Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BO3592

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-11-2010
Datum publicatie
10-11-2010
Zaaknummer
BK-09/00889
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BPM. Naheffingsaanslag vanwege rijden in Spaans gekentekende personenauto in Nederland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 2935 met annotatie van Rolleman
V-N 2011/4.19.2
FutD 2010-2611
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

nummer BK-09/00889

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer van 5 november 2010

in het geding tussen:

mevrouw [belanghebbende] te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Douane Rotterdam, hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 november 2009, nummer AWB 09/114 BPM, betreffende na te vermelden naheffingsaanslag en beschikking.

Naheffingsaanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM), nummer [...], opgelegd. De belasting bedraagt € 8.700. Bij gelijktijdig genomen beschikking heeft de Inspecteur aan belanghebbende een boete opgelegd van € 4.350.

1.2. Bij twee in één geschrift vervatte uitspraken heeft de Inspecteur het door belanghebbende tegen de naheffingaanslag en de boetebeschikking gemaakte bezwaar afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank.

1.4. Bij de in de aanhef vermelde uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 223.

2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 24 september 2010, gehouden te 's-Gravenhage. Daar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende is geboren op [dag en maand] 1988 en heeft de Nederlandse nationaliteit.

3.2. Op 2 april 2007 is door ambtenaren van de Belastingdienst Douane geconstateerd dat belanghebbende met een personenauto, merk BMW 320 diesel, met een in Spanje geregistreerd kenteken (hierna: de auto) gebruik maakte van de openbare weg in Nederland. Belanghebbende bestuurde de auto die eigendom is van haar moeder. Belanghebbende is toen meegedeeld dat het door haar met de auto gebruik maken van de openbare weg in Nederland ingevolge de Wet op de belastingen van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) als een belastbaar feit wordt aangemerkt. Aan belanghebbende is een waarschuwingsformulier en een aangifteformulier BPM uitgereikt. Het waarschuwingsformulier vermeldt de volgende handgeschreven verklaring van belanghebbende: "omdat ik niet in me eigen kan rijden en ik me examen moest halen".

3.3. Op 2 juli 2007 is wederom geconstateerd dat belanghebbende als bestuurster van de auto gebruikmaakte van de openbare weg in Nederland. Blijkens het door de controlerende ambtenaar opgemaakte "controlerapport/voorstel tot naheffing" is de volgende verklaring door belanghebbende afgelegd: "Ik ben ingeschreven in Spanje en naar mijn idee heb ik niets fout gedaan. Ik woon daar officieel vanaf 3 mei 2007." Op de vraag waarom belanghebbende ondanks de eerdere waarschuwing toch is gaan rijden, verklaart belanghebbende: "Ik rij in deze auto om hier mijn laatste dingen te regelen en ben vanaf 25 mei 2007 weer in [Z]." Op de vraag naar belanghebbendes sociale bindingen in Nederland verklaart belanghebbende: "Familie, vrienden, het huis is eigendom van mijn vader." Onder het kopje "reden van voorstel naheffing" is vermeld: "Bestuurster heeft eerder waarschuwing gehad. Staat nog steeds ingeschreven in GBA te [Z]. Vader en moeder die op hetzelfde adres wonen hebben ook eerder waarschuwing gehad."

3.4. Op 2 april 2007 en 2 juli 2007 was belanghebbende ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [a-straat 1] te [Z], waar eveneens haar ouders waren ingeschreven. Op 3 juli 2007 heeft belanghebbende zich uitgeschreven en als bestemming opgegeven: "[b-straat], [P], Spanje". Op 7 november 2007 heeft belanghebbende zich weer ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie van [Z].

