling van de zaak in hoger beroep heeft zich naar het oordeel van het hof geen schending van de redelijke termijn voorgedaan, nu de behandeling van de zaak van de verdachte in hoger beroep binnen twee jaren is afgerond. Het hof constateert wel dat vertraging is opgetreden bij de betekening van de mededeling van het vonnis. Deze vertraging zal met een hierna te melden rechtsgevolg worden gecompenseerd.

Ten slotte is het hof van oordeel dat de verdachte zich er niet op kan beroepen dat er in redelijkheid door het openbaar ministerie bij hem enig gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt zodat hij niet zou worden vervolgd ten aanzien van het onderhavige strafbare feit. Een zodanige toezegging is hem niet gedaan.

De omstandigheid dat ter zake van zijn eerdere soortgelijke acties geen vervolging tegen hem is ingesteld, is ingegeven door het feit dat [de voormalig minister van Justitie] en [het voormalig lid van het College van Procureurs-Generaal] geen aangifte tegen de verdachte hebben gedaan, terwijl zulks in het onderhavige geval wel is geschied. Het hof voegt ten overvloede hieraan toe dat met een beslissing om niet te vervolgen ten aanzien van andere strafbare feiten dan het onderhavige niet zonder meer een zodanig gerechtvaardigd vertrouwen gewekt kan worden, dat ook ten aanzien van het thans voorliggende strafbare feit niet vervolgd zou worden.

Gelet op het vorenstaande is het openbaar ministerie dan ook ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 02 juli 2004 in Nederland, opzettelijk, door middel van het openlijk tentoonstellen van een geschrift en afbeeldingen, de eer en/of de goede naam van minister-president Balkenende heeft aangerand door tenlastelegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft verdachte met voormeld doel een geschrift en afbeeldingen, zoals aan deze tenlastelegging gehecht en daarvan deel uitmakende, tentoongesteld via Internet.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Door de verdediging gevoerd kwalificatieverweer

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat de minister-president niet kan worden aangemerkt als het openbaar gezag, een openbaar lichaam of een openbare instelling.

Het hof onderschrijft dit standpunt van de raadsman. Anders dan door de advocaat-generaal naar voren gebracht, kunnen volgens de geldende jurisprudentie individuele gezagsdragers niet worden aangemerkt als het openbaar gezag, een openbaar lichaam of een openbare instelling zoals bedoeld in artikel 267, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

De in de tenlastelegging genoemde hoedanigheid van minister-president dient naar het oordeel van het hof te worden aangemerkt als ambtenaar in de zin van artikel 84 van het Wetboek van Strafrecht. De minister-president wordt ingevolge artikel 43 van de Grondwet bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen en bekleedt een functie met een openbaar karakter teneinde een deel van de taak van de Staat of zijn organen te verrichten.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Smaadschrift, terwijl dit wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan smaadschrift jegens minister-president Balkenende door bewerkte foto’s op internet te plaatsen, waarop de minister-president onder meer met hitlersnorren en hakenkruizen werd afgebeeld. Tevens heeft de verdachte een bijbehorende tekst op internet geplaatst, waarin de minister-president met Adolf Hitler werd vergeleken. Met deze handelwijze heeft de verdachte de eer en goede naam aangetast van minister-president Balkenende.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep – verkort en zakelijk weergegeven – verklaard dat hem in het verleden in het kader van verschillende gerechtelijke procedures groot onrecht is aangedaan door zowel leden van de rechterlijke macht als door leden van het openbaar ministerie en dat daarin de reden is gelegen voor zijn handelen in deze. Naar het oordeel van het hof maakt de door de verdachte aangevoerde reden voor zijn handelen – anders dan hij kennelijk zelf meent – het door hem gepleegde strafbare feit niet minder ernstig.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat in beginsel een geheel onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week met een proeftijd van 2 jaren een passende en geboden reactie vormen, zoals ook door de politierechter in de rechtbank ‘s-Gravenhage aan de verdachte is opgelegd. Naar het oordeel van het hof heeft de advocaat-generaal onvoldoende redengevende argumenten aangedragen op grond waarvan een hogere voorwaardelijke straf dan in eerste aanleg opgelegd, in de rede zou liggen.

Naar het oordeel van het hof heeft de behandeling van de zaak evenwel niet plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de termijn voor de betekening van de mededeling van het vonnis van de politierechter in de rechtbank ‘s-Gravenhage is overschreden.

Het hof zal de overschrijding van deze termijn verdisconteren in de strafmaat en in plaats van de hiervoor overwogen onvoorwaardelijke taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf, een geheel onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf alsmede een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63, 261 en 267 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is ten laste gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, te vervangen door hechtenis voor de tijd van 25 (vijfentwintig) dagen voor het geval die taakstraf niet naar behoren wordt verricht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

1 (één) week.

Beveelt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door mr. I.E. de Vries,

mr. C.G.M. van Rijnberk en mr. A.W.M. Bijloos, in bijzijn van de griffier mr. N.R. Achterberg.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 16 november 2010.

Mr. A.W.M. Bijloos is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.