Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BO2986

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-10-2010
Datum publicatie
05-11-2010
Zaaknummer
22-006751-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Uit de toelichting bij de vordering benadeelde partij blijkt duidelijk de mate van impact die het voorval heeft op het leven van die politieman. Misdrijven als het onderhavige veroorzaken gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers alsook bij de maatschappij in het algemeen. De ervaring leert dat slachtoffers veelal geruime tijd lijden onder de psychische gevolgen van een dergelijke ingrijpende gebeurtenis. Door zijn handelen heeft de verdachte er tevens blijk van gegeven de in de samenleving geldende omgangsvormen te negeren, met name wat betreft het respecteren van politiemensen die hun werk moeten kunnen verrichten zonder dat zij daarbij moeten vrezen voor hun leven. Het hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-006751-08

Parketnummers: 09-900627-08 en 09-900415-07 (TUL)

Datum uitspraak: 12 oktober 2010

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 16 december 2008 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in PI Midden Holland - HvB De Geniepoort te Alphen aan den Rijn.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 28 september 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

dat hij

op of omstreeks 29 augustus 2008 te Delft

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk en

al dan niet met voorbedachten rade

een persoon, genaamd [slachtoffer], hoofdagent van politie,

die toen en daar als motoragent bezig was met de uitvoering van de politietaak en aldus en in

elk geval in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening was,

van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet,

al dan niet na kalm beraad en/of rustig overleg,

terwijl hij, verdachte, als (duo-)passagier gezeten was op een door zijn mededader bestuurde

bromscooter,

die toen aldaar met een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur, althans met hoge

snelheid, over de weg reed,

met een stootijzer (lengte 101 centimeter, gewicht 5,8 kilogram), althans met een lang, zwaar en/of

puntig voorwerp

steekbewegingen heeft gemaakt naar die [slachtoffer], ten tijde dat deze op een dienstmotor met

nagenoeg dezelfde snelheid dicht naast die bromscooter reed,

en/of steekbewegingen heeft gemaakt naar die motor,

en/of die [slachtoffer] één of meermalen aan de elleboog, althans het lichaam, heeft geraakt,

en/of

dat stootijzer, althans dat voorwerp, naar of in de richting van die [slachtoffer] heeft gegooid,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

dat hij

op of omstreeks 29 augustus 2008 te Delft

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een persoon genaamd [slachtoffer], hoofdagent van politie,

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling

hebbende hij,

terwijl hij, verdachte als (duo-)passagier gezeten was op een door zijn mededader bestuurde

bromscooter,

die toen aldaar met een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur, althans met hoge

snelheid, over de weg reed,

met een stootijzer (lengte 101 centimeter gewicht 5,8 kilogram), althans met een lang, zwaar en/of

puntig voorwerp

steekbewegingen gemaakt naar die [slachtoffer], ten tijde dat deze op een dienstmotor met

nagenoeg dezelfde snelheid dicht naast die bromscooter reed,

en/of die [slachtoffer] één of meermalen aan de elleboog, althans het lichaam, geraakt,

en/of

dat stootijzer, althans dat voorwerp, naar of in de richting van die [slachtoffer] gegooid.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het (oorspronkelijk) primair, impliciet primair tenlastegelegde (poging tot moord) vrijgesproken en ter zake van het (oorspronkelijk) primair, impliciet subsidiair tenlastegelegde (poging tot doodslag) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de stichting Welzijn- en gezondheidszorg van het Leger des Heils te 's-Gravenhage, zolang die instelling zulks nodig acht. Voorts is er beslist omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep - onder verwijzing naar de appelschriftuur van de officier van justitie - zich op het standpunt gesteld dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad en gevorderd dat het hof het primair tenlastegelegde, poging tot moord, zal bewezenverklaren.

Met de rechtbank stelt het hof vast dat er sprake is geweest van een hectische achtervolging binnen de bebouwde kom met een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur, waarbij de aangever op zijn dienstmotor een scooter met de verdachte als duo-passagier heeft getracht te doen stoppen. Voor wat betreft de hieronder bewezenverklaarde handelingen van de verdachte is het hof van oordeel dat de verdachte deze in die hectische omstandigheden en in een opwelling om aan de motoragent te ontkomen heeft gepleegd. Niet aannemelijk is geworden dat hij zich op enig moment heeft kunnen beraden en gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de (mogelijke) gevolgen van zijn handelen en zich daarvan rekenschap te geven. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de aangever bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat de verdachte "eigenlijk direct aansluitend op de steekbewegingen" het stootijzer heeft weggegooid. Het hof zal de verdachte dan ook van het primair, impliciet primair tenlastegelegde (poging tot moord) vrijspreken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair impliciet subsidiair tenlastegelegde (poging tot doodslag) heeft begaan, met dien verstande dat:

dat hij

op 29 augustus 2008 te Delft,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer], hoofdagent van politie,

die toen en daar als motoragent bezig was met de uitvoering van de politietaak en in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening was,