3.5. Belanghebbende heeft gedurende het jaar 2007 zorgtoeslag ontvangen die is gestort op een Nederlandse bankrekening.

3.6. Belanghebbende had een liefdesrelatie met [A]. Belanghebbende had woonruimte gehuurd aan de [c-straat 1] te [Q] in Spanje. Tot de gedingstukken behoort een verklaring van [A], opgemaakt op 16 mei 2007 te [Q], waarin hij verklaart dat belanghebbende zijn vriendin is en met haar samenleeft en dat hij haar voorziet in de kosten van levensonderhoud. Voorts behoort tot de gedingstukken een op naam van belanghebbende gesteld zwembadabonnement voor toegang tot het zwembad "[zwembad]" in [Q], geldig van 10 mei 2007 tot 10 augustus 2007 en een in het Spaans opgestelde schriftuur van de "Ayuntamiento de [Q]".

3.7. Met dagtekening 15 juli 2008 is de onderwerpelijke naheffingsaanslag opgelegd, groot € 8.700, met een vergrijpboete van € 4.350. De belasting is als volgt berekend:

Netto Catalogusprijs € 29.828,00

BPM 45,2% € 13.482,26

Toeslag vast bedrag € 328,00 +

Bruto BPM € 13.810,26

Korting i.v.m. leeftijd 37,000 % € 5.109.79 -

Totaal schuld BPM € 8.700,46

3.8. Het kenteken van de auto is in het jaar 2008 geregistreerd in het kentekenregister van de RDW. De verschuldigde belasting is verrekend met de naheffingsaanslag.

Omschrijving van het geschil en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag en de boete terecht zijn opgelegd.

4.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de naheffingaanslag en de boete ten onrechte aan haar zijn opgelegd. Belanghebbende betwist de stelling van de Inspecteur dat zij op de momenten dat zij werd aangehouden in Nederland woonde. Het middelpunt van haar levensbelang lag toen in Spanje, waar haar vriend woonde en zij voornemens was te gaan studeren. Medio april 2007 is zij vertrokken naar Spanje. Eerst verbleef zij in [P], waar zij werkte in het restaurant van haar ouders, en daarna heeft zij een huurwoning betrokken in [Q]. Daar heeft zij voor een makelaarskantoor gewerkt. Haar vriend heeft haar onderhouden en zich voor de verschuldigde huur garant gesteld tegenover de verhuurder. De bedoeling was om tijdens de zomermaanden Spaans te leren, zodat zij in september kon beginnen met haar studie. Doordat zij de taal niet voldoende beheerste, is zij uiteindelijk niet begonnen met de studie. Eind 2008 is zij definitief teruggekeerd naar Nederland. Voorts is het zo, dat de gevolgen van de aan haar opgelegde naheffingsaanslag en boete onredelijk zijn. Zij heeft de auto slechts van haar moeder geleend. De auto is bovendien in Spanje verzekerd en de daar verschuldigde belastingen zijn betaald. Het een en ander is strijdig met het vrije verkeer van goederen in de Europese Unie. De rechtbank heeft ongemotiveerd haar bewijsaanbod door het horen van getuigen gepasseerd. De boete dient gematigd te worden op grond van haar leeftijd en financiële omstandigheden.

4.3. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende tijdens haar eerste en de tweede aanhouding in Nederland woonde. Belanghebbende was immers op hetzelfde adres in de gemeentelijke basisadministratie van [Z] ingeschreven als haar ouders. Zij heeft bovendien gedurende het jaar 2007 zorgtoeslag ontvangen die is gestort op een Nederlandse bankrekening. De auto is herhaaldelijk in Nederland door belanghebbende en haar ouders gebruikt. Ook het overige door belanghebbende aangevoerde als voormeld wordt bestreden, in het bijzonder dat belanghebbende een bewijsaanbod door middel van het horen van getuigen heeft gedaan. De boete is passend en geboden, vooral omdat belanghebbende uitdrukkelijk is gewaarschuwd.

4.4. De berekening van de hoogte van de belasting is, na aanpassing van de nettocatalogusprijs, niet meer in geschil.

4.5. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die zij daartoe in de van hen afkomstige stukken en ter zitting hebben aangevoerd.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt primair tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, de uitspraken op bezwaar, de naheffingsaanslag en de boetebeschikking, en subsidiair tot vermindering van de boete.

