Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BO2661

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-10-2010
Datum publicatie
03-11-2010
Zaaknummer
BK-10/00014
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kosten van betekening van een dwangbevel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2011/14.23.10
FutD 2010-2693
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-10/00014

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer d.d. 27 oktober 2010

op het hoger beroep van [belanghebbende] te [Z], hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 4 januari 2010, nummer AWB 09/2164 INV, betreffende na te melden beschikking.

Beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is ter zake van de betekening van een dwangbevel tot betaling van een aan hem opgelegde voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2007 bij beschikking een bedrag van € 87 aan kosten in rekening gebracht, welk bedrag, na daartegen ingediend beroepschrift, bij uitspraak van de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Holland-Midden, hierna: de Ontvanger, is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Ontvanger beroep ingesteld bij de rechtbank 's-Gravenhage. In verband daarmee is door de griffier van de rechtbank een griffierecht geheven van € 41. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 110. De Ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 15 september 2010, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is tussen partijen als niet in geschil, dan wel door een de partijen gesteld en door de wederpartij niet dan wel onvoldoende betwist, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 18 juni 2008 voor het jaar 2007 een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: de aanslag) opgelegd, welke aanslag uiterlijk op 18 augustus 2008 € 820 (inclusief heffingsrente) moest worden betaald.

3.2. Belanghebbende heeft dit bedrag niet op tijd betaald. Op 6 september 2008 is aan hem een aanmaning toegezonden en op 24 september 2008 heeft hij verzocht om een betalingsregeling. Dit verzoek is op 29 september 2008 afgewezen en belanghebbende heeft daartegen geen administratief beroep ingesteld.

3.3 Het dwangbevel heeft betrekking op de aanslag en is op 6 februari 2009 betekend.

3.4. De IND heeft op 11 september 2007 het voornemen uitgesproken om de aan belanghebbende verleende verblijfsvergunning in te trekken.

3.5. Een aan belanghebbende toegekende uitkering krachtens de Wet Werk en Bijstand is bij besluit van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Leiden van 27 november 2008 ingetrokken.

3.6. Belanghebbende heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij uitspraak van de voorlopige voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 15 april 2009 is het voormelde besluit geschorst.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of de kosten van het dwangbevel terecht in rekening zijn gebracht.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, van de uitspraak van de Ontvanger, vermindering van de kosten van het dwangbevel tot nihil, alsmede tot vergoeding van de proceskosten rechtens.

5.2. De Ontvanger concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

6.1. De rechtbank heeft - voor zover in hoger beroep nog van belang - omtrent het geschil het volgende overwogen. Daarbij dient onder "eiser" te worden verstaan: belanghebbende, en onder "verweerder": de Ontvanger:

"3.3. Ingevolge artikel 1 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen (hierna: de Wet) worden ter zake van het verrichten van werkzaamheden voor de invordering van bedragen aan degene die in gebreke is gebleven het verschuldigde tijdig te betalen, kosten in rekening gebracht. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet worden de kosten van betekening van een dwangbevel voor een verschuldigd bedrag van € 820 gesteld op € 87.

3.4. De vaststaande feiten wijzen uit dat eiser in gebreke is gebleven de verschuldigde aanslag tijdig te betalen en dat de kosten van betekening correct zijn berekend. Het in rekening brengen van de kosten in dan ook gebeurd overeenkomstig de bepalingen van de Wet.

3.5. Aan de klacht dat de bestreden uitspraak van 20 maart 2009 in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:4 Awb ligt kennelijk ten grondslag het standpunt dat verweerder rekening had moeten houden met de uitkomsten van de onder 3.1 sub vi) genoemde procedures, althans die uitkomsten had moeten afwachten en rekening had moeten houden met het feit dat eisers uitkering is stopgezet.

