Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BO3393

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-11-2010
Datum publicatie
10-11-2010
Zaaknummer
BK-09/00690
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Brandweervrijstelling. Gelijkheidsbeginsel. De brandweervrijstelling met betrekking tot het brandweervoertuig mist toepassing. Belanghebbende kwalificeert zich niet als brandweerinstantie in de zin van artikel 14, tweede lid, onderdeel a, in samenhang met het derde lid, van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2011/6.18 met annotatie van Redactie
FutD 2010-2616
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

nummer BK-09/00690

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer van 5 november 2010

op het hoger beroep van de coöperatieve vereniging met uitgesloten aansprakelijkheid [belanghebbende] U.A. te [Z] tegen de (mondelinge) uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 augustus 2009, nummer AWB 09/274, betreffende de na te noemen beschikking.

Beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is door de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Centrale administratie (kantoor Apeldoorn), een beschikking uitgereikt waarbij het verzoek van belanghebbende om toepassing van de vrijstelling van motorrijtuigenbelasting is afgewezen.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de beschikking gehandhaafd.

1.3. Tegen de uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 288.

1.4. Bij de in de aanhef vermelde uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 447.

2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 24 september 2010, gehouden te 's-Gravenhage. Daar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

In hoger beroep is op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende heeft naar haar inschrijving in het handelsregister van de kamer van koophandel als doelstelling: "Het geven van opleidingen, trainingen, het geven van adviezen op het gebied van brandweer alsook het ter beschikking stellen van brandwachtdiensten. Groothandel in brandweermaterialen en aanverwante artikelen, alsmede het verhuur van brandweermateriaal. Daarnaast het geven van opleidingen op EHBO medisch gebied en verrichten van ambulance diensten, EHBO diensten, evenementen en bewaking, alsmede groothandel in verbandmateriaal, in- en verkoop van ambulances en verwante artikelen. Alles in de ruimste zin des woords."

3.2. Belanghebbende beschikt voor haar activiteiten over een gespecialiseerd trainingscentrum met bijbehorende terreinen ten behoeve van opleidingen en trainingen in brandbestrijding, EHBO en bedrijfshulpverlening.

3.3. Belanghebbende acht zich onder verwijzing naar artikel 13 van de Brandweerwet 1985 (tekst tot 1 oktober 2010; hierna: de Brandweerwet) bedrijfsbrandweerplichtig, omdat haar activiteiten naar haar oordeel een bijzonder gevaar vormen voor de openbare veiligheid, en beschikt om die reden over een eigen bedrijfsbrandweerkorps, doch mist een aanwijzing van het bevoegd gezag als inrichting die over een bedrijfsbrandweer moet beschikken.

3.4. Sedert 10 juli 2008 is belanghebbende houder van het bedrijfsvoertuig van het merk DAF, voorzien van het kenteken [xx-xx-xx], met de inrichting als brandweervoertuig (hierna: het brandweervoertuig).

3.5. Naast opleidingen en trainingen in brandbestrijding, EHBO en bedrijfshulpverlening maken het organiseren van evenementen, waaronder kinderfeestjes, en filmopnamen, alsmede de verhuur van materieel deel uit van de bedrijfsvoering, waarvoor ook het brandweervoertuig wordt ingezet.

3.6. Met betrekking tot het brandweervoertuig heeft belanghebbende zich op de voet van artikel 72, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 beroepen op de vrijstelling van motorrijtuigenbelasting (hierna: de brandweervrijstelling). De Inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat het brandweervoertuig niet onder de werkingssfeer van de brandweervrijstelling valt.

Oordeel van de rechtbank

4. De rechtbank heeft met betrekking tot de ongegrondverklaring van belanghebbendes beroep overwogen:

"(...)

III.6. Op [belanghebbende] rust de bewijslast aannemelijk te maken dat zij terzake het motorrijtuig heeft voldaan aan de vereisten voor toepassing van de brandweervrijstelling. De rechtbank is van oordeel dat [belanghebbende] hierin niet is geslaagd.

III.7. [De Inspecteur] heeft gesteld dat het motorrijtuig niet uitsluitend wordt gebruikt ten behoeve van brandweertaken. [Belanghebbende] heeft dat niet weersproken maar daaraan toegevoegd dat het motorrijtuig tot nog toe slechts twee maal ingezet is bij filmopnames en per jaar tien of twintig maal, op eigen terrein, gebruikt wordt bij kinderfeestjes. Gelet op deze activiteiten is de rechtbank van oordeel dat de onderhavige brandweerwagen niet uitsluitend wordt gebruikt door brandweerlieden voor de uitvoering van hun brandweertaken. Daarmee voldoet het motorrijtuig niet aan de voorwaarden die de wet [Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994] en het uitvoeringsbesluit [Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994] voor de vrijstelling stelt.