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Naheffing

6.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, Wet BPM (tekst 2007) wordt een belasting geheven met betrekking tot personenauto's en motorrijwielen. Het vijfde lid van genoemd artikel bepaalt dat ingeval een niet-geregistreerde personenauto of een niet-geregistreerd motorrijwiel feitelijk ter beschikking staat van een in Nederland wonende natuurlijke persoon of gevestigd lichaam, de belasting verschuldigd is ter zake van de aanvang van het gebruik met dat motorrijtuig in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994. In artikel 5, tweede lid, van de Wet BPM (tekst 2007) is verder bepaald, dat met betrekking tot een niet-geregistreerde personenauto of een niet-geregistreerd motorrijwiel de belasting wordt geheven van degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft.

6.2. De vraag waar iemand woont of waar een lichaam gevestigd is, moet op grond van artikel 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen naar de omstandigheden worden beoordeeld.

6.3. Uit de in 3.1 tot en met 3.6 vermelde gegevens, bezien in samenhang met de overige uit de stukken naar voren komende feiten en omstandigheden, zijn naar 's Hofs oordeel ruimschoots voldoende aanwijzingen te putten dat belanghebbende op 2 juli 2007 feitelijk als inwoner van Nederland is aan te merken. Daaraan doet geenszins af dat belanghebbende een liefdesrelatie had met een in Spanje woonachtig persoon die mogelijk tevens in haar levensonderhoud voorzag. Wat dat laatste betreft heeft belanghebbende met hetgeen zij heeft gesteld en aan stukken heeft ingebracht volstrekt onvoldoende feiten en omstandigheden omtrent de maatschappelijke en economische bindingen in Spanje aangevoerd dan wel, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, aannemelijk gemaakt die een andere conclusie met betrekking tot haar feitelijke woonplaats rechtvaardigen. Anders gezegd, voor haar andersluidende stelling heeft belanghebbende geen enkel concreet tegenbewijs bijgebracht. Uit het geheel van voorhanden zijnde gegevens is veeleer af te leiden dat de perioden dat belanghebbende in Spanje vertoefde niet anders dan een vakantiekarakter hadden en dat belanghebbende met haar stellingen heeft willen doen voorkomen dat zij in Spanje woonachtig was.

6.4. De klacht dat de rechtbank is voorbijgegaan aan het door belanghebbende gedane bewijsaanbod, mist feitelijke grondslag, in die zin dat - de Inspecteur heeft er terecht op gewezen - niet blijkt dat een zodanig aanbod is gedaan. Voor zover belanghebbende alsnog door het horen van getuigen wil bewijzen dat zij in Spanje een relatie had met een Spaanse persoon die haar voorzag in de kosten van levensonderhoud, gaat het Hof aan dat aanbod voorbij, reeds omdat het Hof in zijn in 6.3 gedane afweging van de juistheid van de met het bewijs in het vooruitzicht gestelde feiten is uitgegaan.

6.5. Voor zover belanghebbende betoogt dat Nederland met de aan haar opgelegde naheffingsaanslag niet zijn verplichtingen nakomt die op hem rusten krachtens het in artikel 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie geformuleerde recht van iedere burger van de Europese Unie (hierna: EU) om vrij op het grondgebied van de lidstaten te verblijven en te reizen, overweegt het Hof dat uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) volgt dat het een lidstaat is toegestaan een belasting te heffen over een in een andere lidstaat geregistreerd motorvoertuig ter zake van het gebruik ervan door in eerstgenoemde lidstaat woonachtige economische niet-actieve personen, wanneer dit voertuig hoofdzakelijk is bestemd voor duurzaam gebruik in eerstgenoemde lidstaat of daar feitelijk duurzaam wordt gebruikt (zie o.a. HvJ 21 maart 2002, C-451/99 inzake Cura Anlagen, punt 42; HvJ 15 september 2005, C-464/02 inzake Commissie/Denemarken, punten 75-78; HvJ 15 december 2005, C-151/04 en 152/04 inzake Nadin e.a., punten 41-43; HvJ 23 februari 2006, C-232/03 inzake Commissie/Finland, punt 47; HvJ 27 juni 2006, C-242/05 inzake Van de Coevering, punt 24; HvJ 26 oktober 2006, C-345/05 inzake Commissie/Portugal, punten 36 en 37 en HvJ 22 mei 2008, C-42/08 inzake Ilhan, punt 18).

