Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BO2460

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-08-2010
Datum publicatie
01-11-2010
Zaaknummer
200.037.004-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ4165, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

executiegeschil

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 200.037.004/01

Rol-/zaaknummer rechtbank : 336368 / KG ZA 09-527

arrest van de negende civiele kamer d.d. 10 augustus 2010

inzake

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. A. Klaassen te Veenendaal,

tegen

DE NEDERLANDSE ANTILLEN,

zetelend te Willemstad, Curaçao,

geïntimeerde,

hierna te noemen: De Nederlandse Antillen,

advocaat: mr. S.E. Bos te ’s-Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van 9 juni 2009, verbeterd bij herstelexploot van 23 juni 2009, is [appellante] in hoger beroep gekomen van het door de voorzieningenrechter vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage, sector civiel recht, tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van 13 mei 2009. In de appeldagvaarding (met producties) heeft [appellante] vier grieven geformuleerd tegen het bestreden vonnis. Bij incidentele memorie tot voeging van 3 november 2009 heeft de Nederlandse Antillen voeging gevorderd van de onderhavige zaak met een drietal andere zaken. Bij memorie van antwoord in het incident tot voeging heeft [appellante] geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering tot voeging. Het hof heeft de incidentele vordering tot voeging afgewezen bij arrest van 9 februari 2010 en de Nederlandse Antillen veroordeeld in de kosten van [appellante] in het incident. Hierna heeft de Nederlandse Antillen de grieven van [appellante] bestreden bij memorie van antwoord (met producties). Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Partijen zijn niet opgekomen tegen de vaststelling van de feiten door de voorzieningenrechter onder 1.1. tot en met 1.8. van het bestreden vonnis, zodat het hof ook van deze feiten zal uitgaan.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1. [appellante] is per 1 april 2004 als Hoofd Algemene en Juridische Zaken in dienst getreden bij de NA. In die hoedanigheid was zij werkzaam in Den Haag bij (het kantoor van) het Antillenhuis, de verblijfplaats van de vertegenwoordiging in Nederland van de regering en de eilandgebieden van de Nederlandse Antillen.

2.2. Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 14 februari 2008 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, sector kanton, locatie ’s-Gravenhage, in de bodemzaak op de conventionele vordering van de Nederlandse Antillen voor recht verklaard dat de arbeidsovereenkomst tussen de Nederlandse Antillen en [appellante] rechtsgeldig is beëindigd per 1 november 2006. In reconventie heeft de kantonrechter de Nederlandse Antillen onder meer veroordeeld tot betaling aan [appellante] van “de toelage voor het plaatsvervangend directeurschap op basis van de werkelijke waarneming van 1 juni 2004 tot 18 februari 2005, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente vanaf 3 mei 2007 tot heden”. Het vonnis vermeldt niets over de hoogte van die toelage.

2.3. [appellante] is bij dagvaarding van 13 mei 2008 in hoger beroep gegaan van voormeld bodemvonnis van 14 februari 2008. De Nederlandse Antillen heeft incidenteel geappelleerd. De zaak staat voor pleidooi op 15 oktober 2010.

2.4. Op 6 juni 2008 heeft de Nederlandse Antillen uit hoofde van het bodemvonnis diverse bedragen aan [appellante] betaald. Tussen partijen is discussie ontstaan over met name de hoogte van de toelage voor het plaatsvervangend directeurschap.

2.5. Op 25 september 2008 heeft [appellante] executoriaal beslag doen leggen op de kantoorpanden van het Antillenhuis en op de ambtswoning van de gevolmachtigd minister van de NA.

