Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BO3369

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-11-2010
Datum publicatie
09-11-2010
Zaaknummer
22-002955-08
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BX4475, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BX4475
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De beslissing van het hof om later bij arrest te beslissen op de verzoeken tot het horen van getuigen en tot kennisneming van telefoongesprekken houdt geen afwijzing in van deze verzoeken. Een dergelijke beslissing vormt voorts geen grond van wraking. Van bijzondere omstandigheden die dit anders zouden maken, is niet gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010/334
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Av-nummer: 001631-10

Rolnummer hoofdzaak: 22-002955-08

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken

inzake het schriftelijk verzoek tot wraking, als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering in de strafzaak van het Openbaar Ministerie tegen:

[naam],

geboren op [geboortedag] te [geboorteplaats] Ahvaz (Iran),

[adres],

verzoeker,

bijgestaan door zijn raadsman mr. M. van Stratum, advocaat te 's-Gravenhage.

Het geding

1. In de strafzaak tegen verzoeker onder genoemd rolnummer heeft op 22 oktober 2010 een terechtzitting van de meervoudige strafkamer plaatsgevonden, alwaar voorzitter mr. J. Borgesius, alsmede de leden mr. M. Mees en dr. G.J. Fleers zitting hadden. Na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting is als uitspraakdatum vastgesteld 5 november 2010.

2. Bij brief van 22 oktober 2010, per fax ingekomen bij het hof op 23 oktober 2010 te 0.11 uur, heeft de raadsman namens verzoeker een verzoek tot wraking van genoemde raadsheren gedaan.

3. De voorzitter en raadsheren hebben de griffier van de wrakingskamer laten weten dat zij niet berusten in de wraking en niet gehoord wensen te worden.

4. De wrakingskamer heeft het verzoek op 3 november 2010 ter openbare terechtzitting behandeld, waar de raadsman van verzoeker is gehoord. Verzoeker is niet verschenen. Mr. Van Stratum heeft een pleitnota overgelegd. De advocaat-generaal mr. J.T.F.M. van Krieken heeft zijn standpunt uiteengezet.

Het wrakingsverzoek

5. Namens verzoeker is door zijn raadsman blijkens het schriftelijke wrakingsverzoek en zijn nadere toelichting ter terechtzitting van 3 november 2010 - zakelijk weergegeven - de volgende grond naar voren gebracht, een en ander overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnota:

Ter terechtzitting van 22 oktober 2010 heeft de raadsman meermalen - gemotiveerd - verzocht om getuigen te horen en om het uitluisteren van alle telefoongesprekken. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van het getuigenverzoek en tot kennisneming van de inhoud van de telefoongesprekken. Het hof heeft op deze verzoeken na beraad - met uitzondering van één getuige, ten aanzien van wie het verzoek is toegewezen - niet onmiddellijk beslist maar medegedeeld dat daarover bij arrest zal worden beslist. De raadsman heeft het hof bij pleidooi verzocht om heroverweging van de eerdere beslissing, pas bij eindarrest op de verzoeken te beslissen. De voorzitter heeft dat verzoek, zonder daarover de twee raadsheren en de advocaat-generaal te horen, zonder nadere motivering afgewezen.

Door deze handelwijze is het hof vooruitgelopen op enig eindoordeel in de strafzaak tegen verzoeker. Verzoeker is het recht ontnomen om op adequate en effectieve wijze de verdediging te voeren en meer gemotiveerd bij pleidooi tegenspraak te leveren tegen de bewijsmiddelen. Een beslissing om op dergelijke verzoeken bij arrest te beslissen moet bij deze stand van zaken in dit bijzondere geval worden aangemerkt als een afwijzing van het verzoek.

In de visie van verzoeker heeft hij door deze onbegrijpelijke gang van zaken geen effectieve verdediging in de zin van artikel 6 EVRM kunnen voeren en is hij derhalve in zijn belangen geschaad. Om die reden is volgens verzoeker de objectieve schijn gewekt dat het hof niet onpartijdig is.

6. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek tot wraking dient te worden afgewezen.

Beoordeling van de ontvankelijkheid

7. Volgens het bepaalde in artikel 513 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering dient het verzoek tot wraking te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden, als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering, aan de verzoeker bekend zijn geworden.

8. Het wrakingsverzoek is na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting op 22 oktober 2010 maar vóór de einduitspraak op 5 november 2010 - en in dit geval tijdig - gedaan. Mitsdien is de verzoeker ontvankelijk in het wrakingsverzoek.

Beoordeling van het wrakingsverzoek

9. De rechter moet volgens vaste jurisprudentie uit hoofde van zijn aanstelling worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de wrakingskamer noch ten aanzien van de voorzitter, noch ten aanzien van de beide raadsheren van een uitzonderlijke omstandigheid gebleken die een dergelijke zwaarwegende aanwijzing oplevert.

10. De wrakingskamer overweegt allereerst dat de beslissing om later bij arrest te beslissen op de verzoeken tot het horen van getuigen en tot kennisneming van telefoongesprekken geen afwijzing inhoudt van deze verzoeken. Een dergelijke beslissing vormt voorts geen grond van wraking. Van bijzondere omstandigheden die dit anders zouden maken, is niet gebleken.

11. De door de raadsman gestelde gang van zaken, inhoudende dat de voorzitter na het verzoek van de raadsman tot heroverweging, zonder nader beraad met de bijzitters, heeft medegedeeld dat het hof bij de eerdere beslissing blijft, levert geen bijzondere omstandigheid in vorenbedoelde zin op. Kennelijk was de mededeling van de voorzitter een bevestiging van een eerder door het hof ingenomen standpunt, terwijl niet is gesteld of gebleken dat de raadsman voor zijn verzoek tot heroverweging nieuwe feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht. Voor de voorzitter behoefde er daarom geen aanleiding te zijn om opnieuw over deze verzoeken te raadkameren. Daarbij merkt de wrakingskamer op dat uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat de raadsman en de advocaat-generaal over de betreffende verzoeken ter zitting zijn gehoord en dat blijkens het proces-verbaal van de zitting, de raadsman zich alstoen niet heeft verzet tegen de beslissing van het hof, inhoudende omtrent genoemde verzoeken bij arrest te beslissen.

12. Het door de raadsman gestelde gegeven dat de verdachte de gang van zaken niet begreep, gelet ook op zijn Iraanse achtergrond, levert evenmin een bijzondere omstandigheid op. De aangevoerde feiten zijn ontoereikend om de gestelde vrees bij verdachte objectief te rechtvaardigen. Het is aan de raadsman zijn cliënt tijdens de zitting daarop te attenderen, dan wel hem nadien de beslissing uit te leggen.

13. Gelet op het bovenstaande dient op het verzoek tot wraking te worden beslist als hieronder weergegeven.

Beslissing

Het hof:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan de raadsman van verzoeker, genoemde raadsheren en de advocaat-generaal.

Deze beslissing is gegeven op 4 november 2010 door mrs. B.A. Stoker-Klein,

A.L.G.A. Stille en M.A.F. Tan-de Sonnaville, in aanwezigheid van de griffier

mr. C.J.A. Sabatier.