Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BO2671

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-10-2010
Datum publicatie
03-11-2010
Zaaknummer
BK-10-00113
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. In geschil is of de rechtbank terecht in navolging van de uitspraak in de vennootschapsbelastingprocedure voor de rechtbank de uitdeling aan belanghebbende heeft gesteld op € 4.537 wegens door belanghebbende en door [C] betaalde reiskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2011/9.22.3
FutD 2010-2566
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

nummer BK-10/00113

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer van 22 oktober 2010

op het hoger beroep van de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Rijnmond (kantoor Rotterdam), tegen de (mondelinge) uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 22 januari 2010, nummer AWB 09/3477 IB/PVV, betreffende na te noemen aan [belanghebbende] te [Z] (hierna: belanghebbende) opgelegde navorderingaanslag en boetebeschikking.

Navorderingsaanslag, boetebeschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2000 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van € 79.282. Vervolgens heeft de Inspecteur aan belanghebbende voor dat zelfde jaar een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd waarbij het belastbare inkomen is vastgesteld op € 109.033. Bij beschikking heeft de Inspecteur aan belanghebbende een boete opgelegd van € 4.462.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de navorderingsaanslag en de boetebeschikking bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij gezamenlijke uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld en heeft in verband daarmee een griffierecht betaald van € 41.

1.4. Bij de in de aanhef vermelde uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de navorderingsaanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van € 83.818, de boete verminderd met instandhouding van het boetepercentage en rekening houdend met de door de rechtbank vastgestelde boetegrondslag, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 805 en de Inspecteur gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 te vergoeden.

Loop van het geding

2.1. De Inspecteur is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof.

2.2. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. Voorafgaande aan de mondelinge behandeling zijn van de Inspecteur op 6 juli 2010 en 26 augustus 2010 nadere stukken ontvangen. Van belanghebbende zijn op 16 augustus 2010 nadere stukken ontvangen.

2.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 27 augustus 2010, gehouden te 's-Gravenhage. Daar zijn beide partijen verschenen.

2.5. De zaken met de nummers BK-09/00725 tot en met BK-09/00727, BK-09/00899 tot en met BK-09/00902 en BK-10/00113 zijn gezamenlijk behandeld. Hetgeen is aangevoerd en overgelegd in de ene zaak geldt als aangevoerd en overgelegd in de andere zaken.

2.6. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft [A] namens en op verzoek van [B]/[C] BV nog een stuk ingezonden. Het Hof heeft, gelet ook op de inhoud van dat stuk, geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.

2.7. De Inspecteur en belanghebbende hebben ieder bij afzonderlijke brief van respectievelijk 15 september 2010 en 17 september 2010 aan het Hof meegedeeld niet geslaagd te zijn voor de navorderingsaanslag tot overeenstemming te komen. Partijen hebben voor dat geval ter zitting verzocht aan het Hof uitspraak te doen en geen prijs te stellen op een nadere zitting. Het Hof heeft, gelet op een en ander, geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde staat, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende vast:

3.1. Belanghebbende is in het onderhavige jaar directeur en enig aandeelhouder van [C] B.V. (hierna: [C]). [C] drijft een groothandel in telefoonkaarten en vormt met haar dochter- en werkmaatschappij [D] B.V. (hierna: [D]) een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting.

3.2. In het onderhavige jaar heeft [D] reiskosten tot een bedrag van € 29.752 ten behoeve van belanghebbende betaald. [C] heeft deze kosten ten laste van haar winst over het onderhavige jaar gebracht. In haar uitspraak van 21 december 2009, nr. AWB 07/3556 (rechtsoverweging 4.8), heeft de rechtbank geoordeeld dat een bedrag van € 4.537 van de hiervoor vermelde kosten niet ten laste van de winst van [C] kan worden gebracht.

3.3. Belanghebbende heeft aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2000 gedaan naar een belastbaar inkomen van € 79.282. De Inspecteur heeft de definitieve aanslag in overeenstemming met de door belanghebbende ingediende aangifte vastgesteld.

3.4. De Inspecteur heeft naar aanleiding van een in 2005 bij [C] ingesteld boekenonderzoek de navorderingsaanslag aan belanghebbende opgelegd. Hierbij heeft de Inspecteur het belastbare inkomen van belanghebbende verhoogd met € 29.752, zijnde een winstuitdeling aan belanghebbende, tot een belastbaar inkomen van € 109.034.

De rechtbank

4.1. De rechtbank heeft - voor zover van belang - het volgende overwogen, waarbij voor "eiser" wordt gelezen belanghebbende en voor "verweerder" de Inspecteur:

"De navorderingsaanslag

2.6. Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat het bedrag dat door deze rechtbank voor de vennootschapsbelasting niet in aftrek is toegelaten, te weten een bedrag van € 4.537 (...) dient te worden aangemerkt als een winstuitdeling in het onderhavige jaar door [D] aan eiser. Hierbij heeft verweerder toegezegd dat, indien het Gerechtshof Den Haag in zijn uitspraak oordeelt dat de in 2.2 door de rechtbank niet in aftrek toegelaten kosten op een lager bedrag dient te worden vastgesteld dan wel indien hij het gehele bedrag van € 29.752 in aftrek toelaat, zij de onderhavige aanslag en vergrijpboete dienovereenkomstig zal verminderen. Gelet hierop behoeft eisers stelling dat een dubbele bewustheid ontbreekt geen behandeling meer.