van het leven te beroven,

met dat opzet,

terwijl hij, verdachte, als (duo-)passagier gezeten was op een bromscooter,

die toen aldaar met een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur, over de weg reed,

met een stootijzer (lengte 101 centimeter, gewicht 5,8 kilogram),

steekbewegingen heeft gemaakt naar die [slachtoffer], ten tijde dat deze op een dienstmotor met

nagenoeg dezelfde snelheid dicht naast die bromscooter reed,

en die [slachtoffer] aan de elleboog heeft geraakt,

en

dat stootijzer, in de richting van die [slachtoffer] heeft gegooid,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig zijn overgelegde pleitnotitie, onder meer bepleit - zakelijk weergegeven - dat de verdachte behoort te worden vrijgesproken van het aan hem primair, impliciet subsidiair tenlastegelegde (poging tot doodslag), nu niet kan worden vastgesteld dat de verdachte willens en wetens de kwade kans heeft aanvaard dat de aangever door zijn handelingen zou komen te overlijden. Er is, aldus de raadsman, geen sprake geweest van voorwaardelijk opzet op het intreden van de dood van aangever.

Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de verdachte als duo-passagier op een scooter in de ochtend van 29 augustus 2008 te Delft heeft getracht te ontkomen aan de aangever, die hem en de bestuurder van de scooter achtervolgde en wilde doen stoppen. De verdachte heeft tijdens deze achtervolging eerst, op het moment dat de aangever op zijn motor naast de verdachte reed, met een stootijzer stekende bewegingen in de richting van de aangever gemaakt waarbij hij de aangever ook daadwerkelijk heeft geraakt, terwijl de aangever en de scooter op dat moment met een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur reden. Toen de aangever - hiervan geschrokken - vervolgens achter de verdachte ging rijden, gooide de verdachte het stootijzer in de richting van de aangever. Het hof is van oordeel dat deze handelingen van de verdachte zeer gevaarzettend waren. De kans dat aangever door de stootbewegingen met de ijzeren staaf in zijn richting was gaan wankelen en ten val zou zijn gekomen acht het hof aanmerkelijk, evenals de kans dat de aangever ten val zou zijn gekomen doordat hij de in zijn richting geworpen staaf niet had kunnen ontwijken. Bij een val met een motor, terwijl met hoge snelheid wordt gereden, acht het hof het risico dat dit de dood van de motorrijder ten gevolge heeft, groot. Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte, aldus handelende, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij daardoor een ongeval zou veroorzaken waarbij de aangever om het leven zou komen. Dit levert voorwaardelijk opzet op de dood van de aangever op, zodat het verweer moet worden verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair, impliciet primair tenlastegelegde (poging tot moord) zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met aftrek van het voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Uit de toelichting bij de vordering benadeelde partij blijkt duidelijk de mate van impact die het voorval heeft op het leven van die politieman. Misdrijven als het onderhavige veroorzaken gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers alsook bij de maatschappij in het algemeen. De ervaring leert dat slachtoffers veelal geruime tijd lijden onder de psychische gevolgen van een dergelijke ingrijpende gebeurtenis. Door zijn handelen heeft de verdachte er tevens blijk van gegeven de in de samenleving geldende omgangsvormen te negeren, met name wat betreft het respecteren van politiemensen die hun werk moeten kunnen verrichten zonder dat zij daarbij moeten vrezen voor hun leven.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 september 2010 is de verdachte meermalen onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. In het reclasseringsrapport van het Leger des Heils van 28 november 2008 ziet het hof aanleiding aan het voorwaardelijk- op te leggen strafdeel de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht te verbinden, teneinde het in het rapport voorgestelde plan van aanpak te laten uitvoeren.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van EUR 500,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en toegewezen bedrag van

EUR 500,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof is aannemelijk geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van EUR 500,-.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

EUR 500,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde feit is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer].

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter te 's-Gravenhage van 27 augustus 2007 onder parketnummer 09-900415-07 is de verdachte onder meer veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan, dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering is gegrond.

Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het primair, impliciet subsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat een op 6 (zes) maanden bepaald gedeelte van de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich in de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die zullen worden gegeven door of namens de stichting Welzijn- en gezondheidszorg van het Leger des Heils te 's-Gravenhage, zolang die instelling zulks nodig acht.

Draagt aan deze instelling op aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] tot het gevorderde bedrag van

EUR 500,00 (vijfhonderd euro),

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met de vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak vooralsnog zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat een bedrag te betalen van

EUR 500,00 (vijfhonderd euro)

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van

10 (tien) dagen,

met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis deze betalingsverplichting niet opheft.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging toe en gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te 's-Gravenhage van 27 augustus 2007 onder parketnummer 09-900415-07 opgelegde voorwaardelijke straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van

2 (twee) maanden.

Dit arrest is gewezen door mr. R.C. Langeler, mr. C.G.M. van Rijnberk en mr. M.C.R. Derkx, in bijzijn van de griffier mr. S. Hartog-Zamani.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 12 oktober 2010.