6.6. Blijkens hetgeen in het controlerapport is vermeld, zoals weergegeven in 3.3, en het verhandelde ter zitting, hebben belanghebbende en haar ouders, die beiden op hetzelfde adres waren ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie, meerdere malen met de auto gebruik gemaakt van de openbare weg in Nederland. Hieruit leidt het Hof af dat van incidenteel kortstondig gebruik van de auto geen sprake is geweest. De verklaring van de vader van belanghebbende dat het merk en type auto veel "kinderziekten" heeft, waardoor de auto, die in 2005 is aangeschaft, veelvuldig in Nederland naar de garage moest, maakt dat niet anders. Al met al moet het er dan ook voor worden gehouden dat de auto feitelijk duurzaam, en naar het zich laat aanzien uitsluitend, in Nederland is gebruikt.

6.7. Nu de heffing van de belasting in het voorliggende geval is toegestaan, komt de vraag aan de orde of het evenredigheidsbeginsel is geëerbiedigd (zie HvJ 21 maart 2002, C-451/99 inzake Cura Anlagen, punt 69, en HvJ 22 mei 2008, C-42/08 inzake Ilhan, punt 19). Dat beginsel is hier naar 's Hofs oordeel in acht genomen. De nageheven belasting is berekend met inachtneming van een vermindering van de belasting met betrekking tot gebruikte personenauto's als bedoeld in artikel 10, eerste lid, Wet BPM. Hiermee is bereikt dat de belasting evenredig is aan de duur van de registratie in de staat waar het voertuig wordt gebruikt, die wordt vastgesteld aan de hand van de resterende levensduur van het voertuig. Zo wordt in het ongekeerde geval, wanneer een in Nederland geregistreerd voertuig buiten Nederland wordt gebracht, en wordt geregistreerd in een andere lidstaat van de EU of buiten de EU gebracht, in beginsel een teruggaaf verleend.

6.8. Uit het voorgaande volgt dat de belasting is verschuldigd ter zake van de aanvang van het gebruik van de openbare weg in Nederland. Nu de verschuldigde belasting, welke op aangifte moet worden voldaan, op 2 juli 2007 niet was betaald, is de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende opgelegd.

Boete

6.9. Met betrekking tot de boete is het Hof van oordeel dat uit het geheel van voorhanden zijnde gegevens redelijkerwijs geen andere conclusie is te trekken dan dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat de verschuldigde belasting niet is betaald. Doordat het waarschuwingsformulier aan belanghebbende was uitgereikt, kende zij de Wet BPM en de gevolgen van handelen in strijd met deze wetgeving. Desondanks heeft belanghebbende zonder de verschuldigde belasting te voldoen wederom met de auto gebruik gemaakt van de openbare weg in Nederland. Hieruit volgt dat belanghebbende willens en wetens de verschuldigde belasting niet heeft betaald. Daarbij komt dat belanghebbende niets concreets heeft aangedragen waaruit ook maar enigszins is af te leiden dat zij zelf het idee heeft gehad dat zij niet in Nederland maar in Spanje woonde. Van een pleitbaar standpunt aan de zijde van belanghebbende is dan ook geen sprake. Het Hof ziet ook overigens in de door belanghebbende aangevoerde stellingen geen enkele reden tot matiging van de boete, gelet ook op de aard van het vergrijp. De boete is naar 's Hofs oordeel onder de gegeven omstandigheden passend en ook, uit een oogpunt van normhandhaving, alleszins geboden.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, B. van Walderveen en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier drs. F. van Veen. De beslissing is op 5 november 2010 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.