2.6. Bij brief van 30 januari 2009 heeft de advocaat van de Nederlandse Antillen aan de advocaat van [appellante] bericht dat de Nederlandse Antillen onder protest bereid is om aan [appellante] te betalen wat de kantonrechter heeft toegewezen. Daarbij is opgemerkt dat ervan wordt uitgegaan dat de door [appellante] genomen executiemaatregelen (beslag op het Antillenhuis en op de ambtswoning van de gevolmachtigd minister van de NA, alsmede openbare verkoop van het Antillenhuis) zullen worden stopgezet. Ten aanzien van de toelage voor het waarnemend directeurschap is in de brief het volgende medegedeeld:

De kantonrechter heeft geoordeeld dat uw cliënte gedurende 133 dagen aanspraak maakt op de toelage voor het waarnemend directeurschap. U heeft deze toelage berekend op EUR 171,52 bruto per dag en komt dientengevolge uit op een bedrag van EUR 22.812,23 bruto. Vermeerderd met rente en verhoging komt dit uit op EUR 37.191,-- bruto. De toelage moet echter EUR 41,51 bruto per dag zijn. Het salaris van een directeur komt namelijk neer op salarisschaal 15. Waarom u daaraan trede 9 koppelt is niet duidelijk. Er is immers (mede gezien het lagere niveau van het salaris vaan uw cliënte en haar werkervaring) geen reden waarom uw cliënte niet op trede 1 van schaal 15 zou worden ingedeeld. Voorts geldt ten aanzien de berekeningswijze van de toelage dat op netto basis het verschil tussen het brutoloon van uw cliënte en het brutoloon behorend bij de functie die zij waarneemt zal worden betaald. Over overige toelagen, zoals in uw e-mail genoemd, is niets geregeld. Ook de uitspraak van de kantonrechter bepaalt hier niets over. Cliënte gaat dan ook uit van het verschil tussen het bruto salaris zoals uw cliënte dat genoot (schaal 13, EUR 4.508,25 bruto) en het salaris van een directeur (schaal 15, Naf. 7.316,--, EUR 5.189,36 bruto). Dit komt uit op EUR 31,31 bruto per dag, dus voor 133 dagen EUR 4.164,95 bruto. Vermeerderd met verhoging en rente tot en met 6 februari 2009 komt dit uit op EUR 6.700,52 bruto (verhoging en EUR 453,09 rente). Het netto equivalent van dit bedrag zal op 6 februari 2009 aan uw cliënte worden betaald, waardoor ook deze post van de vordering van uw cliënte zal zijn voldaan. Overigens behoudt cliënte zich ook ten aanzien van het terugvorderen van dit bedrag in hoger beroep alle rechten voor.”

Op 6 en 14 februari 2009 heeft de Nederlandse Antillen de volgens haar berekening nog verschuldigde bedragen aan [appellante] betaald.

2.7. [appellante] heeft de executiemaatregelen niet gestopt. De Nederlandse Antillen heeft een kort geding aanhangig gemaakt met als inzet de opheffing door [appellante] van de gelegde executoriale beslagen. Eén dag voor de mondelinge behandeling van dat geding op 20 februari 2009, derhalve na de betalingen zoals hierboven in de laatste zin van 2.6. vermeld, heeft [appellante] de deurwaarder instructie gegeven de gelegde executoriale beslagen op te heffen. Het kort geding is vervolgens niet doorgegaan.

2.8. Op 3 april 2009 heeft [appellante] ten laste van de Nederlandse Antillen executoriaal beslag doen leggen onder de ABN Amro bank. In het proces-verbaal van beslaglegging staat vermeld dat het beslag is gelegd ter verzekering en om betaling te verkrijgen van de navolgende bedragen:

- bruto salaris € 31.845,19

- rente conform voormelde titel:

a. berekend tot 4/3/2009 € 4.503,70

b. berekend vanaf 4/3/2009

tot aan algehele voldoening p.m.