3.6. Het beleid van verweerder ter zake van uitbrengen van dwangbevelen en het in rekening brengen van kosten van betekening van een dwangbevel is neergelegd in de artikelen 12 en 75 van de Leidraad Invordering 2008. Tegen dit beleid als zodanig zijn geen klachten aangevoerd en de rechtbank ziet evenmin aanleiding om ambtshalve te oordelen dat dit beleid als zodanig in strijd is met artikel 3:2 en/of artikel 3:4 Awb. Hiervan uitgaande komt aan de rechtbank slechts de beoordeling toe of dit beleid in dit concrete geval mag worden toegepast of dat bijzondere omstandigheden dwingen tot afwijking van dat beleid (vgl. HR 20 september 2000, nr. 35 250, BNB 2000/375).

3.7. Hetgeen eiser heeft aangevoerd dwingt naar het oordeel van de rechtbank niet tot afwijking van het beleid zoals dat is neergelegd in de artikelen 12 en 75 van de Leidraad Invordering 2008. De rechtbank neemt daarbij in het bijzonder in aanmerking dat ten tijde van het opleggen van de aanslag en het verstrijken van de betalingstermijn daarvan (op 18 augustus 2008) eisers bijstandsuitkering nog niet was beëindigd en er geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die licht werpen op de vraag waarom eiser ondanks die uitkering de aanslag niet tijdig heeft betaald. Aan de omstandigheid dat de IND op 11 september 2007 het voornemen heeft uitgesproken om de aan eiser verleende verblijfsvergunning in te trekken, komt in dit verband geen betekenis toe.

3.8. In het licht van het bovenstaande en de - summiere - inhoud van het bezwaarschrift kan evenmin worden gezegd dat de bestreden uitspraak op bezwaar in strijd is met artikel 3:2 en/of artikel 3:4 Awb.

3.9. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling."

6.2. Het Hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. In aanvulling op hetgeen de rechtbank heeft geoordeeld overweegt het Hof nog het volgende.

6.3. De Ontvanger heeft met afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid kunnen besluiten tot het laten betekenen van een dwangbevel met de daarbij in rekening te brengen kosten. Immers, vaststaat dat belanghebbende in het jaar 2007 inkomsten heeft genoten, daarover inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen is verschuldigd en dat deze verplichtingen in een voorlopige aanslag zijn vastgelegd. Het enkele feit dat belanghebbende in een ingrijpende discussie is gewikkeld betreffende zijn verblijfstatus hier te lande ontslaat hem niet te voldoen aan zijn fiscale verplichtingen. Dat de Ontvanger dusdoende niet in overeenstemming heeft gehandeld met het beleid zoals vastgelegd in de Leidraad Invordering 2008 heeft belanghebbende naar 's Hofs oordeel onvoldoende aannemelijk gemaakt.

6.4. Aan het vorenstaande doet evenmin af het geschil voor het jaar 2008 dat belanghebbende heeft gehad met de gemeente Leiden inzake de voorgenomen beëindiging van zijn uitkering ingevolge de Wet Werk & Bijstand. Het aanhangig zijn noch de uitkomst van dat geschil ontslaan belanghebbende van zijn verplichtingen zijn belastingschulden te betalen, dan wel onder opgaaf van redenen uitstel van betaling te vragen en, bij weigering daarvan, de nodige vervolgstappen te zetten in de vorm van het instellen van administratief beroep. Ook in zoverre faalt het hoger beroep.

6.5. Belanghebbende heeft als tweede grief tegen de uitspraak van de rechtbank aangevoerd dat de rechtbank het bepaalde in de artikelen 3:2 en/of 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht heeft geschonden. De grief kan niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank nu het Hof in hoger beroep tot een volledige heroverweging is gekomen van al hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd en het Hof de overwegingen en de beslissing van de rechtbank tot de zijne maakt.

6.6. Gelet op het hiervoor overwogene dient te worden beslist als hierna is vermeld.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in de zin van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, Th. Groeneveld en J.J.J. Engel, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van den Bogerd. De beslissing is op 27 oktober 2010 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.