2.7. Gelet op hetgeen in 2.6 is overwogen, dient de navorderingsaanslag te worden verminderd met een bedrag van € 25.215 (€ 29.752 /- € 4.537). Gelet hierop heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en de navorderingsaanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van € 83.818 (€ 109.033 125.215).

Vergrijpboete

2.8. Verweerder heeft ingevolge artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen aan eiser een vergrijpboete ten bedrage van 25% van de nagevorderde belasting opgelegd en verwijt eiser grove schuld.

2.9. Naar het oordeel van de rechtbank is het aan grove schuld van eiser te wijten dat de definitieve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2000 tot een te laag bedrag is vastgesteld. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat zij aannemelijk acht dat de vergoeding door [D] tot een bedrag van € 4.537 is gelegen in de persoonlijke behoeftensfeer van eiser. Door dit bedrag niet in zijn aangifte op te nemen als winstuitdelïng is de definitieve aanslag over het onderhavige jaar tot een te laag bedrag vastgesteld. Gelet hierop acht de rechtbank het opleggen van een vergrijpboete tot een percentage van 25 passend en geboden. Gelet op hetgeen hiervoor in 2.7 is overwogen heeft de rechtbank het beroep met betrekking tot de boete gegrond verklaard en de boete verminderd."

4.2. De rechtbank heeft ter zitting van 8 januari 2010 de onderwerpelijke zaak samen behandeld met de zaken AWB 09/3879 en AWB 09/5211 betreffende het beroep van belanghebbende met betrekking tot de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 2001 en 2004. Het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting voor de rechtbank houdt - voor zover van belang - het volgende in:

"Gemachtigde verklaart dat hij namens eiser ermee akkoord gaat dat de kosten die in de procedures van [C] B.V. door de rechtbank niet in aftrek zijn toegelaten in deze procedures als winstuitdelingen worden aangemerkt. Indien het Gerechtshof in de procedures van de vennootschap het bedrag aan niet-aftrekbare kosten op een lager bedrag vaststelt, zal verweerder de winstuitdelingen over de onderhavige jaren dienovereenkomstig verminderen. Verweerder gaat hiermee akkoord."

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

5.1. In hoger beroep is in geschil of de rechtbank terecht in navolging van de uitspraak in de vennootschapsbelastingprocedure voor de rechtbank de uitdeling aan belanghebbende heeft gesteld op € 4.537 wegens door belanghebbende en door [C] betaalde reiskosten, welke vraag belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt.

5.2. De Inspecteur heeft - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. De rechtbank heeft in de zaak met betrekking tot de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2000 ten onrechte aangenomen dat de desbetreffende reiskosten van belanghebbende op de grootboekrekening van de vennootschap in guldens zijn geboekt in plaats van in euro's. Als gevolg van die onjuiste aanname heeft de rechtbank ten onrechte de uitdeling in goede justitie gesteld op fl. 10.000 (€ 4.537). Alleen al door de wisseling van valuta is het niet-aftrekbare bedrag voor de vennootschapsbelasting eerder te laag dan te hoog vastgesteld door de rechtbank. Het door de rechtbank als uitdeling aan belanghebbende aangemerkte bedrag van € 4.537 kan daarom niet juist zijn. De uitdeling bedraagt € 29.752.

5.3. Belanghebbende houdt de juistheid van de uitspraak van de rechtbank staande en doet een beroep op hetgeen ter zitting voor de rechtbank door partijen is overeengekomen.

Conclusies van partijen

6.1. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

6.2. Belanghebbende heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. In hoger beroep zijn partijen voor de heffing van de vennootschapsbelasting over het jaar 2000 (BK-09/00799) tot overeenstemming gekomen en hebben het Hof meegedeeld dat het belastbare bedrag voor dat jaar moet worden vastgesteld op € 200.000, met het gevolg dat de navorderingsaanslag niet in stand kan blijven. In die zaak komt het Hof niet toe aan een oordeel over de vraag of het bedrag aan uitdeling juist is, dat de rechtbank voor de vennootschapsbelasting in goede justitie heeft bepaald.

7.2. In de onderhavige inkomstenbelastingprocedure is voor een dergelijk oordeel evenmin plaats, nu partijen blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van de rechtbank van onder meer de inkomstenbelastingprocedure voor het jaar 2000, zijn overeengekomen dat "de kosten die in de procedures van [C] BV door de rechtbank niet in aftrek zijn toegelaten in deze procedures als winstuitdelingen worden aangemerkt". Het hiervoor onder 4.1 gegeven oordeel van de rechtbank moet derhalve rechtens voor juist worden gehouden.

7.3. Gelet op het vorenoverwogene dient de uitspraak van de rechtbank te worden bevestigd.

Proceskosten en griffierecht

8.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 874 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (2 punten à € 437 x 1 (gewicht van de zaak)) Voor een hogere vergoeding van proceskosten acht het Hof geen termen aanwezig.

8.2. Nu de uitspraak van de rechtbank in stand blijft, wordt van de Inspecteur een griffierecht geheven van € 448.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

- veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende in hoger beroep gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 874; en

- gelast dat van de Inspecteur een griffierecht wordt geheven van € 448.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en J.J.J. Engel, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 22 oktober 2010 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.