- proceskosten € 800,00

- kosten betekening en bevel € 82,24

- overige executiekosten € 4.886,67

- waarop in mindering strekt € 869,31 -

- kosten van dit proces-verbaal € 128,27

- kosten van betekening van dit beslag € 72,79

Totaal verschuldigd: € 41.449,55

2.9. Bij brief van 22 april 2009 heeft de Nederlandse Antillen [appellante] in kennis doen stellen van een op 19 februari 2009 door de Nederlandse Antillen ten behoeve van [appellante] gestelde bankgarantie van € 50.000,- ten aanzien van de door haar gepretendeerde vordering. Daarbij is [appellante] gesommeerd het beslag van 3 april 2009 op te heffen. Dit is niet gebeurd.

2.10. In eerste aanleg heeft de Nederlandse Antillen gevorderd, na wijziging van eis, dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis het op 3 april 2009 gelegde executoriaal bankbeslag zal opheffen en/of de verdere executie van het vonnis in de bodemzaak van 14 februari 2008 zal schorsen totdat in hoger beroep uitspraak zal zijn gedaan. De Nederlandse Antillen voerde aan dat instandhouding van het beslag misbruik van recht opleverde omdat de Nederlandse Antillen reeds volledig aan het vonnis van 14 februari 2008 had voldaan. Subsidiair betoogde de Nederlandse Antillen dat het bankbeslag moest worden opgeheven omdat het was gelegd op goederen die bestemd zijn voor de openbare dienst als bedoeld in artikel 436 Rv. Meer subsidiair stelde de Nederlandse Antillen zich op het standpunt dat [appellante] gelet op de gestelde bankgarantie geen belang meer had bij het beslag. [appellante] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

2.11. Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 13 mei 2009 heeft de voorzieningenrechter het door [appellante] op 3 april 2009 gelegde executoriaal beslag onder de ABN Amro opgeheven en de verdere executie van het vonnis van 14 februari 2008 in de bodemzaak geschorst totdat in hoger beroep daarover zal zijn beslist. Daarbij heeft de voorzieningenrechter overwogen dat in het kader van dit kort geding niet kan worden vastgesteld wie van beide partijen het juiste standpunt inneemt ten aanzien van de toekenning van de in het geding zijnde toelage en de salarisanciënniteit en dat in hoger beroep moet worden beslist of het bedrag dat door de Nederlandse Antillen is betaald uit hoofde van het bodemvonnis te laag is of te hoog. Ook heeft de voorzieningenrechter overwogen dat gelet op de gestelde bankgarantie [appellante] geen belang meer heeft bij handhaving van het executoriaal beslag of verdere tenuitvoerlegging van het vonnis. [appellante] is veroordeeld in de proceskosten.

3. In hoger beroep vordert [appellante] dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de vorderingen van NA alsnog zal afwijzen, met veroordeling van NA in de proceskosten in beide instanties. De vier grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Het hof overweegt als volgt

3.1. In het algemeen geldt als uitgangspunt bij executiegeschillen dat voor schorsing van de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis slechts plaats is, indien de executant mede gelet op de belangen van de geëxecuteerde geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om in afwachting van de uitslag van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dit (voor de wederpartij van de executant zeer strenge) uitgangspunt is echter niet althans veel minder bruikbaar in een situatie waarin, nog daargelaten de uitkomst van een ingesteld hoger beroep, zelfs in geschil is of de executant op basis van het vonnis waarvan beroep (nog) iets te executeren heeft.

3.2. Een dergelijke situatie doet zich hier voor. De Nederlandse Antillen is bij het vonnis van 14 februari 2008 veroordeeld tot (onder meer) betaling van een toelage voor het plaatsvervangend directeurschap en de Nederlandse Antillen heeft ook daadwerkelijk een bedrag betaald ter voldoening aan die veroordeling. Volgens [appellante] heeft zij recht op méér, hetgeen de Nederlandse Antillen betwist. Nu het vonnis geen uitsluitsel geeft omtrent de omvang van de verschuldigde toelage, past naar het oordeel van het hof meer terughoudendheid bij het nemen van executiemaatregelen dan in het geval waarin het bedrag waarop de executant meent recht te hebben al geconcretiseerd is toegewezen in eerste aanleg en de executant in zoverre dus als het ware “met één/nul voorstaat”. Daarbij dient voor ogen te worden gehouden dat indien aan een veroordeling in eerste aanleg reeds geheel is voldaan, verdere executie immers hoe dan ook onrechtmatig is en aan een eventuele belangenafweging niet meer wordt toegekomen.