(...)"

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1. In geschil is of belanghebbende, zo nodig met een beroep op het gelijkheidsbeginsel, voor het brandweervoertuig recht heeft op toepassing van de brandweervrijstelling, welke vraag door belanghebbende bevestigend en door de Inspecteur ontkennend wordt beantwoord.

5.2. Belanghebbende is van mening dat haar als brandweerinstantie de brandweervrijstelling moet worden verleend. In Nederland is aan ongeveer 400 brandweerinstanties ook die vrijstelling verleend. Vrijwel iedere brandweerinstantie werkt mee aan filmopnamen, reconstructies en opendagen. Door brandweerinstanties worden ook kinderfeestjes gegeven en cursussen verstrekt aan particulieren en bedrijven. Ook worden brandwachten met brandweerauto's die onder de brandweervrijstelling vallen, verhuurd door brandweerinstanties.

5.3. De Inspecteur is van opvatting dat belanghebbende zich niet kwalificeert als brandweerinstantie. Belanghebbende is niet door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoetermeer aangewezen als bedrijfsbrandweerplichtig. Voorts wordt het brandweervoertuig niet, zeker niet uitsluitend, gebruikt door brandweerlieden in de uitoefening van hun brandweertaak. Toepassing van het gelijkheidsbeginsel stuit af op de omstandigheid dat geen sprake is van gelijke gevallen.

5.4. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die zij daartoe in de van hen afkomstige stukken en ter zitting hebben aangevoerd.

Conclusies van partijen

6.1. Belanghebbende concludeert tot verlening van de brandweervrijstelling.

6.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. De rechtbank heeft naar 's Hofs oordeel met juistheid beslist dat de brandweervrijstelling met betrekking tot het brandweervoertuig toepassing mist. Belanghebbende heeft niet de hoedanigheid van een brandweerinstantie, daar zij zich niet, anders dan bij uitzondering, bezig houdt met activiteiten die eigen zijn aan zo'n instantie. Ter zitting heeft belanghebbende desgevraagd verklaard dat zij nimmer branden heeft geblust, behoudens in de gevallen waarin zij zelf de branden op haar bedrijfsterrein heeft aangestoken, een en ander voor trainingsdoeleinden en voor vermaak (kinderfeestjes). Haar bedrijf richt zich dus niet op het uitvoeren van de eigenlijke activiteiten van een brandweer. Daarbij komt dat belanghebbende geen brandweerinstantie is als bedoeld in de Brandweerwet en bovendien niet door het bevoegd gezag is aangewezen als inrichting die over een bedrijfsbrandweer moet beschikken als bedoeld in artikel 13 van de Brandweerwet in verbinding met het Besluit bedrijfsbrandweren. Met de Inspecteur is het Hof dan ook van oordeel dat belanghebbende niet kwalificeert als brandweerinstantie in de zin van artikel 14, tweede lid, onderdeel a, in samenhang met het derde lid, van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994. De brandweervrijstelling mist reeds om die reden toepassing.

7.2. Zo belanghebbende wel over de voor de brandweervrijstelling vereiste hoedanigheid van brandweerinstantie zou beschikken, wordt met het brandweervoertuig, gelijk de rechtbank aan de hand van de voorhanden zijnde gegevens terecht heeft geoordeeld, niet voldaan aan het vereiste van uitsluitend gebruik door brandweerlieden voor de uitoefening van hun brandweertaak.

7.3. Nu belanghebbende, gelet op het overwogene in 7.1, geen brandweerinstantie is, kan zij naar 's Hofs oordeel reeds daarom niet de vergelijking met de door haar aangevoerde organisaties, die wel brandweerinstantie zijn, doorstaan, zodat wat dat betreft haar beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Ook overigens heeft belanghebbende geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt, tegenover de betwisting ervan door de Inspecteur, die de conclusie rechtvaardigen dat bedoeld beginsel met het weigeren van de brandweervrijstelling is geschonden.

7.4. Het vorenoverwogene voert het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, B. van Walderveen en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier drs. F. van Veen. De beslissing is op 5 november 2010 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20.303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.