3.3. Of [appellante] inderdaad recht heeft op een hoger bedrag dan reeds door de Nederlandse Antillen is betaald, hangt af van de beoordeling van een aantal geschilpunten. Deze beoordeling zal ten gronde plaatsvinden in het hoger beroep in de bodemzaak. Thans moet worden beoordeeld of [appellante] in voldoende mate aannemelijk heeft gemaakt dat de bodemrechter zal oordelen dat zij recht heeft op meer dan reeds feitelijk voldaan. Naar het oordeel van het hof is dit niet het geval. Daarbij neemt het hof in aanmerking hetgeen hierboven onder 3.1. en 3.2. is overwogen. Voorts acht het hof van belang dat de Nederlandse Antillen een bankgarantie hebben verstrekt die de gepretendeerde vordering dekt. Ofschoon het bankbeslag strikt genomen geen conservatoir beslag is, is het daarmee in deze specifieke situatie wel enigszins te vergelijken, juist omdat in het vonnis van 14 februari 2008 niets is bepaald omtrent de omvang van de verschuldigde toelage en in appel dus nog moet worden vastgesteld of [appellante] daadwerkelijk nog iets te vorderen heeft. Het hof passeert de stelling van [appellante] dat zij met de bankgarantie niet in haar levensonderhoud kan voorzien. Daargelaten dat de Nederlandse Antillen betwist dat [appellante] geen inkomsten heeft, heeft de Nederlandse Antillen terecht aangevoerd dat de inkomenssituatie van een executant irrelevant is als (komt vast te staan dat) er niets meer te executeren valt.

3.4. Bij het voorgaande is nog niet betrokken dat [appellante] stelt dat zij naast de vordering tot betaling van de toelage nog andere vorderingen op de Nederlandse Antillen heeft die executie rechtvaardigen. Uit hetgeen zij ter toelichting op haar grieven aanvoert blijkt dat zij daarbij het oog heeft op de vordering ad € 4.886,67 (p. 7 toelichting op grief III. jo. p 3 onder 3 en 4) ter zake van de door haar gemaakte kosten (“zoals kosten notaris”) in verband met de op 28 september 2008 gelegde beslagen op de kantoorpanden van het Antillenhuis en op de ambtswoning van de gevolmachtigd minister van de Nederlandse Antillen. Deze kosten komen in het exploot van betekening aan de Nederlandse Antillen van het beslag van 3 april 2009 (productie 11 bij inleidende dagvaarding) terug als “overige executiekosten” (zie hierboven onder 2.8.). [appellante] heeft (de omvang en samenstelling van) deze vordering echter in het geheel niet onderbouwd, zodat niet beoordeeld kan worden of en in hoeverre daarvoor reeds een executoriale titel bestaat. Gelet op deze onduidelijkheden is het hof voorshands van oordeel dat de vermeende vordering tot betaling van € 4.886,67 het (handhaven van het) bankbeslag van 3 april 2009 niet kan rechtvaardigen.

4. De conclusie luidt dat de grieven falen. Het bestreden vonnis zal dus worden bekrachtigd. [appellante] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van de Nederlandse Antillen in het hoger beroep. Conform het verzoek van de Nederlandse Antillen zal worden bepaald dat over die proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van dit arrest.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de Nederlandse Antillen begroot op € 313,- aan verschotten en € 894,- aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

Dit arrest is gewezen door mrs. E.M. Dousma-Valk, C.G. Beyer-Lazonder en M.H. van Coeverden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 augustus 2010 in aanwezigheid van de griffier.